Kleine ethiek (1)

Misschien ben ik zelf geen held, maar ik heb een boekje over heldendom, en dat is een begin. Ik kocht het boekje ooit in een Engelse kerk, waar ik was beland op een rommelmarkt met een liefdadige dominee achter een schaal vol zelfgebakken cakejes....

Een dag daarvoor had ik ook al een uil gezien. Nu zal ik de eerste zijn om toe te geven dat dit allemaal geen wereldschokkende anekdotes zijn, en ik begrijp het best als u vindt dat ik verder moet zwijgen over de details van mijn persoonlijk leven. Maar het geval wilde nu eenmaal dat ik deze week het boekje On Heroes weer terugvond, en tot mijn verbazing stuurde Thomas Carlyle me niet de wereld in om daar heroïsche daden te gaan verrichten: hij vond dat ik thuis moest blijven en inzoomen op de details van mijn dagelijks bestaan. En zo kwam het dat ik, denkend aan heldendom, besloot te schrijven over stofzuigers en zelfgebakken cake.

Nee wacht eens, viel ik mezelf in de rede achter mijn werktafel, moet de wereld dan niet worden gered? Jawel, schreef Carlyle, maar dat betekent nog niet dat we bij voortduring over die wereld moeten spreken: 'Men speak too much about the world.' Ieder van ons heeft immers ook nog zijn eigen leven te leiden. Eén leven maar. Een glimp van tijd tussen twee eeuwigheden. En precies daarom, zegt Carlyle, omdat we maar één leven hebben, en nooit meer een tweede kans zullen krijgen, precies daarom moeten we goed naar onszelf kijken: 'Er schuilt een grote verdienste in ''de plicht om thuis te blijven''! En, trouwens, ik heb nog nooit gehoord van werelden die op een andere manier zijn gered.'

Als ik nu zin kreeg meteen maar alle details van mijn bestaan hier met u door te nemen, dan besefte ik tegelijkertijd dat dat bepaald niet de bedoeling van Carlyle was. Zijn 'plicht om thuis te blijven' was veel meer de verplichting om de morele praktijk van ons leven serieus te nemen. En dus hing het welzijn van de wereld niet af van onze verhalen over stofzuigers, maar van onze bereidheid naar ons eigen leven te kijken en een wijs en eerlijk mens te worden.

Tot zover zag ik wel wat in die plicht om thuis te blijven. Maar een paar zinnen verder scheidden onze wegen zich weer, want daar bleek Carlyle de redding van de wereld toch van God te laten afhangen, en van de literaire helden aan wie God zich openbaarde. En omdat ik niet helemaal zeker wist of God zich ooit aan u en mij zou openbaren zoals hij zich aan Dante en Shakespeare openbaarde, én omdat ik het redden van de wereld toch ook wel graag aan u en mij zou gunnen, sloeg ik het boek teleurgesteld weer dicht.

Intussen was ik niet de enige die een boek van Carlyle had opgeduikeld. Ook anderen bleken hem in de loop der tijden te hebben aangehaald als pleitbezorger van het individu en het individuele bestaan. En zo las ik hier en daar dat Carlyle, in zijn boek over de Franse Revolutie, meer waarde had gehecht aan de biografie van individuele burgers dan aan abstracte theorieën over politiek. De honger en naaktheid van vijfentwintig miljoen mensen, schreef hij, hebben de Franse revolutie veroorzaakt, 'en niet de gekwetste ijdelheden of de strijdige theorieën van filosofische pleiters, rijke winkeliers en plattelandsjonkers.'

Zo nog wat denkend aan Carlyle, realiseerde ik me opeens dat diezelfde voorliefde voor burgers en diezelfde afkeer van theorie nu ook de Nederlandse politiek hebben bereikt. Ons gesprek gaat immers niet langer over abstracties, het gaat over 'de mensen'. Maar hoe verheugend ik dat ook mocht vinden, ik vroeg me wel meteen af hoe mensen met elkaar kunnen samenleven zonder van tijd tot tijd ook na te denken over abstracties. Zoiets lijkt me alleen mogelijk als je onder 'mensen' slechts diegenen verstaat die volledig van het denken zijn vrijgesteld. Nou goed, een enkele politicus kiest daar inderdaad voor - zo vertelde een ervaren Kamerlid onlangs aan de NRC: 'Als ik nu ergens op werkbezoek kom, bijvoorbeeld in een verzorgingstehuis, dan praat ik eerst met de mensen zelf, daarna met de verzorgenden, en dan pas met de directie.'

Niettemin, als je het mij vraagt is de 'plicht om thuis te blijven' van Thomas Carlyle veel interessanter dan zijn onberedeneerde aanval op abstracties. Want juist die plicht om thuis te blijven roept aardige vragen op over de relatie tussen leven en abstractie - tussen de kleine biografieën van de mensen en de grote morele problemen van de wereld. En als de filosofen die vragen de afgelopen eeuw nog niet volledig hebben behandeld, dan is dat alleen maar omdat het denken van filosofen nogal langzaam op gang komt. De uil van Minerva vliegt pas uit bij de avondschemering, heeft Hegel gezegd. En de filosofen zeggen het hem, om zich een houding te geven, graag na.

Tot slot: inderdaad, die uil van Minerva sierde als symbool van het trage denken ook het boekje van Carlyle over heldendom. Maar in de kerk, naast de schotel met cake, herinnerde die uil me gewoon aan de concrete uil die ik de avond daarvoor had gezien, toen ik onderdak had gevonden bij twee zusters in Derbyshire. Bij het invallen van de duisternis hadden de vrouwen me naar de serre gedirigeerd, zodat ik kon zien hoe zijzelf vervolgens buiten opdoken tussen de bomen, een handvol dode muizen tevoorschijn haalden en die voorzichtig op een houten plankje schikten. Toen verdwenen de vrouwen weer uit zicht, en even later kwam hun uil en streek van grote hoogte op de dode muizen neer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.