Kleren maken de ster

De juiste kleding kan een filmpersonage het eeuwige leven schenken; het jurkje van Dorothy, het gele pak uit Kill Bill. In Londen kun je bij de kostuumontwerper aan de werktafel aanschuiven.

De geluksvogel die op een veiling voor dik 100 duizend dollar de shirts van Jack en Ennis, het onvergetelijke liefdespaar uit Brokeback Mountain, wist te bemachtigen, noemde zijn buit na afloop de moderne versie van de ruby slippers. Zeg ruby slippers in kringen van verzamelaars van filmkostuums en iedereen krijgt een waas van ontzag voor ogen. De rode schoentjes van Dorothy, die Judy Garland droeg in The Wizard of Oz (1939), gelden als het hoogst haalbare. Dat er voor de opnamen destijds meerdere paren zijn gemaakt, misschien wel tien, doet de mythologie rond de schoentjes alleen maar goed. Want hoe echt zijn de echte en wie o wie heeft het paar dat in 2005 werd gestolen?


Zoals de overhemden met bloedvlekken uit Brokeback Mountain - de een wit met een ruitje, de ander van spijkerstof - de verzinnebeelding zijn van een onmogelijke cowboyliefde, staan de schoentjes voor eind goed al goed. Dankzij haar rood-flonkerende instappers kan Dorothy immers huiswaarts keren. Van de schoenen en de westernoutfits zijn in het Victoria and Albert Museum nog tot eind januari replica's te zien. Dorothy's jurkje, beetje armoeiig, eigenlijk niks om je aan te vergapen, is wel authentiek.


In de rijk gedocumenteerde catalogus die de expositie Hollywood Costume vergezelt, krijg je de anekdote van de queeste naar deze 'heilige graal' cadeau (in het Engels heet zo'n schortjurkje trouwens heel fraai een gingham pinafore). Zodra het gerucht van de op stapel staande overzichtstentoonstelling bekend werd onder verzamelaars, leidde de ene vondst tot de andere. Dat wil zeggen: via omwegen en tips die op niets uitliepen. Het museum had een verlanglijst opgesteld met most wanted items, maar die lieten zich niet gladjes traceren. Het spontane telefoontje van de eigenaar van Dorothy's jurk, een privé-verzamelaar, was te mooi om waar te zijn.


De museummedewerkers konden zich vervoegen aan een adres in Fleet Street, waar ze door de krochten van de strikt beveiligde bank naar een kluis werden geleid. Twee beveiligingsmensen brachten een grote doos binnen. Het deksel ging eraf en daar kwam Dorothy's katoentje onder lagen beschermend tissue tevoorschijn. Een schat! En een mijlpaal, aldus de samenstellers, zoals de 'ontmoeting' met het gele gevechtspak van Uma Thurman (Kill Bill), bij regisseur Quentin Tarantino thuis in Los Angeles, dat ook was.


Filmkostuums zijn vaker aan publiek getoond; dichter bij Marilyn, Garbo of La Dietrich kun je niet komen, heet het dan. De bezieling en de lichaamswelvingen zijn er als het ware in achtergebleven. Hollywood Costume kent een andere achtergrond en drijfveer. Aan de hand van al die tot de verbeelding sprekende kostuums, het ene paradepaardje na het andere, staat hier de kostuumontwerper vol in het spotlicht. Ze krijgen gaandeweg namen, de mensen die met ziel en zaligheid achter de schermen werkten en werken. Ontwerpers als Adrian (The Wizard of Oz), Walter Plunkett, Edith Head, Ann Roth en Colleen Atwood gelden als voorbeelden en grootheden in hun vakgebied. Edith Head? Hitchcocks partner in crime, een meester in het onnadrukkelijke en de vrouw met de meeste Oscars in de filmgeschiedenis. Walter Plunkett? De man van de groene gordijnjurk in Gone with the wind; hij zocht de Southern belles van weleer op en vroeg schrijfster Margaret Mitchell het hemd van het lijf omdat de regisseur het boek trouw wilde blijven.


Even terloops als doeltreffend wordt de weg die een personage aflegt van script tot scherm, kriskras door tijd en genres heen, verbeeld en geduid. Spiderman, Scarlett O'Hara, The Dude, Elizabeth I, Jason Bourne en Charlie Chaplin trekken de aandacht, maar zij staan ten dienste van het vakmanschap en het talent van de kostuumontwerper, die hen hielp waarachtig en geloofwaardig te zijn. Ja, hen zelfs leven inblies en een bestaan voor de eeuwigheid gaf.


Handgemaakt of in een vintage zaakje opgediept: kleren maken de m/v. Soms staat de outfit uiterst precies, soms amper beschreven in een script. Kleding dient als handleiding voor de sociale en emotionele gesteldheid van het personage, diens smaak, geschiedenis en bedoelingen.


Tegelijkertijd stelt het vastleggen op film, in plat, bewegend beeld, eisen aan kleuren, textuur en het silhouette. De 'visuele legpuzzel' kent vele dimensies. Verzuchting van James Acheson (Dangerous Liaisons), die zijn inspiratie uit 18de-eeuwse schilderijen haalde en er maar niet in slaagde in Engeland de juiste stoffen te vinden: 'Niks had die boterachtige, sculpturale kwaliteit die ik wilde.'


De professional dook relatief laat op op de set. In de begindagen had de actrice met de best gevulde gevulde kledingkast de meeste kans op werk. En anders kreeg het leuke hoedje dat ze bij de audities droeg wél een rol, op het hoofd van een ander. Met de opkomst van de grote studio's in de jaren twintig werd de aankleding van de acteurs een serieuze aangelegenheid. Toch werd niet eerder dan in 1948 de eerste Oscar (sinds 1928) voor kostuumontwerp uitgereikt. Waar het zwart-wittijdperk vroeg om duidelijke patronen, scherpe contrasten, de reflectie van glitter of satijn, kwam het met de overgang naar geluid en kleur op realisme aan. Zo ontwikkelde het vak zich gelijk op met technische ontwikkelingen en de bloei en neergang van de grote filmstudio's.


Hoezeer dat verval gepaard ging met het op drift raken van talloze kostuums, wordt uitgebreid uit de doeken gedaan in de catalogus. Droevig hoogtepunt waren de veilingen van Metro-Goldwyn-Mayer in 1970: alle rekwisieten, meubels en kostuums van de rijkste studio van weleer ('more stars than there are in heaven') gingen onder de hamer en verdwenen in diaspora. Ook daarom is dit overzicht een buitenkans.


Geruite blouse

Soms komt een personage pas tot leven als de acteur in de juiste schoenen staat. Voor Robert de Niro en Johnny Depp geldt dat wellicht in het bijzonder. Ruth Morley, kostuumontwerper voor Taxi Driver, kon dat indertijd wel waarderen. 'Toen ik eindelijk de geruite blouse vond die Bobby wilde dragen, toen ik eindelijk dat legerjack en de broek had, nou, toen wóú hij ze ook dragen.'


Het spreekt vanzelf dat een cartooneske superheld een andere benadering vergt dan een concentratiekampjongetje of de hoofdredacteur van Vogue. Interessant is de authenticiteitskwestie in historische kostuumdrama's. Elke tijd diept zijn eigen Middeleeuwen op, luidt het filmdevies. Geschiedkundige correctheid verdient aanbeveling, zolang die wordt aangelengd met een actueel stijlgevoel. Anders pikt het publiek het niet. Het luistert nauw.


Wat er in godsnaam te designen viel aan Jeff 'The Dude' Lebowski? Op papier heette hij terminally relaxed te zijn. Niet iemand dus die zijn was op kleur doet, laat staan wit van donker scheidt, meende Mary Zophres, de vaste kostuumontwerper van de Coens. Zo ontiegelijk relaxed is The Dude, dat hij gerust op slippers in zijn grauwe badjas naar de supermarkt gaat. Vier van die badjassen kreeg Jeff, want hij moest 'm ook aan in de scène waarin hij met zijn kop in de plee wordt geduwd.


In drie zalen is het te beleven: waar ontwerpers hun ideeën vandaan halen, wat ze doen om een leren jasje een bewogen verleden mee te geven zodat het geschikt wordt voor Indiana Jones (bewerken met een mes), en waarom eigentijdse kleren het moeilijkst zijn. Antwoord: je moet dubbel zo hard werken om geloofwaardig te zijn voor een zaal vol experts.


De tweede zaal is de mooiste. Daar staat de samenwerking tussen ontwerper en regisseur centraal aan de hand van werktafelimpressies van gelouterde duo's, zoals Tim Burton en Colleen Atwood (Sleepy Hollow, Sweeney Todd, Alice in Wonderland). Beiden zijn geïnterviewd en geven om en om, op beeldzuilen aan weerszijden van de werktafel, hun kijk op de praktijk. Als bezoeker kun je aanschuiven en toekijken bij het ontstaansproces, waarvan projecties van bovenaf een indruk geven.


Dat is magistraal gedaan. Wanneer krijg je de kans Alfred Hitchcock (gestorven in 1980) en Edith Head (overleden in 1981) op de vingers te kijken bij de voorbereidingen van The Birds? Eenvoudig zijn de middelen: een interview met hoofdrolspeler Tippi Hedren, fragmenten van Head en Hitchcock, een suggestief lege vogelkooi, neerdwarrelende veren, locatiebeelden en ruwe schetsen van een damespakje die onder je ogen ontstaan. Daarnaast in volle glorie: hét groene wollen pakje, eigendom van een museum in Ierland, dat het horrorverhaal van Melanie Daniels aan de kust van Californië vertelt.


De kostuumontwerper over de regisseur: 'Eigenlijk gebruikt hij kleur zoals een schilder doet.' Zachte tinten groen en koele kleuren hadden zijn voorkeur om een bepaalde stemming uit te drukken, vertelt ze. Kleur mocht nooit afleiden van de handeling, tenzij er een reden voor was. Gedempte kleuren wilde hij.


Edith Head puzzelde net zolang tot ze het had. Een simpel wollen pakje in een bijzondere kleur groen, evenmin saai als schreeuwerig, die een film lang overeind bleef. Ook zij gaf dienstbaar vorm aan het Hollywood-credo van make-believe.


--------------------------------

De Niro paste op eigen goed

Het is aan Robert de Niro zelf te danken dat de kostuums die hij droeg gedurende zijn carrière bewaard zijn gebleven. Toen hij eind jaren zeventig eens door de kledingrekken van Western Costume ging, zag hij dat de kostuums uit Bonnie and Clyde (1967) gewoon werden hergebruikt. Hij besloot zijn eigen kostuums dat lot te besparen. Nu is die collectie eigendom van het Harry Ransom Center van de Universiteit van Austin, Texas. In Londen is het perzikroze pak uit Casino te zien en het bokstenue uit Raging Bull.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden