Kleine zelfstandigen onder de wodanseik

Eind negentiende eeuw gingen groepen kunstenaars op zoek naar het onbedorven leven. In Nederland streken ze neer in dorpen als Bergen, Domburg, Nunspeet of Kortenhoef - waar ze konden schilderden wat gewild en in de mode was....

Staphorst op de Kunstrai? Bezoekers van de prestigieuze beurs voor hedendaagse kunst in Amsterdam moesten zich begin deze maand wel twee keer achter de oren krabben, voordat ze geloofden wat ze zagen. Staphorst, dat is toch dat calvinistische dorp in Overijssel waar mensen wegrennen zodra er een camera uit de tas komt? Een in zichzelf gekeerde gemeenschap met zijn rug naar de moderne beschaving?

Wat doet Staphorst op zo'n werelds oord als de Kunstrai? Bestaan er aupt galeries in Staphorst?

Hein Elferink van de Kastanjelaan 5 in Staphorst hoeft zich in elk geval nergens voor te schamen. Zijn galerie brengt foto's en schilderijen van kunstenaars die ook in de hoofdstad niet zijn te versmaden, zoals de woelige serie zelfportretten van Philip Akkerman overtuigend liet zien.

Staphorst mag lange tijd geen galerie gekend hebben, maar met de kunst bestaat al ruim honderd jaar een liaison. Staphorst is namelijk een van de vele kunstenaarsdorpen die Nederland eind negentiende/begin twintigste eeuw kende. Aan die schildersdorpen is nu een tentoonstelling gewijd in het Singer Museum in Laren en een boek, geschreven door kunsthistorica Saskia de Bodt.

Schilderes Jo Koster streek rond 1900 als een van de eersten in Staphorst neer. Ze had in Parijs en Brussel gewoond, kennisgemaakt met dieuwe stroming in kunstenland, het pointillisme, en was nu op zoek naar een rustig, authentiek, nog onontdekt plekje ver van de grote, door de industrialisatie verpeste stad.

'Staphorst is kleurig en mooi, net iets voor jou', adviseerde een kennis. Geen spoor van schuwheid of van een wereldvreemde mensensoort duikt op in haarwerk. In pittoreske taferelen zet zij de bevolking in intieme huisvlijt en klederdracht bijeen.

Was Staphorst een wijkplaats voor einzelgers als Jo Koster en later Jan Sluijters, op wie de bevolking overigens een heel wat triestere en stijvere indruk maakte, halverwege de negentiende eeuw togen grote groepen kunstenaars in heel Europa er gezamenlijk op uit, op zoek naar ongerepte dorpen en natuur.

Heel af en toe klinkt hij nog, de roep om saamhorigheid. Samen erop uit, naar het onbedorven landschap langs de Gein waar sinds Mondriaan er het vlammende zonlicht en plein air op zijn doek ving weinig tot niets is veranderd. Samen schilderen in de rafelranden van de stad, waar de natuur nog de baas is, proclameerde de uit elkaar gespatte schildersbende van After Nature eind jaren tachtig van de vorige eeuw opnieuw.

Lekker romantisch. Maar zo hevig als de lokroep om zich te groeperen en te isoleren vroeger klonk, zo hevig klinkt hij nimmer meer.

Denk aan eind negentiende/begin twintigste eeuw en het idealisme spat ervanaf. Neem Walden, de anarcho-communistische leef-en werkgemeenschap die schrijver Frederik van Eeden in 1889 stichtte, een van de vele utopistische kolonies uit die tijd. Daar, in eenvoudige hutten in de bossen van Bussum, droomde de schrijver met een twintigtal zielsverwanten van een betere wereld en van een eenvoudig, oprecht bestaan.

Op zoek naar Arcadiwermden ook de kunstenaars over Nederland uit. De belangrijkste kunstenaarsoorden: Laren, Bergen, Domburg en Volendam zijn genoegzaam bekend en uitgebreid beschreven. Maar ook heel wat minder bekende dorpen en steden als Staphorst, Nunspeet, Hattem, Heeze, Noorden en Kortenhoef blijken kort of lang grote aantrekkingskracht te hebben uitgeoefend op de Hollandse schilders.

Oosterbeek werd als een van de eerste rond 1840 ontdekt. De donkere, on-Hollandse bossen deden een beroep op superromantische, diepgelovige zielen als J.W. Bilders, die zich met zijn gezin permanent vestigde in een eenvoudig Oosterbeeks huis. In zijn kielzog brachten ook zoon A.G. Bilders en een stoet aan jonge, latere Haagse School-schilders als Anton Mauve en Willem Maris hier hun vakantie door. Getooid met ezels en schetsboeken gingen ze op pad, om terug te keren met betoverde wodanseiken, ruige weides en onheilspellende luchten.

Elke streek, elk dorp had zijn eigen aantrekkingskracht, zijn eigen karakter, waarbij ook de zich ontwikkelende schilderstijl een rol speelde. Waren het in de hoogtijdagen van de romantiek de eenzame wouden rond Oosterbeek waarin de Bilders en consorten al hun dromen kwijt konden, een nieuwe, meer realistische generatie, met onder anderen J.H. Weissenbruch en Willem Roelofs, herkende zich eerder in de voortjagende wolken en de spiegelende, kolkende wateren van het dorpje Noorden bij Nieuwkoop. Het waterland met dorpssilhouet van Kortenhoef trok liefhebbers als Paul Gabriel en Floris Verster. Jozef Isra, Jan Toorop en de naar ons land uitgeweken Belg Gustaaf De Smet voelden meer voor het visserslandschap van Katwijk, Volendam en Spakenburg en wie op zoek was naar nostalgische boereninterieurs toog naar het Brabantse Heeze.

Prachtige taferelen maakten de kunstenaars van het ongerepte Hollandse land. Eenzaam ploeterende boeren met paarden in zware grond; woelige dorps-en havengezichten, arbeiders in sobere maar tegelijk posche folklore bijeen. Maar waren de schilders ook sociaal bewogen? Utopistisch, op zoek naar een alternatief, beter leven zoals Frederik van Eeden? Nauwelijks.

Hoewel Saskia de Bodt zich in het boek Schildersdorpen in Nederland uitput om de natuur uit die tijd in lyrische beschrijvingen weer op het netvlies te roepen en de schilders het liefst van een flinke portie idealisme zou willen voorzien, prikt ze de mythe ook voortdurend door. Met uitzondering van de tijdelijke artistieke gemeenschappen in Laren, Bergen en Domburg, waar bijvoorbeeld Mondriaan in afwachting van zijn vlucht naar Parijs en New York wel degelijk aan een nieuwe beeldtaal werkte, blijkende meeste kunstenaars uit de schildersdorpen veeleer kleine zelfstandigen dan wereldverbeteraars.

De 'eenzame confrontatie met de natuur' in Oosterbeek ziet er ineens heel anders uit als je weet dat zich om de hoek de buitens van gegoede Arnhemmers en Hagenaars bevonden en er dus een goede afzetmarkt binnen handbereik was. Een kleine honderd jaar later was de noord-west Veluwe, met dorpen als Hattem en Nunspeet, uitgegroeid tot hvakantiegebied voor het welgestelden Westen.

Waarom ze naar het ene en niet naar het andere dorp trokken? Vanwege het wonderschone landschap uiteraard, maar ook omwille van een stoet aan pragmatische motieven. Omdat er nou eenmaal een stoomtreinverbinding bestond (Katwijk), omdat het makkelijk bereikbaar was en een lange traditie had van goedkope herbergen waar ooit de militairen logeerden (Heeze) of juist van luxueuze, mondaine hotels (toeristenoord Domburg), omdat er een verloofde woonde, een vriend of leermeester was neergestreken, waar het in de vakantie goed toeven was (Oosterbeek, Hattem). Maar de laatste reden is misschien wel de belangrijkste: omdat het tafereel dat zij zochten en op het doek wilden vereeuwigen domweg gewild en in de mode was.

Heel Nederland was in die tijd in de mode. Zoals de Hollandse schilders het land in trokken op zoek naar ongerepte oorden, zo was Nederland in de ogen van buitenlanders exotische, onbedorven plek. Vooral in Amerika heerste de Hollanditis. Op zoek naar zijn roots en zijn voorouders, trok de Amerikaanse voorhoede door ons land. Met lyrische beschrijvingen kwam de toeristenelite weer thuis. Niet voor iedereen was het reizen destijds weggelegd, de fotografie stond nog in de kinderschoenen. Wie desalniettemin toch van het bejubelde landschap wilde genieten, kocht een schilderij.

Toen de Haagse Scholers zich in Noorden vestigden, hadden ze dan ook de wind in de rug. 'Er is geen land, waar de rivieren om zo te zeggen zwevend boven de hoofden van de bewoners stromen', schreef Alphonse Esquiros in 1855 in een grote artikelenserie in Frankrijk over Nederland. Geen wonder dat de schilders naar het waterrijke Noorden trokken: ze wisten dat de hier vervaardigde werken hun weg naar de markt probleemloos zouden vinden.

Daarnaast was het landschap zelf sterk aan mode onderhevig. Toen de kunstenaars kozen voor Oosterbeek en Wolfheze, was dat niet alleen uit nostalgie, maar ook omdat de Geldersche landschappen, met hun stoere bossen en hun dreigende luchten, op dat moment een geliefd expositiethema vormden op jaartentoonstellingen in zowel Nederland als Belgin Parijs en een prestigieus koperspubliek trokken. Later deden idyllische vissersgezichten met grote boten en paarden het goed op de internationale exposities van Europa en Amerika. Ook Staphorst werd zo ontdekt: folklore, klederdracht en volkskunst waren ten dode opgeschreven - het Openluchtmuseum was in oprichting om de volkscultuur dan tenminste voor het museum te behouden - en derhalve reuze populair.

De schildersdorpen bloeiden bovenal in het kielzog van een afzetmarkt. Sommige schilders probeerden de buitenlanders een stap voor te zijn en zapten van het ene ontdekte gebied naar het volgende onontdekte gebied, anderen kozen voor zekerheid. Honderden kunstenaars uit binnen-en buitenland verspreidden zich jaarlijks over Volendam. Succes, lees verkoop, verzekerd. Cartoons uit die tijd beelden ze af: kunstenaars met ezels en schetsboeken waar je ook kijkt, in straten, op daken en in het water. Een plaag. De kunstenaars van toen zijn de Japanners van nu, verzucht Bodt niet voor niets.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden