Klapp, klapp, klapp, op de keizerlijke billen

Was hij gek, of gewoon licht gestoord zoals iedereen? Dat vraagt schrijver Kees 't Hart zich af als hij zich verdiept in het leven van de Duitse keizer Wilhelm II, die lange tijd in ballingschap in Doorn woonde....

Op 5 januari 2006 staat in mijn agenda – ik bewaar al mijn agenda’s – het woord Doorn. Op die donderdag bezocht ik het kasteel Huis Doorn waar de voormalige Duitse keizer Wilhelm II (1859-1941) vanaf 1919 tot zijn dood in ballingschap woonde. Mooi woord, ballingschap, al moet je het niet te vaak zeggen want dan betekent het ineens niks meer. Ballingschap, bij mij sloeg de fantasie direct op hol: verblijven schrijvers niet altijd in ballingschap? Ik schreef over dat bezoek voor Smaak, het huisblad van het Ministerie van VROM, later een artikel. Ik was in die tijd overgevoelig voor indrukken en ideeën over zo ongeveer alles. Mijn vorige roman (De Krokodil van Manhattan) was net verschenen; waarover nu te schrijven?

Dus keek ik in het kasteel rond met de blik van iemand die ergens op uit is. ‘Wil ik ooit een roman over of rondom de keizer schrijven, dan moet deze eetkamer tot in alle details beschreven worden’, schreef ik over de verbluffend fraaie eetkamer waar de geest van de keizer krachtig rondwaart.

En iets verderop bombardeer ik in dat Smaak-stuk met veel poeha Sigurd von Ilsemann, voormalig adjudant van de keizer, tot held in de nog te schrijven roman: ‘Hij moet de hoofdfiguur in mijn roman worden.’ Deze Ilsemann (Wilhelm noemde hem graag Ilsemannchen) hield een hartverscheurend dagboek bij over zijn verblijf in Doorn. Geweldige literatuur, hilarisch en tragisch, wat wil je nog meer. Vol intriges, hartstocht, woedebuien en obsessief houthakken, vol eindeloze verveling en geraaskal. Ingrediënten te over voor een mooie roman over een geïsoleerde keizer en zijn bediendes. Maar niet genoeg.

Op de weg terug zei mijn vrouw iets eigenaardigs: ‘Woonde Simon Vestdijk toen ook niet in Doorn?’ Dit had ze niet moeten zeggen. Ja verdomd, Vestdijk woonde in Doorn, thuis direct uitgezocht wanneer: vanaf 9 maart 1939 tot zijn dood in 1971. Hij liep dus twee jaar de kans de keizer tegen te komen. Want ook Wilhelm wandelde in de omgeving van Doorn, hoed op, keurige jas aan, een paar gezelschapsheren bij zich (wie weet Ilsemann). Hebben ze elkaar vriendelijk toegeknikt? ‘Guten Morgen Herr Vestdijk, guten Morgen Majestät.’ Rond dit soort fantasieën ontstaan dus romans, bij mij bedoel ik.

Nu brak de periode aan van inlezen, rondscharrelen, peinzen, rare boeken lezen, impulsief naar archieven gaan, vreemde boeken kopen, opstaan met Wilhelm en ermee naar bed gaan. Alles wilde ik weten, en er is gigantisch veel te weten.

Mijn leidraad werden de twee zeer omvangrijke biografische studies van John C.G. Röhl, het eerste uit 1993 over de jeugd van de keizer, Die Jugend des Kaisers. Deel twee uit 2001 over de periode 1888-1900, Der Aufbau der Persönlichen Monarchie. Fabelachtige boeken voor iemand die iets over de keizer wil weten, het eerste deel noemt in de bibliografie ongeveer 650 werken die tot 1993 over hem verschenen. Daarna kwamen er tot 2001 weer minstens vijftig bij. Het is zowel verschrikkelijk als heerlijk. En dan te denken dat deel 3 van deze wetenschappelijke biografie nog moet verschijnen!

Alleen al aan de geboorte van de keizer besteedt Röhl vijftien adembenemende, dichtbedrukte pagina’s. Het was kort samengevat een bloedbad, een stuitligging, de dienstdoende arts kreeg het arme kind met moeite uit ‘dem Muttermund’. Men moet zich niet te veel proberen een voorstelling te maken van wat zich in en rond het Berlijnse kraambed afspeelde, waaromheen zich een man of tien had opgesteld. En waarbij de grootmoeder van Wilhelm wegens het vorstelijk decorum steeds een doek omhoog hield zodat alleen de arts iets kon zien.

Geen verdoving, geen goede medicatie, geen kennis. De moeder, prinses Victoria (toen net 19 jaar oud), oudste dochter van koningin Victoria van Engeland, was een taaie. Ze verontschuldigde zich tussen de weeën door aan de lopende band in het Engels en het Duits voor het verschrikkelijke geschreeuw dat ze voortbracht: ‘Entschuldige mich, I am so sorry’.

Uiteindelijk werd ze met chloroform buiten bewustzijn gebracht, de Engelse lijfarts van haar moeder had dit nieuwe spul in een flesje meegenomen. Dank zij kordaat ingrijpen van een vroedvrouw die zich weinig van het keizerlijk decorum aantrok en baby Willy krachtig op de billen sloeg (‘klapp, klapp, klapp’, staat er in een verslag) bleef hij leven. Wel met een linker armpje dat in de geboortestrijd verminkt raakte – de arts had er te hard aan gesjord – en nooit helemaal volgroeide. Dit is het beroemde kleine armpje van Wilhelm dat hij op alle foto’s en schilderijen zorgvuldig aan het oog probeert te onttrekken. Een onvolgroeid armpje, men kan zich indenken wat dit allemaal in de roddelpers aan gebabbel en geschrijf heeft opgeleverd, ook Freud schreef er over.

Willy’s moeder dacht eerst dat hij debiel was omdat er ook met zijn hoofdje iets mis was, het groeide scheef; ze schaamde zich jaren lang diep voor hem. Dit leverde later heel wat gespeculeer op over de troebele verhouding tussen moeder en zoon die uiteindelijk werkelijk op een breuk uitliep. Röhl beschrijft in extenso wat men allemaal probeerde om het armpje aan te laten groeien en het hoofd recht te zetten. Warme baden, elektriciteit, galvaniseermachines, leren riemen die men rond hoofd en schouders bond en vervolgens met kracht in de goede richting aantrok.

Martelpraktijken in optima forma. Het hoofdje kreeg men overigens recht via een bloederige en nauwelijks verdoofde operatie aan nekspieren, het armpje bleef onherstelbaar beschadigd. Men nam zelfs tevergeefs zijn toevlucht tot een mythische geneeswijze: het armpje van de jonge prins werd gedurende een jaar eens per dag in het bloed gedompeld van een geschoten haas waarvan men het lijfje had open gesneden. Ik bedoel maar: als dit geen materiaal voor een roman is, weet ik het ook niet meer. En dan ben ik nog maar bij de geboorte.

Tegenwoordig speculeert men erover of Wilhelm geen lichte hersenbeschadiging bij de geboorte opliep, Röhl gaat er gezellig uitvoerig op in. Het was een druk kind, hooghartig, vervelend, later een man die zich moeilijk kon concentreren, weinig gevoel kon opbrengen voor politieke verhoudingen en in de periode voor de Eerste Wereldoorlog moeiteloos van het ene bondgenootschap naar het andere switchte.

De grote Duitse staatsman Bismarck (1915-1898) werd er hoorndol van en toen Wilhelm rond 1890 Bismarck ontsloeg was er helemaal geen houden meer aan. Uit brieven die zijn ouders, familieleden en vrienden elkaar stuurden (er zijn er meer dan 10.000) spreekt steeds bezorgdheid over zijn geestelijke vermogens. Was hij gek, of gewoon licht gestoord zoals iedereen? Men komt er niet uit. Maar de periodieke nerveuze inzinkingen die hij bij, vaak door hemzelf veroorzaakte, politieke of militaire crises te verduren kreeg, spreken boekdelen. Dan lag hij somber in bed, verdween een week of langer van het toneel en liet alles aan zijn dienaren over, ook de politiek of de oorlogsvoering.

In Doorn schreef hij autobiografisch werk waarin hij de berichten erover woedend ontkende. Leed Wilhelm dan aan een lichte vorm van porfyrie, een geheimzinnige stofwisselingsziekte die binnen vorstenhuizen in Europa rondspookte en tot krankzinnigheid kon leiden? George III van Engeland (1738-1820) had eraan geleden, maar ook Wilhelms moeder en Charlotte, een van zijn jongere zussen.

De symptomen liepen uiteen van verschrikkelijke buikkrampen, tot hoofdpijn, braken, buikloop en psychosen. Volgens Röhl bleef hij hiervoor gespaard, wel is zeker dat hij lange tijd veel last had van chronische oorontstekingen die gepaard gingen met enorme pijnen; ook in het dagboek van Ilsemann kom je een passage over oorpijn tegen. Röhl geeft een paar fraaie en gedetailleerde staaltjes van de behandeling van deze destijds veel voorkomende kwaal: je wenst het niemand toe.

Met vlijmscherpe mesjes in gehoorgangen peuteren, of via de kaak, nauwelijks verdoofd, opereren. Arme, arme man, dacht ik steeds vaker wanneer er weer eens operatief werd ingegrepen. Ook Röhl laat tussen de regels door af en toe wel enige sympathie voor deze arrogante windbuil en kletsmeier doorschemeren: hij was soms hartelijk en geestig. Tot zijn lievelingslectuur in Doorn behoorde het werk van P. G. Wodehouse over de avonturen van aan lager wal geraakte Engelse edelen, waar hij na het diner zijn tafelgenoten vaak urenlang tot vervelens toe uit voorlas.

Vroeger jaagde de keizer graag, in Doorn werd houthakken zijn enige hobby, in totaal hakte of zaagde hij in Doorn en omgeving ongeveer 17000 bomen om. Het valt niet mee je hier een precieze voorstelling van te maken. Hij was antisemiet tot op het bot, net als vrijwel iedereen in die tijd, hij steunde tijdens zijn bewind de antisemitische politieke partijen die destijds in Duitsland bestonden. Hitler vond hij toch wat erg ordinair, daar deed hij niet aan mee, wel een paar van zijn zonen.

Hij bleef tot zijn dood illusies koesteren over een restauratie van de monarchie in Duitsland. Kortom, materiaal genoeg voor een paar mooie maanden lekker ongegeneerd lezen en studeren.

Maar wat moest ik er allemaal mee? Aan feiten heb je niks in een roman, dat is bekend, menselijk drama heb je nodig, illusies, initiatierituelen, de wil tot verandering, verhoudingen, ontwikkelingen, liefde en een beetje wanhoop.

Pas toen ik verslagen tegenkwam over bijeenkomsten van wetenschappers in Huis Doorn, begon zich een plot af te tekenen. De keizer organiseerde in Doorn vanaf 1922 jaarlijkse bijeenkomsten over religie en archeologie. Niet de geringste buitenlandse professoren verschenen daar, beroemde geleerden als Otto (godsdienstwetenschapper) en Frobenius (antropoloog), maar ook gerenommeerde Nederlandse academici. ‘Die Doorner Akademie’ noemde de keizer deze congresjes. Het rijksarchief in Utrecht bezit er uitvoerige verslagen over, met namen, data en ook typoscripts van lezingen die de keizer hield; de precieze geschiedenis ervan moet nog geschreven.

Een van de lezingen van de keizer verscheen in 1934 in Duitsland in boekvorm: Die Chinesische Monade, een doorwrochte verhandeling over het Yin en Yang teken. Verrassend goede lezing, hij herleidde het hakenkruisteken overtuigend tot het Yin en Yang symbool.

Maar ja, nu nog een roman. Peinzen, peinzen, peinzen* Zou het niet mooi zijn wanneer ik de keizer in Doorn, pak weg in 1926, zou laten lijden aan een tijdelijke geestelijke inzinking? En dat een hoogleraar psychiatrie uit Amsterdam een talentvol net afgestudeerd arts, luisterend naar de voornaam Simon, tevens kenner van astrologie en aankomend dichter, vraagt hem als assistent naar Doorn te vergezellen om de keizer te behandelen?

Tijdens zo’n meerdaagse academische bijeenkomst? Waarbij deze jonge man verwikkeld raakt in allerlei intriges en de keizer bijstaat bij diens astrologische werkzaamheden? Dat hij een lezing van de keizer bijwoont? Dat hij de keizer mag helpen bomen zagen? Dat hij verliefd wordt op een dienstmeisje van de keizer? Zou dat niet een mooie roman kunnen opleveren? Met liefde, illusies, tragiek, initiatierituelen en de wil tot verandering erin? Aan de slag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden