KLASSIEK

Wat zou er geworden zijn van Leander Schlegel, het 'mirakel van Overveen', zoals zijn postume herontdekker Willem Noske hem heeft betiteld, als hij in Duitsland was blijven componeren, in plaats van terug te komen en zich te verschuilen achter de duinen?...

Roland de Beer

Misschien zou Schlegel zelfs nooit zijn toegekomen aan zijn opus 34 - een juweel van een vioolsonate die hij in 1910 op papier zette, en die nu voor het eerst op de plaat staat. Het is een stuk van grote poëtische kracht, herkenbaar als het werk van een Brahmsbewonderaar, maar tegelijk veel meer dan dat. Schlegel, die in de jaren 1860 studeerde aan het conservatorium van Den Haag, besloot door te gaan leren in Leipzig. Geen toevallige keus, want daar zat het conservatorium dat het centrum was van de Duitse toonkunst, en er was in die tijd geen Nederlandse componist die iets betekenen wou, of hij trok erheen om zich te laven aan de traditie van Mendelssohn en Schumann.

Dat de meesten ook vrij gauw weer terugkeerden naar het land van boter, kaas en de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst, zal ermee te maken hebben gehad dat de kansen in Duitsland ook niet direct voor het oprapen lagen. Schlegel vond zijn bestemming aan de Toonkunstmuziekschool in Haarlem, en richtte in dezelfde stad uiteindelijk zijn eigen muziekschooltje op. Van zijn kleine oeuvre - liederen en kamermuziek vooral - verscheen het meeste bij uitgevers in Leipzig en Straatsburg.

Je vraagt je af in wat voor oplage, maar het zou overdreven zijn te stellen dat de bescheiden Schlegel alleen maar over het hoofd werd gezien. De Weense criticus Max Kalbeck zag wel iets in Schlegel, en organiseerde concerten rond de 'Haarlemse Brahms' (een term die de latere verzamelaar en promotor van Nederlandse muziek Noske tot vertwijfeling bracht). Tot de vertolkers die zich over de sonate opus 34 ontfermden, hoorde de Hongaarse grootmeester Carl Flesch - zoals in het tekstboekje bij de opname van NM Classics wordt verteld.

Voor de nieuwe uitvoering tekenen Candida Thompson, in onze contreien vooral bekend als concertmeester van Nieuw Sinfonietta Amsterdam, en de pianist David Kuijken. Hun cd bevat, behalve een sonate uit 1902 van de pianist-componist (en ook lang niet on-originele post-Brahmsiaan) Dirk Schäfer, ook een ouder stuk van Johan Albert van Eijken. Dat was een Amersfoortse Schumann-Mendelssohn, annex Leipzigganger, die niet verward moet worden met zijn hoger getalenteerde broer Gerrit Jan van Eijken.

Waar Van Eijken (J.A.) in 1857 bleef steken in montere stijladaptaties die twintig jaar eerder hadden kunnen zijn bedacht, staat ook Schlegel anno 1910 ver af van stilistische panorama's van zijn tijd, zoals die zich voordeden in de oeuvres van Schreker of Ravel, om te zwijgen van Schönberg. Het aardige van Schlegel is dat hij Brahms zaliger (en de nieuwere Reger) in de bagage heeft zitten, en zich verder nergens druk om maakt.

Misschien heeft zijn oorspronkelijkheid wel baat gehad bij de intimiteit van de Overveense huiskamer. Schlegels vioolsonate is een wonder van introvertie, van een fijn gearticuleerde melodiek die geen andere pretentie heeft dan onder vier ogen iets bijzonder fraais te willen zeggen. Begeleid door een pianopartij die even doorwrocht is als licht van toets. Verrassend is de zwevende overgang naar het langzame deel. Niet minder verrassend is het muzikale uitroepteken in de overgang naar het laatste allegro con anima.

Het is een sonate om zeer van te houden, van een aantrekkelijkheid die bijvoorbeeld ook de vioolsonates van Fauré hebben, en van die categorie zijn er niet veel. De luisteraar mag, met andere woorden, ook een beetje van Candida Thompson houden, die niet zomaar een goede uitvoering geeft, maar dat ook doet met affiniteit en een wezenlijk begrip van Schlegels poëzie.

Julius Röntgen, kamermuziek, door Alexander Kerr, Gregor Horsch en Sepp Grotenhuis. NM Classics.

Tot de vele Hollandse Brahmsen die zich achter de dijken hebben voortbewogen, hoorde Julius Röntgen. Leipzigganger, Mengelbergvriend, conservatoriumdirecteur en oerbewoner van het huis Gaudeamus in Bilthoven. Ook hem doet de eenduidige Brahmsassociatie onrecht, zoals blijkt uit een kleine trilogie van NM Classics, met bevlogen sonates en een gemoedelijk pianotrio, uitgevoerd door Sepp Grotenhuis, de cellist Gregor Horsch en de violist Alexander Kerr.

Kerr - hier vooral bekend als concertmeester van het Concertgebouworkest - heeft vermoedelijk geen boodschap aan etiketten of reputaties, en brengt de vroege vioolsonate in fis onbevangen en speels, alsof het stuk uit 1880 net geschreven is. Niet de slechtste benadering, ook al omdat Kerr de benodigde negentiende-eeuwse toontinten als vanzelf in de strijkstok heeft. Net zo sympathiek zijn de andere vertolkingen, al kunnen ze niet verhullen dat Röntgen naast bevlogen, speelse en soms verbluffende momenten ook bladzijden heeft waarin hij de luisteraar uitnodigt even aan iets anders te denken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden