Klemgezette dichters

'IN POËZIE mag alles', begint Jos Joosten zijn bundel essays over dichters en dichterskritieken, getiteld Onttachtiging. Deze vrijblijvendheid stemt hem niet tevreden....

Dichters die wél mogen komen ook voor in Onttachtiging, aan de hand van besprekingen waarin duidelijk wordt gemaakt wat goede dichters en gedichten zijn. Voor Joosten is goede poëzie gecompliceerd. Ze vergt nadenken. Ze bevat geen uiteindelijke waarheid. God en Plato zijn uit. Goede nieuwe poëzie houdt zich bezig met 'mystieke datheid' of, bij voorkeur, met Griekse natuurfilosofen. De bewonderden zijn dichters en poëziebesprekers van vooral Vlaamse herkomst: Bogaert, Holvoet-Hanssen, Lauwereyns, en 'de echte Nederlandse theoreticus van de naoorlogse poëzievernieuwing', Paul Rodenko, om een klein aantal te noemen.

Onttachtiging bevat een aantal stukken over poëzie en poëziekritiek die eerder verschenen, en twee nieuwe stukken die het geheel moeten omkaderen. Juist die nieuwe stukken zijn niet de sterkste. De bundel opent met een nogal opgewonden uiteenzetting over de strijd om de macht in de literatuur, aan de hand van cultuursocioloog Pierre Bourdieu. Op diens betoog dat literaire waarde een kwestie is van toekenning van waarde door het 'literaire veld', is volgens Joosten niet veel af te dingen. Veel nieuws is het natuurlijk ook niet. Het verschil tussen Bourdieus met veel omhaal gepresenteerde literaire veld en Willem Frederik Hermans' op een zangberg in torens ingegraven mandarijnen, ligt vooral in de scherpte van formulering van de Nederlandse meester. In de loop van de jaren worden wat zandhopen verplaatst, maar de machtsspelletjes binnen en buiten de literatuur veranderen niet zo erg.

Joosten probeert met deze bundel een positie te bepalen ten opzichte van 'het literaire veld'. Onttachtiging luidt de titel en dat is een programma. 'De Tachtigers', onder voorman Kloos, vormden de eerste Nederlandse literaire vernieuwingsbeweging, de Vijftigers de tweede, en daarna is er, aldus Joosten, eigenlijk geen serieuze literaire vernieuwingsgeneratie meer geweest. De pamfletten van Maximalen en andere jongensclubs produceerden meer lawaai dan literatuurvernieuwing. Joosten maakt zich kwaad over de aandacht die luidruchtig gepresenteerde 'nieuwe generaties'-dichters vragen en krijgen. 'Onzin' vindt hij de schotschriften waarmee literaire nieuwkomers een plaats in de zandbak proberen te veroveren.

Waar Joosten voor pleit, is de 'andere' poëzie. De poëzie die niet platvloers is en niet gemakzuchtig, die intelligent is, beweeglijk en vooral: individueel. Die poëzie vindt hij bij 'de nieuwe Belgen' als Paul Bogaert, Miguel Declercq, Jan Lauwereyns, Peter van Lier en Peter Holvoet-Hanssen. Joosten is op zijn leesbaarst als hij toegewijd en met open geest stukken schrijft over dichters die hem na aan het hart liggen.

Toegewijd lezen en schrijven, is dat genoeg? Joosten heeft de eigenaardige neiging zich, net als de besproken poëzie, te onttrekken aan vaste oordelen of uitspraken. Voor gedichten is die meerduidigheid en openheid aantrekkelijk, maar van een bespreker mag verlangd worden dat hij duidelijk maakt waaróm hij een gedicht goed vindt, en al helemaal waarom er 'iets in zit', in een gedicht. Het is helemaal in de geest van de tijd dat hij niet de enige echte interpretatie wil en kan leveren. Maar een aantal interpretaties of ideeën naast elkaar, dat kan geen kwaad.

Als lezer zou je de oordelen en fascinaties van de bespreker in veel gevallen graag beter kunnen volgen. 'Deze dichter heeft het nodige te vertellen', wordt ons toevertrouwd in een stuk over Bogaert. Dat is mooi, maar wát dan? Hij eindigt zijn bespreking van Bogaerts werk met het citeren van de regels '. . . laat men een persoonsvorm los, een ikfiguur, men hoort een vogel in een schroef, men trapt in een refrein', en gaat vervolgens niet verder dan te melden dat het laatste 'niet positief klinkt'. 'Maar wat zegt het precies?', vraagt hij. Dat is nu net wat je zou willen horen, een of meer antwoorden of, minder definitief, associaties, over vastgelopen wild en klemgezette dichters. Voor poëziebesprekers kan de aanwezigheid van veel betekenissen geen vrijbrief zijn om iedere uitleg achterwege te laten.

Dat zijdelings of in een frontale aanval ook gevestigde dichtersreputaties onderuit worden gehaald, hoort erbij. Anna Enquist schrijft bundels vol onuitstaanbare zelfexpressie-verzen, Jean Pierre Rawie kan niet dichten en J.C. Bloem is een fossiel, aldus Joosten. Vaak lijkt de bespreker meer bezwaar te hebben tegen het al dan niet zelfgeschapen imago van de verworpen dichters, dan tegen hun gedichten. Joosten wil afrekenen met de Tachtigers-pose van de lijdende dichter die zijn diepste emoties tot uitdrukking brengt, door God en alle mensen verlaten. Wat er ook van de door hem verguisden gezegd mag worden, ze verdienen fatsoenlijke strijdmethoden. Het stuk over J.C. Bloem begint met een tirade over Bloems flirt met fascistische ideeën, waarna de bespreker zich haast te zeggen dat een foute maker niet hoeft te leiden tot foute literaire producten. Zie Céline. Maar in het geval van Bloem ligt dat volgens Joosten anders: ook de gedichten van Bloem zijn 'reactionair'.

Dat is vals. Het maakt voor de gedichten uit dat een dichter ongewenste politieke ideeën heeft, of het maakt niet uit. Als het uitmaakt, moet je de ideeën en hun gevolgen voor de gedichten uit de doeken doen, als het niet uitmaakt moet je daarover zwijgen, en in alle gevallen is het aan te bevelen fascistisch niet te verwarren met reactionair.

Het kan zo mooi zijn. Het laatste stuk van de bundel, 'wie dit leest is gek', is een slim opgezet pleidooi voor de poëzie van de enkelingen, geschreven voor 'de laatste lezer'. Als Joosten zo schrijft, blijf ik graag tot het eind toe luisteren. Als dat mag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden