Kleur is een bijvoeglijk naamwoord De naïeve schoonheid van Frantisek Kupka

Als de Tsjechische schilder Frantisek Kupka in 1896 van Bohemen naar Parijs verhuist, zijn de gevolgen al gauw te zien: Manet, Cézanne en andere Franse meesters laten in Kupka's werk hun sporen na....

MICHAEL ZEEMAN

HET DOET NOG het meest denken aan die eigenaardige chute in het sprookje van Vrouw Holle, het oeuvre van de Tsjechische schilder Frantisek Kupka. Dat wordt het best zichtbaar wanneer op een tentoonstelling een reeks van zijn schilderijen of tekeningen op de eenvoudigste manier achter elkaar is gehangen, namelijk chronologisch. Dan stel je vast dat hier iemand pardoes van de ene wereld in de andere is getuimeld. De wijze waarop hij die buiteling met penseel en verf verwerkte, laat zich feilloos vergelijken met wakker schrikken, met ontwaken in een volslagen andere wereld. Op de tentoonstelling die in het Haagse Paleis van zijn werk is ingericht is het geen val, maar de overgang van de ene etage naar de andere, die de breuklijn in zijn oeuvre markeert - of, voor wat betreft zijn tekeningen, de doorgang van de ene kamer naar de andere. Maar het blijven adembenemende grensoverschrijdingen.

Zou je, door middel van een toepassing van het differentiaalrekenen op zijn oeuvrecatalogus, het precieze moment van een artistieke ommekeer kunnen benaderen? Bij Kupka lijkt het wel of dat moment op de dag, op de minuut moet kunnen zijn vast te stellen. Hoeveel zinspelingen je, achteraf beschouwd, in zijn vroege werk ook kunt aanwijzen op een obsessie met autonome kleuren en vormen, slechts doordat je weet en ziet wat hij na die drastische breuk is gaan schilderen, worden het zinspelingen.

En dan nog zijn het zinspelingen van de lichtste soort. Van een ontwikkeling, van enigerlei vorm van geleidelijkheid, is bij Kupka geen sprake; zijn ommezwaai van de figuratieve naar de abstracte schilderkunst draagt het karakter van een Paulinische bekering, een schokkende ontdekking.

Tot 1910 schildert Kupka op een degelijke manier 'naar de natuur'. Nette, soms licht frivole verbeeldingen van enigerlei episode uit de werkelijkheid, met daarin mondjesmaat stilistische accentueringen ontleend aan de elkaar afwisselende modes in vooral de Franse schilderkunst. Er zit soms de sfeer in van het late impressionisme, dan weer die van het symbolisme, en zo tegen het eind van het eerste decennium van deze eeuw zinspeelt zijn kleurgebruik onmiskenbaar op een grote ontvankelijkheid voor de ideeën van de Fauvisten.

Hij was in 1896, op 25-jarige leeftijd, van Bohemen naar Parijs verhuisd, en dat heeft zijn sporen op zijn werk achtergelaten. Dans le bois de Boulogne is ondenkbaar zonder Manet, Le Maronnier en fleurs verraadt bekendheid met Cézanne. Op Soleil d'automne staan drie kloeke oudere dames onder een zwaar torsende fruitboom in het najaarslicht, maar wel zodanig dat je onwillekeurig tegelijkertijd aan het symbolisme en aan Centraal Europa moet denken. De baadster op L'eau ou la baigneuse baadt in symbolistisch licht en water. Stuk voor stuk maken die doeken uit het eerste decennium van deze eeuw duidelijk dat de schilder, na een gedegen opleiding in Praag, zich in Parijs verder aan het ontwikkelen is - zij het langs gebaande paden.

Maar van een zoektocht, zoals je die bij de grondleggers van het kubisme aantreft, is bij hem geen sprake. Perspectief blijft perspectief, vormen blijven hun natuurlijke karakter dragen, uit geen portret spreekt de hang de geportretteerde te reduceren tot de varianten van de kegelsnede, zoals je dat in diezelfde jaren bij Picasso en Braque aantreft. Als Kupka toentertijd al een zekere belangstelling toonde om na te gaan of je de beweging ook op een doek kunt afbeelden, dan hooguit in de schittering van dat water op L'eau ou la baigneuse, uit de jaren 1906-'09. En dat schilderij is voor zijn tijd noch naar aanpak, noch naar thematiek revolutionair.

Het maakt de waterscheiding die door het jaar 1910 in zijn ontwikkeling wordt gemarkeerd er alleen maar intrigerender op. Mondriaan en Kupka, ze moeten vrijwel op hetzelfde moment hun eerste abstracte doeken hebben geschilderd, maar waar je bij Mondriaan in de periode 1908-'13 zich een steeds strenger symbolisme ziet ontwikkelen, tref je in Kupka's oeuvre in de jaren 1908 tot 1910 uitsluitend schilderijen aan die evengoed twintig jaar eerder geschilderd hadden kunnen zijn. Een zelfportret uit 1910, een portret van de schilder en zijn vrouw uit 1908: ze zijn het stemmige resultaat van veel spiegelstudie, geschilderd met de lichtheid en losheid die het laatste kwart van de negentiende eeuw ontwikkeld had.

Het is hooguit in de titels van een paar schilderijen dat zich zijn esthetische onrust openbaart. Couleurs comme adjectifs, les boutiques, heet de afbeelding van een straatbeeld uit de jaren 1908-1910. Er zijn vier winkelpuien op te zien, in een doodgewone Parijse straat. Die straat is grauw, en de gebouwen zijn dat, voor zover we ze kunnen zien, eveneens. Alleen de fronten van die winkels spatten er uit: groen, rood, blauw, oker. Krachtige, heldere kleuren, die de straat karakteriseren - als bijvoeglijke naamwoorden een zelfstandig naamwoord, ja, een hele zin. Ofschoon het om die naar de werkelijkheid afgebeelde straat begonnen is, is niet duidelijk of de schilder al niet iets anders van zins was. Die titel zaait onrust.

Datzelfde geldt voor La gamme jaune, uit 1907, het portret van een man die in een schommelstoel tijdens het lezen van een boek in slaap gevallen is. Een man met een gele sweater aan, een okergele plaid over zijn benen, een oranjegele shawl om, met zo'n gele Franse paperback op zijn schoot, tegen een gele achtergrond: het hele gele gamma is aanwezig. Het is natuurlijk een figuratief schilderij, terwijl Kupka's La forme de l'orange en zijn La forme du vermillion, twee schilderijen uit een reeks kleurstudies die hij rond 1920 schilderde, dat op geen enkele manier zijn, maar voor wie ze, door wat hij achteraf weet, met elkaar in verband brengt, krijgen ze samenhang. Het gaat ook op La gamme jaune om het effect van al die versies van het geel; die slapende lezer leidt in feite de aandacht maar af.

Maar alweer is dat iets dat je uitsluitend achteraf beschouwd kunt bedenken - en dus is het vanuit historiografisch oogpunt bedenkelijk (al deinzen kunsthistorici wat dat betreft nergens voor terug). De tentoonstelling in het Paleis toont naast de schilderijen weliswaar een grote hoeveelheid schetsen, studies, tekeningen en grafiek, en documenteert daarmee Kupka's ontwikkeling op een aantrekkelijke manier, al dat proberen op papier zegt niets naders over de haakse bocht die hij in 1910 genomen heeft. Net als bij zijn schilderijen is het in een keer gedaan met de figuratieve schetsen.

Het is een fascinerend gezicht, dat nog aan kracht wint doordat Kupka's abstracte werk een wat je zou moeten noemen naïeve schoonheid heeft. Beweeglijkheid, kleurschakeringen, de wonderlijke figuren die hij bedacht, ze suggereren allemaal een grote verbluftheid - alsof hier iemand aan de slag was gegaan, die er iedere keer weer van stond te kijken wanneer je de kleuren en de lijnen zelf volgde, en niet meer opkeek van zijn papier om te bedenken wat hij doen moest. Dat is niet alleen boeiend, het is vooral ook ontwapenend. Dat Kupka vooral in het begin van zijn abstracte carrière zijn schilderijen van die malle pretentieuze titels meegeeft - Printemps Cosmique, genummerd en wel, want hij maakte er meteen een hele reeks van, Amorpha, chromatique chaude - bevordert nog eens die indruk van een zekere naïveteit.

Ergens halverwege de jaren twintig is de ontwikkeling die Kupka onderging, uitgekristalliseerd. De vlekken kregen vorm, de kleuren lijken gedisciplineerd: Kupka heeft zijn nieuwe idioom onder controle gekregen. Dan ontstaan zijn mooiste werken, de grillig in elkaar stekende raderen en schijven van Synhèse en Bock syncopé ou Rythme heurté, en, in de jaren dertig, het hoogtepunt in zijn allengs strengere schakelingen van staven en rechthoeken.

In Verhoudingen, uit 1934, spijtig genoeg niet in Den Haag te zien (het laat zich vergelijken met het wel geëxposeerde Eudia) komen tegelijkertijd de volmaakte abstractie en de uiterste soberheid tot uitdrukking: het gaat nog slechts om de verhoudingen tussen wat simpele lijnen en niet meer dan een handvol kleuren.

Als je er lang naar kijkt, doemt er nagenoeg een landschap met een bouwwerk uit op, teruggebracht tot wat het is: een horizontaal, hier en daar een verticaal, zich aftekenend in kleur.

Frantisek Kupka. Het Paleis, Den Haag, tot en met 16 juni. Catalogus, ¿ 49,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden