Klein beetje hoger Marco

Op de vleugel bezuinigen? Never nooit. Dat heeft zijn serie Meesterpianisten hem wel geleerd. Concertmanager Marco Riaskoff zit vijftien jaar in het vak, gewijd aan veeleisende, grillige en bekoorlijke meestermusici....

De taxi staat nog niet stil voor de artiesteningang van het Concertgebouw in Amsterdam, of het rechterportier zwaait open. Stipt kwart over zeven.

'Marco!'

'Bella!'

Pianiste Bella Davidovich omhelst de impresario. 'Gefeliciteerd met je verjaardag, Bella', zegt Marco Riaskoff terwijl hij een kleerhanger met hoes overneemt van violist Dmitry Sitkovetsky, de (volwassen) zoon van Davidovich. 'No Marco, niet zo, maar like this', zegt de pianiste liefdevol verwijtend en strijkt de hoes recht. Riaskoff kijkt verschrikt. Lieve help, het is de jurk.

Jurk, hotel, pianostemmer, lessenaar, pianokruk - o nee, 'Bella wil altijd op de Beethovenstoel' - hapje eten, geen hapje eten, koffie, water, sapje. Vlak voor een concert kruisen duizenden details het pad van de impresario en organisator van de serie Meesterpianisten. Ook als het geen concert uit zijn eigen serie is, zoals op deze zomerse juli-avond waarop Davidovich en zoon te gast zijn voor een viool-piano recital in de Robeco-serie, zorgt Riaskoff dat niets, maar dan ook niets een topoptreden van de artiesten uit 'zijn stal' in de weg staat.

Dan wil Davidovich de trap. 'Laten we de trap doen, Marco.' Later, bij het concert neemt ze de zijtrap, maar nu zijn ze boven in de solistenkamer en ze wil niet eerst met de lift naar beneden. Riaskoff offreert haar zijn arm en heel voorzichtig lopen ze de beroemde enge grote trap af. 'Zo liep ik met Shura ook altijd', zegt hij. Dat was ritueel. Dat moest Cherkassky altijd, voor elk concert opnieuw. 'Dan hield hij mijn hand vast en dan gingen we hardop alle treden tellen. Een, twee, en dan uiteindelijk eenendertig, tweeëndertig. Yèèèèès.'

Daarna ging hij een kruk kiezen. Alle krukken van het Concertgebouw op het podium. 'Had hij eindelijk de kruk waar hij op wilde zitten en was die op goede hoogte, dan zei hij: dit moet de voorkant zijn. Op zich maakt dat dus helemaal niks uit bij een pianokruk, maar hij pakte een krijtje en zette een kruisje achter op de poten en wist dan: dit is de achterkant. Vlak voor hij ging spelen, moest de kruk van het podium naar de solistenkamer, dan ging hij er nog een keer op zitten. Don't forget, zei hij, this is the bèèèèck. En dan ging die kruk weer.' Cherkassky overleed in 1995. 'Een van zijn allerlaatste concerten was in mijn serie. Op 29 oktober. Twee maanden later stierf hij.'

Stijghoogte

De zaal is nog leeg, op het podium staan de Beethovenstoel en de vijf-tachtig stilzwijgend te wachten. De vijf-tachtig, een glanzende Steinway-vleugel waarvan het serienummer op 580 eindigt, is al zorgvuldig voor Davidovich geprepareerd. De 'stijghoogte' (de afstand tussen snaar en hamerkop) is verkleind, de diepgang van de toetsen een fractie vergroot en de klavierklep is ietsje naar achteren gekanteld en met tape vastgezet zodat er geen schaduw op het toetsenbord valt. 'Het viel mee', zegt de pianostemmer, want de vleugel was nog naar haar wensen afgesteld. Twee weken ervoor had ze er nog op gespeeld tijdens haar optreden met het Radio Filharmonisch Orkest.

Dat is ook wel eens anders. Riaskoff weet er alles van. Piano-kiezen is altijd een belangrijk onderdeel van het optreden. Van Schiphol meteen naar de zaal en uitproberen. De 918, de 400 en de 580. 'Op een bepaald moment ken je de artiesten zo goed, je weet bijna zeker welke ze willen, maar psychologisch is het toch belangrijk dat ze zelf een keus maken.' Ze kiezen bijna allemaal de 580, ideaal voor het recitalwerk door z'n veelzijdigheid in kleur. Alfred Brendel, Maria João Pires, Mitsuko Uchida en zelfs Maurizio Pollini: allemaal de 580. Pollini laat er tegenwoordig zelfs z'n Fabbrini-vleugel voor thuis. Die moest altijd mee, inclusief de beroemde stemmer Fabbrini zelf. 'Ik had het toch gezegd?', zei Riaskoff toen Pollini rood van woede ontdekte dat de Concertgebouwvleugel beter was dan de uit Italië meegebrachte Steinway. Kreeg die arme Fabbrini de schuld.

Op de vleugel bezuinigen? Never nooit. Dat heeft vijftien jaar Meesterpianisten wel uitgewezen. Toen Riaskoff in 1987 met de serie begon werd het Concertgebouw verbouwd. Alle instrumenten onder het stof. Hij liet voor elk concert Denijs de Winter komen uit België, met twee vleugels. 'Ik ga nooit kosten besparen op een instrument of de stemmer. Dat is zo belangrijk voor de pianist, dat hij op een instrument speelt dat volkomen naar zijn zin is.'

En dan de relatie met de stemmer, Michel Brandjes. Van cru-ci-aal belang. Uchida hoorde een keer twee dagen voor haar optreden Alfred Brendel op dezelfde vleugel die zij had gekozen. Ze trok bleek weg. 'Marco, de piano was wonderful voor Alfred, maar ik kan er zo niet op spelen.' Geen zorgen, zei Riaskoff, 'Michel gaat toveren, reken maar.' Uchida geloofde het na haar recital nog niet. 'Onmogelijk dat dit hetzelfde instrument is. Hoe heeft hij dat gedaan?'

Verzoeknummer

'Marco, kan de stoel misschien een hééééél klein beetje hoger?' Riaskoff schuift behoedzaam de zitting met het knopje bij de rugleuning iets omhoog.

'Beter, Bella? Wil je de stemmer nog zien?'

Ze schudt haar hoofd. 'Nee, alles is ok. Michel heeft hem in orde gemaakt. Michel is sooo sweet.'

Riaskoff fluistert iets in haar oor. Ze kijkt hem aan met een ondeugende blik en zet de Tango van Albéniz in, met het scherpe ritme in de bas en de slepende triool in de melodie. 'Verzoeknummer', glundert hij.

De klok, die tijdens de concerten verscholen is achter een luikje aan de zijkant van het orgel, wijst dat het tijd is voor de jurk. Sitkovetsky oefent nog een paar vioolloopjes, de pianostemmer loopt toch nog even alle tonen na. Om tien over acht sluipt Riaskoff de solistenkamer binnen. Het ruikt er naar after shave en parfum. De jurk is blauw en bloot. 'Ni poecha ni pera', zegt Riaskoff. Toitoitoi. 'Tsjorto', is het traditionele antwoord. 'Loop naar de duivel', zeggen de Russen als ze het geluk willen afdwingen. 'Bij Shura moest ik altijd op zijn wang of voorhoofd spugen. Eerst zijn handen wrijven. Harder, harder, ik was altijd bang dat ik het te hard deed. En dan spuugde ik op m'n vingers en drukte ze op z'n voorhoofd en zijn wangen. Dan was hij klaar om te spelen.

'Marco, kom je in de pauze? En zeg je hoe de balans is?', drukt Davidovich hem op het hart.

'We moeten wat met haar verjaardag doen', bedenkt Riaskoff op de gang. Drie jaar geleden werd ze zeventig, toen heeft het publiek voor haar gezongen. 'Zal ik gewoon het podium oplopen en het de mensen vertellen?'

Charme

'Concert Management', heet het in de brochure en op zijn kaartje. Die term dekt ook voor een deel de lading, want Riaskoff doet veel meer dan een pianoserie alleen. Het hoofdbestanddeel is toch het impresariaatswerk voor musici in alle soorten: veel pianisten, maar ook violisten, cellisten en dirigenten. In zijn kantoor, recht tegenover de hoofdingang van het Concertgebouw, staan bureau's met computers, telefoons en faxen. Er staan ordners met de zakelijke gegevens en de correspondentie, keurig gerangschikt per pianist. Er hangen posters van voorbije seizoenen en er staan foto's met opschriften. 'To Marco, in friendship and with affection. Alfred Brendel june 2001.'

Dat komt al meer in de richting. Pianisten zijn geen warme broodjes die je over de toonbank schuift. Vriendschap, affectie, betrokkenheid (véél) en charme zijn elementen die Riaskoff met zijn gehele Bulgaars-Spaans-Engelse temperament in de strijd gooit. En agitatie, niet te vergeten, want kom je aan zijn artiesten, dan kom je aan hem.

Wat ze bijvoorbeeld bij de televisie-opnamen van de Edisonprijsuitreiking dit jaar hadden gedaan. Alfred Brendel kreeg de oeuvreprijs, en dan is hij toch de eregast, nietwaar? Ze werden door de tv-ploeg zo opzij geschoven, want 'ze verwachtten nog andere prominenten'. Ja, van die politici. Wilden ze een interview voor de tv, Brendel had zich uren voorbereid op de vragen, moet het uitgerekend tijdens het diner. En wat ervan op tv te zien was? Niets. 'Een schande', brieste Riaskoff. 'Ik heb het Alfred gewoon niet durven vertellen. Zo erg. Een schande, echt!'

Zijn oprechte woede vertaalt zich in een toonhoogtestijging van zeker twee octaven. 'Ik heb een dramatische mezzo-sopraan', zegt hij zelf. Die roert zich bij enige vorm van nalatigheid en komt volledig tot leven bij zwaar onrecht. Toen Youri Egorov stierf, in april 1988, en zijn moeder van de Sovjet-regering geen visum kreeg om naar de begrafenis in Nederland te komen. De Russische ambassade wilde er niet aan meewerken. Furieus heeft hij ze gebeld: 'Jullie met je perestrojka, allemaal pr-stuntjes, dit is een oude vrouw, een lerares, wat heeft zij nou voor politiek belang voor jullie? Kunnen jullie haar dat niet eens gunnen?' Ze mocht pas een paar weken later. Naar het graf van haar zoon.

Dit specifieke geval raakt wellicht ook aan de dood van zijn eigen vader, een Bulgaar die in Zwitserland rechten studeerde voordat in Bulgarije de communisten de macht overnamen. Hij is er nooit meer teruggeweest, en zijn vader - één van de drie voogden van de Bulgaarse koning Siméon - heeft met moeite de communistische kampen overleefd. Zijn ouders heeft Riaskoffs vader nooit meer samen teruggezien. Ze mochten, pas op hoge leeftijd, op bezoek naar Nederland. Omstebeurt. En bij wijze van heel hoge uitzondering mochten ze samen naar Nederland toen Riaskoffs vader in 1968 overleed door een auto-ongeluk. 'Ze wílden niet eens blijven. Mijn grootvader zei: Bulgarije is mijn land, ik ben er geboren en ik wil er sterven. Al die flauwekul dat ze niet samen mochten reizen.'

Dat jaar 1968 was ook de ommekeer voor Riaskoff zelf. Hij deed eindexamen - iets verlaat doordat hij op zijn elfde met zijn ouders vanuit Uruguay naar Nederland kwam en weliswaar vloeiend Spaans, Frans en Engels sprak, maar geen Nederlands - en besloot dat hij maar moest gaan werken om zijn moeder 'niet op kosten te jagen'. Daarvoor genoot hij achteloos van zijn talenten. Speelde met het grootste gemak blokfluit en werd ook fluitend kampioen tennis 'oudere jeugd' van het district Gooi-Utrecht. Maar echt serieus studeren of trainen was er niet bij. Potjes spelen. Improviseren.

Hij raakte bevriend met Guillermo Villas, die tijdens het Melkhuisje-tournooi bij de familie Riaskoff in Blaricum logeerde en toen zijn eerste ATP-wedstrijd won. 'Ik zag wat hij er voor over had om de top te bereiken. Hij werkte keihard, helemaal erop gericht steeds beter te worden. Hij had heel veel succes bij de vrouwen uiteraard, maar ging toch vroeg naar bed. Zo is het natuurlijk ook bij musici. Als je echt de top wilt, moet je ook heel veel laten. Je moet volkomen bezig zijn met je muziek en je moet de discipline hebben om elke dag weer te studeren.' Hij heeft het er nog serieus met Villas over gehad om sportmensen te begeleiden, maar het zijn musici geworden.

Jodelen

'Hoe was de balans, Marco?'

'No problem, Bella. Het was beautiful. Very, very good.'

Davidovich is gerustgesteld. 'Kun je een geheim bewaren?', vraagt Riaskoff aan Sitkovetsky. Terwijl Davidovich vakkundig wordt afgeleid door Riaskoffs medewerker Niels, ontvouwt Riaskoff zijn plan. Of Sitkovetsky straks bij de toegiften misschien even kan vertellen dat z'n moeder jarig is en dat ze drie jaar geleden ook al met z'n allen gezongen hadden en of hij dan op z'n viool Happy birthday wil inzetten. Sitkovetsky knikt. 'Dan zing ik falsetto', belooft Riaskoff.

Ook daarvoor zet hij zijn mezzo-sopraan veelvuldig in, zij het minder dramatisch. Tijdens de jaarlijks terugkerende wintersportvakanties met zijn ouders in de Kitzbüheler Alpen heeft hij zichzelf leren jodelen. Hij hoorde de eigenaar van het hotel en dacht: dat wil ik ook. Een jaar lang heeft hij het hele huis gek gegild en toen, in een keer, lukte het. Het is nu een repeterend punt van ontspanning:

'Toe Marco, wil je even jodelen?' De restaurants in de omgeving van het Concertgebouw zijn inmiddels vertrouwd met het fenomeen. Zoals visrestaurant Bark. Daar zaten ze na afloop van een concert met Maria João Pires. 'Toe Marco', zei Pires. Toen zijn ze middenin de nacht teruggegaan naar het Concertgebouw en hebben in de grote zaal met z'n allen Wagner gejodeld.

'Hij doet het niet', fluistert Riaskoff. Na de Sonate voor viool en piano in D groot van Prokofjev, hebben Davidovich en zoon als eerste toegift Tsjaikofski's Song without words in de bewerking van Kreisler ingezet. De laatste noten verdwijnen in het applaus, ze buigen, lopen tot de zijtrap, buigen nog eens en maken zich weer klaar voor een volgende toegift. Riaskoff veert op. 'Nu!' 'Little Viennese March by Fritz Kreisler', kondigt Sitkovetsky aan. Riaskoff gaat weer zitten.

Dan, bij het laatste applaus, als iedereen denkt dat het voorbij is, zwaait Sitkovetsky met zijn stok. 'Zoals u misschien weet vierde mijn moeder drie jaar geleden hier, op deze dag, haar zeventigste verjaardag.' Meer hoeft hij niet te zeggen, zijn viool is niet meer te horen, maar ver boven het zingende publiek uit zweeft een min of meer dramatische mezzo-sopraan. Happy birthday to youhoehoe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden