Kippen

Toen de kinderen klein waren kochten we kippen. Twee. Barnevelders uit Barneveld. In een hygiënische omgeving verwekt en veilig door een machine uitgebroed....

In het stadstuintje was er slechts plaats om één laken tegelijk te drogen te hangen. De schaarse ruimte moest nu ook nog gedeeld worden met twee kippen. Ze kregen een hok op palen. 'Kunnen ze eronder lekker droog zitten, kunnen ze binnen lekker slapen en kunnen ze op het dak lekker in het zonnetje zitten.' Soms mochten ze uit de ren. Waar wij in de tuin waren, daar waren zij ook. Twee nieuwsgierige hennen en zeker als er gegraven of gespit werd. Met gevaar voor een onverhoedse onthoofding bekeken ze close-up wat het scheppen opleverde aan wormen en insecten.

Nu wonen we op het platteland. Waar twaalf kippen op één vierkante meter kennelijk nog 'recht' hebben op het predikaat scharrelkip, heeft hier elke kip zeker twaalf vierkante meter ter beschikking. De kippen bleken bij de huis- en grondprijs inbegrepen. Het verschil tussen deze kippen, de plattelanders, en die die we vroeger hadden, de stadsen, werd onlangs pijnlijk duidelijk.

Vrienden, de kinderen groot, de tuin klein, brachten hun drie kippen bij ons. Drie stadse, huiselijke en aanhankelijke bleekneusjes die hier volop zouden kunnen genieten van ruimte en frisse lucht. Hun voorbehoud naar hun soortgenoten was van het begin af aan groter dan naar ons, mensen. Wij waren hun vanzelfsprekende bondgenoten. Plattelandse kippen hebben geen bondgenoten. Zij gedragen zich terughoudend naar andere dieren tenzij eetbaar.

De drie kippen bleken ook niet echt te kunnen scharrelen. De techniek is: met de nagels van de poten de bovengrond loskrabben, een stapje terug doen en kijken wat het heeft opgeleverd. De drie stadsen brachten het niet verder dan wat wandelen door de eindeloze ruimte. Ze hadden ook niet de geringste notie van wat twee van hun zusters met krankzinnige volharding dag in dag uit op die nesten eieren deden. Evenmin wisten zij goed raad met de rijke natuur die hen omringde.

Na een week waren er nog twee over. Doodsoorzaak onbekend. Waarschijnlijk gepikt van een plantje waarvan elke plattelandskip weet: blijf daar in godsnaam af.

Na twee weken was er nog één. Het lijk van de ander lag half opengevreten achter in de ren. Terwijl alle kippen allang het nachthok waren ingevlucht, zagen de twee welgevulde stadse onnozelen de sperwer naderen en herkenden in hem waarschijnlijk niet veel meer dan een andere kip die alleen beter kon vliegen.

Nu is er nog een. Je kunt haar niet missen. Zij die steeds achter je aan loopt, dat is ze; de onnozele tussen de nozelen. Waar bij mensen de mythe leeft van de simpele plattelander en de gehaaide stedeling, is het bij kippen andersom en bovendien is het geen mythe.

Herm Gerits, Balgoij

In NL schrijven lezers over hun huiselijk leven. Dit is aflevering 176. Bijdragen aan de reeks, tussen de 450 en 500 woorden lang, zijn welkom. Ze kunnen, mits voorzien van naam en woonplaats, worden gestuurd naar: Redactie de Voorkant, de Volkskrant, Postbus 1002, 1000 BA Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.