Kinderopvang moet anders

Nederland is opgeschrikt door grootschalig seksueel misbruik van kleine kinderen. Deze kinderen waren door hun ouders aan crèches toevertrouwd. Met het misbruik van de kinderen is dus ook het vertrouwen van de ouders geschonden. Het toezicht van de GGD zou gefaald hebben, de politie had eerder moeten ingrijpen, meer controle en meer verklaringen van goed gedrag zouden noodzakelijk zijn. Maar over de kwaliteit van de kinderopvang, van de protocollen en het personeel worden geen vragen gesteld. Dat zou wel moeten. Het is twijfelachtig of de aanbevolen maatregelen wel voldoende zijn om het vertrouwen te herstellen.


Er is iets fundamenteel verkeerd met de manier waarop kinderopvang is geregeld. Nederlandse kinderdagverblijven zijn commerciële ondernemingen. Ze worden als bedrijven opgericht. Om een crèche te beginnen, hoef je niets van kinderen te weten en heb je geen speciale kwalificaties nodig. En blijkt de ene vestiging een commercieel succes, dan loont het nog een paar extra filialen te starten.


Het zijn verhoudingen waarbij een manier van denken hoort die sterk economisch is gekleurd. Zo meldde de Volkskrant van 2 juni dat de kinderopvang in Nederland een gemakkelijke prooi dreigde te worden van Angelsaksische investeerders die uit zijn op snelle winst. Die interesse van opkoopfondsen in de kinderopvang is niet verwonderlijk. Volgens de verwachtingen van de Taskforce Kinderopvang wordt de markt voor kinderopvang, crèches en buitenschoolse opvang alleen maar groter.


Deze retoriek heeft iets ongemakkelijks omdat het over kinderen gaat. Het economische denken is zo wijdverbreid geraakt dat het intrinsiek menselijk lijkt te zijn. Dat is het niet.


Kinderdagverblijven hebben het ongeluk dat ze pas echt zijn gaan groeien in een periode waarin de magie van de markt hoogtij vierde. Pas met de invoering van de Wet op de kinderopvang in 2005 is vastgelegd dat de collectieve verzorging van kleine kinderen het best op de markt kan plaatsvinden. Daarmee is de gedachte losgelaten dat die verzorging, als een collectief goed, vergelijkbaar is met onderwijs. In een samenleving die zich als kenniseconomie presenteert, is dat met een verbazingwekkend gemak gebeurd. Als er één voorziening een publieke voorziening zou moeten zijn, dan toch wel de verzorging van kleine kinderen. Dat is ook waar de WRR in zijn rapport De verzorgingsstaat herwogen (2006) op heeft ingezet. De raad besteedt een paragraaf aan het belang van goede voorschoolse educatie. Daarover bestaat internationale consensus. Crèches zijn het voorportaal voor het onderwijs. Daar wordt de basis gelegd van waaruit kinderen zich in het onderwijs kunnen ontwikkelen. Kwalitatief goede kinderopvang is dan ook een geschikt middel om kinderen uit lagere sociaal-economische klassen meer kansen te geven. Ook kunnen ontwikkelingsstoornissen daar in een vroeg stadium worden gesignaleerd.


Het standpunt van de WRR wordt ondersteund door Esping-Andersen in Why we need a new welfare state (2002). De Nederlandse verzorgingsstaat vormt een antwoord op de sociale risico's uit de eerste helft van de twintigste eeuw. De sociale zekerheidsregelingen garandeerden dat kostwinners ook in tijden van werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid in hun levensonderhoud konden voorzien. Zij banden de armoede uit voor werknemers én voor hun vrouwen en kinderen.


Die kostwinnersregelingen kwamen in de jaren '70 en '80 onder vuur te liggen. Feministen wilden gaan werken en onafhankelijk zijn. Eerst moesten ze daarvoor strijd leveren. Maar vanaf de jaren negentig was dat niet meer nodig. Nieuwe sociale risico's dienden zich aan en het rapport Een werkend bestaan (1990) van de WRR vormde de opmaat voor een vrijwel kamerbrede consensus over het bevorderen van de arbeidsparticipatie van de Nederlandse bevolking. Om een verouderende verzorgingsstaat overeind te houden, om qua arbeidsparticipatie niet met concurrerende landen uit de pas te lopen en om de armoede in eenoudergezinnen te bestrijden. Ook moeders moesten betaalde arbeid verrichten. In dat politieke programma werden crèches niet opgericht met het oog op de belangen van kinderen, maar als arbeidsmarktinstrument.Toch verklaart dat nog niet hoe die voorzieningen voor kinderen in zulk economisch vaarwater verzeild zijn geraakt. Dat heeft te maken met het tijdstip waarop hier een behoefte aan crèches ontstond. In Nederland gebeurde dat pas toen duidelijk werd dat de verzorgingsstaat niet ongelimiteerd kon groeien. Bezuinigingen werden noodzakelijk geacht, en de ongewenste consequenties van een royale verzorgingsstaat kwamen in beeld. Die ontwikkelingen stimuleerden het geloof in de efficiency van de markt, en ook de kinderopvang moest eraan geloven.


Zijn de recente akelige gebeurtenissen in crèches een ongewenst neveneffect van kinderopvang waarin economisch gewin het hoogste goed is? Een stellig antwoord is niet mogelijk, maar commercialisering staat onmiskenbaar op gespannen voet met goede kwaliteit. De hang naar winst maakt de druk groot om met weinig, laaggekwalificeerd en goedkoop personeel genoegen te nemen, met alle risico's van dien.


De schrik over het misbruik maakt dit een geschikt moment om na te denken over de vraag aan welke voorwaarden goede collectieve kinderzorg moet voldoen. Kinderopvang moet meer zijn dan een instrument om moeders aan het werk te krijgen. Goede arrangementen voor kleine kinderen bieden pedagogische en educatieve mogelijkheden en behoren dan ook onderdeel te zijn van het ontwikkelings- en onderwijsbouwwerk. Goed opgeleide en goedbetaalde verzorgers zijn belangrijk, en kinderopvang behoort een publieke voorziening te zijn.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden