Klimmen met kunst

Uit burgerinitiatieven onstonden 125 jaar geleden, rond het bijzondere jaar 1888, Carré, Concertgebouw en verschillende Amsterdamse musea. Wie waren die burgers en waarom deden ze dat?

In 125 jaar Concertgebouw zijn de alledaagse sores nogal veranderd. Toen op 11 april 1888 het gebouw werd geopend, stonden er 422 paardenrijtuigen in een kilometerslange file tot aan de Van Woustraat, ook al bestond die toen nog niet, om de heren en dames af te zetten bij dat ellendig verre, in de weilanden van Nieuwer-Amstel gelegen nieuwe Concertgebouw. De dames hadden vrij toegang, mits aan de arm van een heer natuurlijk. Na afloop van het openingsconcert duurde het vijf kwartier voor het laatste rijtuig vertrok, van tien over elf tot vijf voor half één. Maar dat gaf dan wel weer genoeg tijd om van de nieuwe muziekzaal meteen een hippe hangplek voor hoge heren te maken. Bij een avondje Concertgebouw gingen immers het verlangen naar muziek en het verlangen gezien te worden ongeveer gelijk op - de verschillen met nu zijn nou ook weer niet zó groot.


Het Concertgebouw bereidt zich voor op een groot jubileum, komend jaar. En het is niet de enige instelling die feest viert: de festiviteiten rond het 125-jarig jubileum van circustheater Carré zijn al in volle gang. In het jaar dat het Concertgebouw ontstond, 1888, overleed ook kunstverzamelaar Abraham Willet, wat zou leiden tot de oprichting van Museum Willet-Holthuysen, waarin de nagelaten collectie van hem en zijn vrouw Louisa publiek toegankelijk werd. En als je er even bij stilstaat begint het te dagen: binnen een paar jaar zou het eerste museum voor hedendaagse kunst verrijzen, het Stedelijk Museum, en 20 meter verderop was net drie jaar eerder het Rijksmuseum van architect Pierre Cuypers verrezen.


Ze staan er nu nog als zware eiken in het uitgaansleven bij. Met deze instituten werd de hele hardware voor het Amsterdamse culturele leven ontwikkeld, in een periode van krap tien jaar. Amsterdam werd er de culturele hoofdstad van Nederland van, met eindelijk ook mondiale reikwijdte.


Die instituten zijn nog altijd het krachtige kader waarbinnen de kunsten leven, met voor veel individuen een magische werking - weinig mensen vergeten hun eerste keer Concertgebouw, Carré, of museum, en voor velen worden de gebouwen in de loop van jaren zoiets als een trouwe vriend om te bezoeken.


Dus wat gebeurde er rond 1888, dat er zo veel van de grond kwam dat tot op vandaag het cultureel leven bepaalt? Waar komt zo veel initiatief in zo'n korte tijd vandaan? Het antwoord is alleen met veel gespeculeer te geven, maar om te beginnen is wel duidelijk waar het níét vandaan kwam: van Amsterdam zelf. Op het Rijksmuseum na zijn alle instellingen het initiatief van burgers. Nagelaten en betaald door de nieuwe rijken van de stad. De gemeente stelde hooguit een stuk weiland ter beschikking.


Het Concertgebouw ontstond doordat een groep vermogende Amsterdammers - jurist J.A. Sillem, advocaat A.F.K. Hartogh, beurscommissaris P.A.L. van Ogtrop, bankier H.J. de Marez Oyens en drankhandelaar W. Cnoop Koopmans - het muziekleven een plek met internationaal aanzien wilde geven. Ze richtten een vennootschap op die een stuk weiland kocht en een ontwerpprijsvraag uitschreef. Architect Adolf van Gendt maakte het naar model van het drie jaar eerder geopende Gewandhaus in Leipzig, omdat daar de akoestiek zo goed was.


Oscar Carré kocht, rijk geworden als circusbaas, eigenhandig de grond aan de Amstel om daar het eerste Hollandse stenen circustheater te laten bouwen, in navolging van vele andere Europese steden.


En zoon van een society-arts Abraham Willet en zijn vrouw Louisa, dochter van een steenkolenhandelaar, waren de derde van vier particulieren die in de 19de eeuw initiatief namen om van hun eigen kunstcollectie een museum te maken na hun dood - en de enige wiens museum nu nog bestaat.


Er hing iets in de lucht wat dit mogelijk maakte. In 1889, als de gebouwen er net staan, schrijft een student en dichter die even verderop woont aan Amstel 130, ongeveer tegenover Carré, een paar dichtregels die exemplarisch blijken: Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Herman Gorter gaf met zijn Mei vleugels aan 'een woord dat het culturele leven beheerste: nieuw'. Zo verwoordde Kees Fens het in Opmaat van een nieuwe eeuw: hoofdstukken uit het Nederlandse fin de siècle (1995). Alles was klaar voor het nieuwe, toen Gorter dit schreef; ruim tien jaar vóór het einde van de eeuw was de eeuw zelf al ouderwets. De literatuur, de kunst, de muziek, het schudt het oude van zich af en poneert met bravoure het nieuwe.


Het is niet heel vreemd, de wereld was voor Hollanders immers net 'opengebroken': de aanleg van een treininfrastructuur en de opkomst van de industrie hadden gezorgd voor meer mobiliteit voor burgers. Door de winst uit de koloniën, de opkomende staal- en kolenindustrie en de goedlopende bankiersbusiness kon Amsterdam onwaarschijnlijk rijk worden, en uitdijen. Denk Dubai, toen daar de olie ontdekt werd. Zo kon Amsterdam na ongeveer 1860 mondiaal in aanzien stijgen. Dat werd in de jaren tachtig beklonken met een culturele infrastructuur.


De gebouwen laten zien dat de nieuwe burgerij zich betrokken voelde bij de kunsten. Maar ze introduceerden ook een heel nieuwe manier van kunst consumeren, en daar was niet alleen de bovenste laag van de burgerij bij betrokken. Voor het eerst in de geschiedenis werd de cultuur nu ook écht toegankelijk: het aanbod van het Concertgebouw, Carré en de musea, was voor vrijwel iedereen bereikbaar. Een enorme stap in een tijd waarin je van een Bach-uitvoering geen cd'tje kon kopen, en waarin ook foto's van kunstwerken nog niet voor handen waren. Je moest voor kunst en muziek afreizen naar de instituten zelf. Voor concerten in het Concertgebouw mocht voor het eerst iedereen een kaartje kopen, terwijl het muziekleven daarvoor zich afspeelde in besloten genootschappen als Felix Meritis. Carré bood met zijn circus voorstellingen voor alle lagen van de bevolking, met uitzondering misschien van hen die echt niet meer dan brood en kleding konden betalen - voor vermaak moet je wel geld en tijd hebben. En Museum Willet-Holthuysen en het al in 1863 geopende Museum Fodor waren als eerste particuliere musea in Nederland toegankelijk voor iedereen die zich een kaartje kon veroorloven, en op zondag gratis 'voor de werklui'; tot die tijd werd kunst eeuwenlang slechts gezien door een kleine kring van liefhebbers en gelijkgestemden uit hetzelfde milieu als de eigenaren. Bij het Concertgebouw was de toegankelijkheid zelfs nog groter met wat 'hek-leden' werden genoemd: mensen die gratis meeluisterden. Want in de zomer was er een muziekprogramma in de grote tuin van het gebouw, die er nu niet meer is. Die was aan de grote weg (nu De Lairessestraat) begrensd door een hek, waarachter mensen op straat vaak stonden te luisteren naar de concerten op zondagmiddag. Volgens de Historie en kroniek van het Concertgebouw (1988) leverde dat later veel abonnementshouders op; blijkbaar was er wel enige vorm van sociale mobiliteit mogelijk voor de laagste klassen.


Carré, het Concertgebouw en de nieuwe particuliere musea zijn natuurlijk totaal verschillende burgerinitiatieven: een eenpersoonsinitiatief, een N.V. en vier legaten. Maar in alle drie kwamen verschillende sociale klassen samen; ze komen voort uit het idee dat kunst voor (vrijwel) iedereen binnen bereik moet liggen - de basis van de latere kunstpolitiek van de overheid. Voor het succes van elk van de instellingen was er steeds iets anders doorslaggevend, en soms dingen die nu nog maar moeilijk voor te stellen zijn.


Zo is voor het succes van Carré het paard ongeveer hoofdverantwoordelijk, zegt circusexpert en conservator bij de Universiteit van Amsterdam Willem Rodenhuis. Voor de vorm alleen al; toen een eeuw eerder de Britse ex-militair Philip Astley het circus uitvond, kwam hij er al snel achter dat een acrobaat het best trucs kon doen op een paard als dat paard rondjes draaft - zie hier de oorsprong van de ronde piste, die nog altijd voor het kerstcircus wordt vrijgemaakt in Carré. Maar het paard was immers ook overal in het straatbeeld, iedereen had verstand van paarden. Had je er zelf geen als freule, dan had je 'm wel als voddenboer of verzorgde je er een van je baas. En net als bij voetbal: als je er verstand van hebt, herken je de knappe trucs. Acht hengsten tegelijk laten steigeren bijvoorbeeld.


Voor het ontstaan van de kunstmusea ligt het iets gecompliceerder. Er waren drie kinderloze, rijke echtparen en één man die in de 19de eeuw hun verzameling per testament publiek maakten: Adriaan van der Hoop en Dieuwke Fontein, Pieter Augustus en Sophia Lopez Suasso, de ongetrouwde Carel Fodor, en Abraham Willet en Louisa Willet-Holthuysen. Bankier Van der Hoop liet zijn collectie na aan de gemeente Amsterdam, die het later bij het Rijksmuseum voegde, steenkolenhandelaar Fodor bestemde zijn collectie voor zijn eigen museum dat tot 1993 aan de Keizersgracht bestond (nu fotomuseum Foam), de collectie van Sophia Lopez Suasso was aanleiding voor de oprichting van het Stedelijk Museum in 1895 en bij het echtpaar Willet werd de woning aan de Herengracht tot museum gemaakt.


Maar waarom lieten zij hun collecties voor het volk na? Dat gedrag was ongekend: rijke verzamelaars uit, zeg, de 17de eeuw maalden er niet om hun collectie voor een nageslacht te behouden, laat staan voor mensen beneden hun stand. Collecties werden na hun dood geveild of in z'n geheel doorverkocht, liefst aan koningen elders in Europa.


Dus waarom nu wel? Bert Vreeken, conservator en expert van Willet-Holthuysen, wijt het aan een onverschillige overheid. Decennia lang was koning Willem I aan de macht geweest, van 1815 tot 1840, en die had totaal geen interesse in kunst. Hierdoor kwamen de culturele initiatieven van de staat stil te liggen. Burgers namen het midden 19de eeuw over. Als niemand zich meer over de kunsten ontfermt, doen wij het wel, zoiets. Vier van die burgers droegen vervolgens na hun dood de collectie over.


Wat was de reden dat ze dat werk lieten zien? Dat lijkt te liggen aan een veranderd karakter van de burgerij. Vergelijk het met de oude en nieuwe rijken van nu: de oude verhullen, de nieuwe pronken. En dat pronken leidt tot acceptatie in kringen waar je bij wilt horen: met kunst kun je sociaal klimmen.


Voor die nieuwe burgers was kunst bovendien een soort liefdadigheid, zoals de oude burgerij in de 17de eeuw het stichten van hofjes, somsvoor gepensioneerd personeel, als morele plicht beschouwden. Om de lagere klasse te verheffen, en natuurlijk om zelf hun naam te vereeuwigen.


Het Concertgebouworkest tot slot werd succesvol omdat de eerste dirigent Willem Kes zowel zijn publiek als zijn orkest opvoedde. De eerste decennia waren orkestleden nog amateurs; je kon er letterlijk de pizzabakker aria's horen zingen op zondag. Musici liepen af en aan tijdens een concert en staken gerust een sigaretje op als hun instrument even niet aan de beurt was. Dat moest anders, vond Kes. Toch duurde het tot begin 20ste eeuw voor er genoeg professioneel opgeleide musici te vinden waren.


Dan het publiek: waren de eerste concerten nog een soort jamsessies in donkere zaaltjes, waar het publiek, gezeten aan ronde tafeltjes, lekker doorkletste, rookte en biertjes bestelde tot de laatste noot klonk - binnen een jaar had Kes ze geciviliseerd. Klassieke muziek is te complex om slechts te dienen als geluidsbelang voor drankgelag, vond hij, en vereist concentratie en rust. Dat is aardig gelukt, al blijft het tot vandaag een debat, want er is een omgekeerd evenredig effect: hoe stiller het publiek wordt, hoe storender de kleinste geluiden worden. In 1992, toen het Concertgebouw een antihoestcampagne begon, schreef Bas van Putten in Het Parool: 'Dat komt er nu van, van al die netheid en die etiquette, dat komt er van, als het bulderend beest in de mens zo wreed wordt onderdrukt'. Vraagt muziek om stilte of om gezelligheid? Het Concertgebouw weet het nog steeds niet en probeert inmiddels het beste van beiden in de programmering te bewerkstelligen, met initiatieven als de Yellow Lounge, waar klassieke muziek weer ouderwets in kroegsfeer wordt geconsumeerd. Zoals een boze lezer en aandeelhouder van het concertgebouw in het Algemeen Handelsblad al in 1888, aan het eind van het openingsjaar, zich beklaagde over de verdwenen gezelligheid, bediening en het rookverbod.


Wie nu terugkijkt, kan zich misschien verbazen dat de instellingen er nog staan, omdat ze vanuit een compleet andere samenleving tot stand kwamen. Het initiatief van burgers om op zich zulke schaal over kunst te ontfermen klinkt op dit moment voor velen als een verre droom. De roep vanuit de kunst en de politiek is weliswaar groot om dat weer in gang te brengen, er is een gevoel van noodzaak voor nodig dat eind 19de eeuw veel breder gedragen werd dan nu - van liberalen tot socialisten, van oud tot nieuw geld, vanuit elke klasse behalve de alleronderste.


De wil om kunst naar een groot publiek te brengen begon hier en leidde ertoe dat in de decennia vlak na het ontstaan ook een professionaliseringsslag werd gemaakt. Het concertgebouworkest werd beter en kreeg internationaal aanzien met Willem Mengelberg, die er van 1895 tot 1945 aan de leiding was, het Stedelijk ging eigentijds verzamelen, en Carré bleek door de combinatie van piste én podium flexibel genoeg om de programmering steeds aan te passen aan de tijd.


De overheid, die in eerste instantie de kunstcollecties maar in z'n maag gesplitst kreeg, nam de verantwoordelijkheid over en ging na de Tweede Wereldoorlog echt kunstpolitiek voeren - overigens geschoeid op de leest van de nazi's, aldus hoogleraar muziekwetenschap Emile Wennekes van de Universiteit Utrecht. Die bedachten, in iets dwingender vorm weliswaar, dat kunst als verlengde van de politieke en ideologische identiteit kon worden ingezet.


Hoe dan ook, het heeft er mede toe geleid dat de instituten bleven bestaan en konden moderniseren. Carré werd meerdere malen overeind gehouden door de overheid. Het Concertgebouworkest speelt 'Champions League' omdat de overheid mogelijk maakte dat ze die kwaliteit kunnen handhaven. En stedelijke kunstaankopen zorgden voor een actualisering van het Stedelijk Museum, waardoor het niet alleen een historische museum bleef.


Na 125 jaar tijd maken de instituten de balans op en keren ze terug bij de vraag wie ze omhoog kan en zou moeten houden, en proberen ze het beste van beide te combineren.


Dit artikel kwam tot stand na gesprekken met Willem Rodenhuis, conservator uitvoerende kunsten en media, Universiteit van Amsterdam; Emile Wennekes, hoogleraar muziekwetenschap, Universiteit Utrecht; en Bert Vreeken, conservator in het Amsterdam Museum en Willet, die promoveerde op de collectie Willet-Holthuysen.

De tentoonstelling Carré 125 jaar: koninklijk circus en theater is te zien t/m 20/1/2013 in Bijzondere Collectie van de UvA, Oude Turfmarkt 129 in Amsterdam. bijzonderecollecties.nl

Het jubileumgala van 125 jaar Carré vindt plaats op 3/12/12.

Vanaf 8/1/2013 zijn er het hele jaar jubileumconcerten en fototentoonstellingen in het Concertgebouw. concertgebouw.nl

Op 28/12 verschijnt het boek Bravo! 125 jaar Het Concertgebouw en Koninklijk Concertgebouworkest, uitgeverij Balans.

Cultuurfestijn


Voordat het Concertgebouw en de particuliere musea werden opgericht, was het niet makkelijk om kunst te zien en muziek te horen. Vóór de burgerinitiatieven, bestonden al wel twee 'overheidsmusea': het Rijksmuseum (1800) en museum het Koninklijk Kabinet(1822, nu het Mauritshuis) in Den Haag. De collectie van Adriaan van der Hoop, waaronder Rembrandts Joodse Bruid, kwam echter pas in het Rijksmuseum terecht nadat een groep rijke burgers in 1854 de successierechten betaalde en de 224 schilderijen zo voor verkoop naar het buitenland wist te behoeden. Op het gebied van muziek was er het Paleis voor Volksvlijt (1864-1929) en de Parkzaal (1849-1881) in Amsterdam. Daar werden concerten gegeven, maar de opzet was minder toegankelijk en minder professioneel dan in het Concertgebouw.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden