Klassen met louter dezelfde kindertjes

Woensdag had Wouter Bos een topdag. Even niet regeren, nu eens niet de blik van ferme staatsman oefenen.

Aleid Truijens

Hij kreeg college, in een klasje met de ministers Plasterk en Van der Laan, en staatssecretarissen Dijksma en Van Bijsterveldt.
Onderwijssocioloog Jaap Dronkers kwam even langs in Den Haag. Onderwerp: de segregatie in het onderwijs, de tweedeling in witte en zwarte scholen.

Dronkers, hoogleraar sociale stratificatie en ongelijkheid aan het Europees Universitair Instituut in Florence, buigt zich al jaren over de vraag: hoe kunnen ongelijke kansen in het onderwijs worden verkleind? Ofwel: hoe kan talent beter worden benut? Dronkers onderzoekt het onderwijs met verschillende invalshoeken, aan de hand van een grote hoeveelheden data, zoals die van de PISA-onderzoeken, die in 63 landen de prestaties in rekenen, lezen en ‘science’ meten.

Etnische segregatie

Zijn boodschap was voor Bos ‘verrassend eenvoudig’, schrijft deze in zijn weblog: ‘Etnische segregatie is bepaald niet het grootste probleem in het onderwijs.’ Dat was even schrikken, schrijft hij – want hoe deerlijk kan de publieke opinie zich vergissen – ‘maar uiteindelijk is het goed nieuws’.
Het goede nieuws (nou ja) luidde: dat Turkse en Marokkaanse kinderen minder goed meekomen op de basisschool en vaker een vmbo-advies krijgen dan hun witte leeftijdgenootjes, komt niet door hun ‘allochtoon zijn’, maar doordat hun ouders vaak weinig verdienen en slecht opgeleid zijn.
Autochtone kinderen doen het in deze omstandigheden óók slecht.

Onderwijsprestaties van kinderen worden grotendeels voorspeld door het opleidingsniveau en de sociaal-economische status van hun ouders. Het percentage eenoudergezinnen, in welk milieu ook, heeft eveneens een negatief effect op schoolprestaties.

Etnische verschillen

Toch spelen etnische verschillen volgens Dronkers’ onderzoek wel een rol. Kinderen gedijen namelijk het best in homogene klassen. Op islamitische scholen halen leerlingen gemiddeld betere resultaten dan vergelijkbare leerlingen op een ‘gemengde’ school. Ook klassen met louter gereformeerde of antroposofische kindertjes doen het beter. Je maakt er sneller vriendjes, de juf hoeft minder uit te leggen. En vooral: de leerkracht beschouwt iedereen als gelijken.

Ik moest denken aan het ‘gemengde’ onderwijs met jongens en meisjes in één klas, dat pas rond 1970 op confessionele scholen werd doorgevoerd. Nu zouden de meisjes eindelijk emanciperen! Niet dus. De meisjes gingen slechter presteren, want zij werden nu pas als meisjes beschouwd. Een wiskundeleraar wil in een meisjesklas ook bètatalent ontdekken, en deed dat ook; in gemengde klassen ging die eer weer naar de jongens.

Weinig effectief

Er zijn scholen die weinig effectief zijn, overvolle klassen kennen en waar leraren niet prettig werken. Je maakt bijna niemand wijs dat die dingen weinig met elkaar te maken hebben, toch is het soms zo. Het schort bijvoorbeeld aan een goede organisatie, of aan de kwaliteiten van leerkrachten, of aan de didactiek. Maar door die vreselijke grote klassen blijven die opties buiten beschouwing.
Twee weken geleden schreef ik dat ik geen serieus onderwijskundig onderzoek ken dat uitwijst dat kleinere klassen leiden tot betere leerresultaten (dat ene, niet nader genoemde Amerikaanse onderzoek waarnaar Evelien Tonkens verwijst (Forum, 21 januari) wil ik graag lezen). Ik kreeg boze reacties, waarin mij een ‘pleidooi’ voor grote klassen werd verweten.

Maar daarvoor pleitte ik niet. Ik begrijp dat leraren liever een kleine dan een grote klas hebben; de werkdruk is dan lager. Dat wil niet zeggen dat kleine klassen vanzelf beter zijn voor leerlingen. Onderzoek dat dit laatste ontkent, kán niet deugen, werd mij gemaild. Volgens die redenering kunnen we universiteiten wel opdoeken; ze mochten eens met meer onwelgevallig nieuws komen.
Dat doet Dronkers inderdaad. In zijn jongste onderzoek, naar leerprestaties van immigranten in de PISA-landen, ontdekte hij dat grote klassen de leerprestaties van immigranten juist verbeteren. Waarom, dat is onzeker.

Minder geklets

Misschien is het onderwijs daar strakker georganiseerd, wordt er minder gekletst, is de instructie doelgerichter en zijn leerlingen beter geconcentreerd. Misschien ligt het aan de leerkracht: alleen een uitstekende docent kan zich in zo’n grote klas staande houden.
Dronkers stelt maatregelen voor om onderwijskansen te vergroten: meer lestijd voor achterstandskinderen (vooral in kernvakken), latere selectie óf meer doorstroommogelijkheden; handhaving van externe criteria; betere beloning van docenten en niet te veel ‘moeilijke’ leerlingen per klas.

Betekenen Dronkers’ bevindingen nu dat we moeten streven naar bomvolle klassen, gevuld met kindertjes van één kleur, godsdienst, inkomensgroep of zelf sekse? Natuurlijk niet. Er zijn goede sociale redenen voor kleine en ‘diverse’ klassen, redenen die moeten meewegen.

Maar denk niet dat je er achterstanden mee bestrijdt. Dronkers’ inzichten tonen aan dat daarvoor ander beleid nodig is. Dat wordt tijd, want het huidige beleid, dat enorme invloed van etnische herkomst veronderstelt, maar toch graag gemengde klassen ziet, heeft de kloof tussen zwart en wit alleen maar vergroot.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden