Kindsoldaten spelen weer in Monrovia

De Liberiaanse ex-president staat terecht voor zijn aandeel in een burgeroorlog die honderdduizenden mensen het leven kostte...

Over hun gewelddaden willen Liberiaanse kindsoldaten liever niet praten: bad memories. In de sloppenwijk West Point proberen ze het gewone leven spelend weer op te pakken.

Een paar jaar geleden schoot Edward nog burgers van de straten van Monrovia maar vandaag eet hij zijn visje in een van de vele klamme steegjes van de sloppenwijk West Point van Monrovia. ‘Hé witte’, zegt de voormalige kindsoldaat, ‘ga zitten en eet een hapje mee.’

Edward is een gespierde jongen met een gaaf gebit, hij schuift met zijn rechterhand rijst en gerookte vis naar binnen. Zijn broer en moeder prakken uit hetzelfde bord, ze lachen en praten terwijl ze eten. Naast het hutje liggen zakjes houtskool, voor de verkoop.

Verderop, op een zanderig terrein voor een half vernielde school, voetballen tienerjongens in de shirts van Van Nistelrooij, Beckham en Bergkamp. Het gaat er stevig aan toe op dit veldje, waar ooit ook George Weah, de beroemdste zoon van Liberia, zijn kunsten vertoonde. ‘Wist je dat Weah hier ook woonde’, zegt Edward, ‘voordat hij naar Frankrijk ging om daar te voetballen?’

Aan de rand van het stoffige veld wordt een witte lijkkist in de vorm van een auto op een busje gehesen. De laatste rustplaats voor een gestorven truckchauffeur die graag in een kist in het model van een auto in zijn geboortedorp wil worden begraven. RIP, staat er op het kenteken. Afrika anno 2007: nabestaanden maken foto’s van de autolijkkist – met hun mobieltjes.

Edward eet zijn vis en vertelt van zijn dromen. Nee, over de tijd dat hij als kindsoldaat zijn AK-47 leegschoot op onschuldige burgers, wil hij niet praten. Bad memories, zegt hij. ‘Ik heb te veel slechte dingen gedaan.’ Over ex-president Charles Taylor, wiens proces vandaag in Den Haag begint, wil hij liever niets zeggen: ‘Hij zit daar toch vooral voor misdaden die hij in Sierra Leone heeft begaan?’

Veel liever praat hij over zijn wens om basketballer te worden, liefst in de Verenigde Staten. Hij wil er op een legaal visum heen, maar ja, ‘een paspoort kost 25 dollar, plus de 250 dollar die nodig is om de ambtenaar die je het document kan verstrekken om te kopen.’ De gemiddelde Liberiaan, zegt Edward, verdient minder dan 1 dollar per dag. Een zak rijst, waar een familie drie weken van kan leven, kost 23 dollar.

Een paar kilometer terug, in het aandoenlijke museum in het centrum van Monrovia, de stad die in de 19de eeuw werd gesticht door bevrijde zwarte slaven uit de Verenigde Staten, zijn foto’s van de burgeroorlogen op de muren geprikt. We zien dronken kindsoldaatjes op de bruggen van Monrovia, schreeuwend en schietend. Kleine mannetjes zijn het, met rastahaar en grote basketbalschoenen, omhangen met patroonriemen.

In het museum ook een vitrine met ontmantelde granaten, de rechterschoen van de maffe rebellenleider Prince Johnson, een oud schilderij met twee vroege president van Liberia, plus John F. Kennedy en Abraham Lincoln. Het hoofd van Kennedy is met een mes bewerkt. ‘Door rebellen’, zegt museumbewaker Lamie Taweh, die zelf tijdens de laatste burgeroorlog naar Ivoorkust vluchtte.

Het museum, onlangs wit gesausd en daardoor een baken van netheid in een zwartgeblakerde en kapot geschoten omgeving, staat aan Broad Street. Voor het museum staat een beeld met soldaten, met daaronder de cryptische tekst: Even Wars Have Limits.

Voor de goede waarnemer is nog iets te zien van het Monrovia van voor de staatsgrepen en oorlogen. Een mondaine stad van villa’s moet het geweest zijn, vol restaurants, lommerrijke lanen, bioscopen, kerken en een klassieke tempel van de vrijmetselarij. Helaas, allemaal kapot geschoten, in dit mislukte land waar 86 procent van de bevolking werkloos is, waar de gemiddelde vrouw mag verwachten dat zij 42 wordt en waar een man de 39 niet haalt.

Aan het eind van Broad Street, waar in februari tussen de rijstroken een grasperkje werd aangelegd om de bezoekende Chinese president Hu Jintao te plezieren, rijd je omhoog, een statige heuvel op. Het zou een mooie route zijn, ware het niet dat het vuil metershoog tussen de bomen ligt. Aan het eind van de weg staan de resten van het Continental Hotel, waar krakers de hotelkamers tot voor kort bezet hielden. Het zwembad is leeg. Aan de rand houden blauw gehelmde Nigeriaanse VN- soldaten de wacht, in hun buurt scharrelen jonge prostituees.

Ooit hebben hotelgasten hier, met een cocktail in de hand, vanaf hun ligbedden over de Atlantische Oceaan uitgekeken. Beneden palmbomen, daarachter de witte branding en het blauwe water. Rechts liggen de slums van West Point, daarachter de haven van Freeport. Mooie stranden zijn er van hier te zien, maar in de wetenschap dat daar vele executies plaatsvonden, zal het er nooit meer prettig zonnebaden zijn.

Beneden neemt Philip N. Broptek de buitenlandse bezoeker mee door West Point. Hij is elektricien, 38 jaar oud, en werkt parttime als coach voor Right To Play, de organisatie van schaatskampioen Johann-Olav Koss. In de vroege avonduren, als het zand niet meer zo heet is onder de voetjes, laat hij de door de oorlogen getraumatiseerde kinderen spelletjes doen op het strand. Spelletjes met een doel, om kinderen bewust te maken van het gevaar van aids, het belang van tolerantie, van gelijkheid tussen jongens en meisjes.

Philip neemt de bezoeker eerst mee naar de plek aan de lagune waar de lange houten, in Ghana gebouwde vissersboten aanmeren, en waar de gevangen haring boven grote zwarte vaten gerookt wordt. Even verder wordt een grote haai in stukjes gehakt, een pijlstaartrog wacht een zelfde behandeling. In een strooien hutje, net achter het haventje, is een bioscoopje ingericht. Op het programma: Never Die For Love en Kingdom Of Heaven.

Verderop staat de Solomon- school. Kinderen gaan in de hutjes in ploegen naar school. Er is een gebrek aan leerkrachten, buiten wachten kinderen op hun lessen, binnen zitten scholieren op afgedankte accu’s het alfabet te leren. A,b,c, roepen de kinderstemmetjes braaf. Aan alles is een gebrek, aan boeken, schriften, stoelen, pennen, maar het is aandoenlijk om te zien hoe serieus de kinderen de lessen nemen.

Leraar Mark Elton vertelt dat de ouders van de kinderen 1 dollar per maand schoolgeld moeten betalen. Geld dat er vaak niet is. ‘Ik krijg geen salaris’, zegt de beminnelijke onderwijzer. Ja, hij kan lezen en schreven, en dat is best opmerkelijk in een land waar ook een deel van de onderwijzers analfabeet is.

Philip vertelt dat hij tijdens de presidentsverkiezingen van 2005 op voetballer George Weah heeft gestemd, die het echter aflegde tegen Ellen Johnson-Sirleaf, de eerste vrouwelijke president van Afrika. Philip: ‘Ik had eerst mijn bedenkingen, maar ze doet het goed. Ze beloofde elektriciteit en stromend water, en dat is er nu deels in West Point. ’s Avonds branden hier weer straatlampen en is het weer wat veiliger in de steegjes.’ Particuliere huishoudens kunnen zich overigens geen stroom veroorloven. ‘Te duur.’

Ja, als elektricien kan hij bij de opbouw van zijn vaderland een mooie toekomst tegemoet zien, als het tenminste rustig blijft. ‘Ik had laatst een klus van drie weken die me 200 dollar opbracht.’ Hij kocht een mobieltje en is nu ook beter bereikbaar voor potentiële klanten, zelfs in West Point, waar nauwelijks een vaste telefoonlijn is te vinden.

Philip gaat met zijn rode Right To Play-bal naar het brede strand. Het is tijd om met de kinderen spelletjes te gaan spelen. Het zand van het strand, dat tijdens de vele staatsgrepen en burgeroorlogen als executieterrein en begraafplaats (‘vaak vinden we nog schedels’) werd gebruikt, is niet langer te heet. Een hele schare kindertjes volgt Philip naar de kustlijn.

Om de hoek, achter het stoffige voetbalveldje waar Van Nistelrooij en Bergkamp nog steeds onvermoeibaar heen en weer draven, schraapt Edward de laatste restjes rijst en vis van zijn bord.

We nemen afscheid. ‘Heb je hier vandaag slechte mensen gezien? Nee? Ga dan terug naar jouw land en vertel dat Liberia een goed land is.’

12VeRe*streamer

04BUfeature_maandag04_ph01

Kinderen spelen op een veldje bij Monrovia (foto links). Het spel staat onder leiding van een speciale coach van de hulporganisatie Right to Play. Vissers maken hun boot klaar voor het uitvaren (bovenste foto). In de sloppenwijk West Point wordt een bus ingeladen met daarop een doodskist in de vorm van een auto. Een inwoner maakt er met zijn mobiele telefoon foto’s van.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden