Kleurig knekelfeest in Karamelije

België pakt de herdenking van James Ensor (1860-1949) groot aan. Nederland doet het bescheiden, met een retrospectief in Den Haag: van aarzelende portrettist tot geniale satiricus....

ZIJN VLEES is inmiddels van zijn botten gevreten, van zijn haren en nagels is misschien nog iets intact. Vijftig jaar geleden ging zijn lijk de grond in, op een van zijn lievelingsplekjes, het Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Duinenkerkje vlak bij Oostende. James Ensor, kunstenaar en schrijver.

België herdenkt hem groot, met tentoonstellingen, opvoeringen en lezingen. Nederland doet bescheiden mee, met een retrospectief van zijn werk in Den Haag. Vijftig jaar dood, vijftig jaar 'madenpret', dat moet gevierd - de kunstenaar had niet anders gewild.

James Ensor (1860-1949) weet zelfs van de dood een feest te maken. Waarom zou je bijvoorbeeld jezelf niet als dode afbeelden, waarom altijd maar anderen, zoals je moeder, je vader, je tante? Dus schildert en tekent hij zijn skelet, achter de ezel aan het werk en omringd door geliefde 'tronies van wilde lama's, ongelikte vogels met paradijsstaarten, azuurgebekte kraanvogels die onnozele blunders kwetteren'. Zo, liefst, omschrijft hij zijn maskers. Of hij biedt zichzelf aan, loom achterover leunend op bed als Manets Olympia, maar dan van knekels.

Ik ben niet bang voor de dood, lijkt hij zijn toeschouwers toe te voegen. Waarom zou hij ook? Over de dood schreef hij de prachtige fantasieën, lees zijn geschriften er maar op na. Zijn doodsdromen zijn platvloers en feeëriek tegelijk, afstotend en aantrekkelijk. 'Ik zou willen sterven als een geplet luisje op de tepel van een meisje', stelt hij voor. Of: 'Eindigen in schoonheid, in de tedere omarming van de hartstochtelijke inktvis! Liggend tussen de Oostendse kweekmosselen en de praatzieke Sirenen zal ik mij overgeven aan de gulzige kussen van de lieve waterdiertjes van de Hemel, de Aarde en de Zee.' Ensors ode aan de dood is een ode aan het leven.

Hij doet nog meer, zoals is te zien op de overzichtstentoonstelling in Het Paleis in Den Haag. Ensor is de schilder van de landschappen en van de interieurs, die zo kleurig zijn dat theepotten, flesjes en vazen aan het dansen slaan. Hij is de maker van carnaveleske Christusscènes, van karikaturale gruweltaferelen met domme doktoren die zich vergrijpen aan de darmen van hun slachtoffer. Hij is de tekenaar van braaksel en stront die de mens onder en boven zich verspreidt.

Hij is een fervent bestrijder van ezeltjeskwellers, hondenmeppers en vivisectieplegers, daar getuigen zijn geschriften van. Eeuwige vrijgezel, die zijn hart heeft verpand aan zijn enige grote, hartstochtelijke liefde, Oostende, de koningin van de badplaatsen. En ook nadat koning Albert hem in 1929 in de adelstand verheft, blijft hij strijden tegen wat hij het onrecht en de lelijkheid van zijn tijd beschouwt. Zijn devies is simpel: 'Iedere zelfgenoegzame snoeverij schreeuwt om de uiteindelijke kikkerdood'

Ensor verveelt nooit. Hoe vaak zijn werk ook te zien is geweest, op grote retrospectieven in Nederland en België, en twee jaar geleden nog in Groot-Brittannië: steeds weer opnieuw maakt hij je aan het lachen met zijn vondsten, de virtuositeit waarmee hij het potlood en de etspen hanteert, en bovenal, zijn tomeloze verbeeldingskracht.

Nu ook in Het Paleis, waar niet eens een zo heel goed overzicht van de kunstenaar wordt geboden, doordat de belangrijkste vileine schilderijen uit zijn Maskerreeksen ontbreken, evenals de mooist gekleurde stillevens, zijn prachtig sensuele 'Oestereetster', en zijn burleske Christusbeelden. Over de drie verdiepingen van Het Paleis zijn ongeveer 25 schilderijen, en zo'n 150 tekeningen, etsen en litho's bijeengebracht. En niet te vergeten zijn brieven met letters die hij net zo makkelijk verandert in wezentjes met spinnetjes aan hun broek en vlinders aan hun hoed.

Wat in Den Haag als retrospectief wordt gepresenteerd, is in feite de vrijwel gehele Ensorcollectie uit het Museum voor Schone Kunsten in Oostende, aangevuld met een enkel Nederlands en Belgisch bruikleen. De benedenverdieping is gereserveerd voor de schilderijen. Van eenvoudige, kleine realistische landschapjes uit 1876, erg voorzichtig geschilderd, zie je hem in zeven jaar tijd evolueren naar grootse, impressionistische marines ('Zonsondergang', 1885), waarin hij experimenteert met lila, paars, groen, scharlakenrood en natuurlijk parelmoer, de kleur van de schelpen. Ook zie je hem, in een paar schilderijen, veranderen van de aarzelende academie-portrettist, tot de geniale satiricus, die met zijn penseel de clerus beschimpt, de rechterlijke macht, de medische stand, zwatelende kunstcritici en kladschilders.

TELKENS WEER roept Ensor in zijn geschriften zijn 'zoogbroeders en zoogzusters' - dat zijn u en ik - op, om hem te volgen op zijn reizen naar 'Tetassie, Krakoziek, Grapjassije, Phnosie, Karamelije, Mirandolije, Parabolie, Penserije en Grommelrijk'. In Den Haag doe je dat graag, als je oog in oog staat met het prachtige schilderij, 'De Gendarmen' uit 1892. Alles wat Ensor in huis heeft aan gulzig uit vensters gluren naar de ellende van de ander, wordt hier op het linnen gezet. De gendarme met zijn twee keer geschilderde neus, de bliksemspugende vinger, de varkenskoppen en snottebellen blazende rechters.

Boven, op de tweede en derde verdieping van het museum, wacht het vervolg, bij de prenten, de tekeningen en de brieven. Ensors meest vruchtbare periode was die tot 1900; met name de jaren tussen 1880 en 1890, zo heeft hij zelf ook altijd beweerd, leverden meesterwerken op, als 'De Intrede van Christus in Brussel', de 'Kathedraal', 'Dood en de Maskers', en vooral 'De Baden van Oostende', die hij als kleine serie tekende en schilderde.

Een godsgruwelijke hekel had Ensor aan de mensenmassa's die zich 's zomers aan het strand vermaakten. En net als Pieter Breughel begon hij te schilderen en te tekenen, het blad en het linnen van onder tot boven, van links naar rechts vullend met spartelende, ruziemakende, brakende, poepende, plassende mensjes, in het bezit van wanstaltige neuzen, pokdalige gezichten en lubberende dijen. Achter al dat plezier rond zon, zee en strand, grijnst het gezicht van de duivel, van het redeloze geweld, de domme oerdrift, de stuitende lelijkheid.

Het werk dat Ensor in de twintigste eeuw maakt, wordt algemeen als inferieur aan dat van voor 1900 beschouwd. En inderdaad, Ensor borduurt verder op dezelfde thema's; avantgardistische tendensen negeert hij. Maar om hem daarom tot uitgedoofd genie te bestempelen, zoals velen doen, gaat te ver. Ensor leeft zich uit ook in andere kunsten, in de literatuur, het ballet, het toneel, de muziek - getuige zijn spotzuchtige totaalproductie La Gamme d'Amour uit 1911, waarvoor hij de kostuums, de muziek en de litho's maakt.

Het knappe van zelfs de stokoude Ensor is, dat hij nooit een cynicus wordt. Nooit zal hij het 'land van spotternije', van absurde relativering, verlaten. Daarom beeldt hij niet alleen anderen als gekken af, maar schildert hij even onbarmhartig en plaagziek ook zichzelf. Als rammelend skelet, als lelijk insect, opgediend hoofd, en, in de vorm van graffiti op de muur. 'Ensor est un fou', staat er, en een passant laat er zijn plas tegen lopen.

Overzichtstentoonstelling James Ensor, tot en met 9 mei in Het Paleis in Den Haag. Catalogus f 59,50. 'Picturale Pennevruchten', nagelaten geschriften van James Ensor, uitgeverij Houtekiet (1990). Inl. over het Ensor-jaar in Oostende: 0032-59562016.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden