Kinderlijke juf zonder klas

In het werk van Rascha Peper is het kinderboek nooit ver weg. Ze beleert, moraliseert en trakteert de lezer op talloos veel weetjes....

Twaalf titels inmiddels, en nog steeds is de lerares in Rascha Peper (1949) springlevend. Voor de klas staat ze niet meer. Al jaren niet. Maar in haar proza richt zij zich alsnog tot haar leerlingen. Die moeten van alles bijgebracht worden. Wat Esperanto is bijvoorbeeld. Waar de tijd blijft als je van hier naar Rusland vliegt. Of dat het leven voor kinderen in de 18de eeuw pittiger was dan vandaag de dag, en dat er simpele ziektes waren waaraan je zomaar kon overlijden.

In Vingers van marsepein leert Peper ons over de beroemde anatoom Frederik Ruysch, die begin 1700 aan de Bloemgracht in Amsterdam praktijk hield. Ruysch ontwikkelde een techniek om menselijk weefsel te prepareren. Teneinde het preparaat zo natuurlijk mogelijk te laten lijken, spoot hij rode was onder de huid. Peter de Grote, verzamelaar en kunstliefhebber, raakte danig onder de indruk en nam een aantal preparaten op in zijn kunstcollectie. Tot op heden kunnen die bewonderd worden in Sint-Petersburg. De embryo’s, Siamese tweelingen, misgeboorten, gewone dode kindertjes, handen van misdadigers, longweefsel zwevend in glazen potten; het is er allemaal te zien.

Het kijken naar de dode kinderen levert de toeschouwer meteen het besef op dat ze niet echt dood zijn, onder de grond en begraven, maar iets tussen dood en leven in. Dit gegeven spreekt op zichzelf al zo tot de verbeelding, dat een auteur er alle kanten mee uit kan.

Peper koos voor een dubbellijnige, historische roman. In de vroege 18de eeuw volgen we de 10-jarige Brechtje die na de dood van haar ouders en broer is opgenomen in het gezin van haar oom en tante, de familie Ruysch. In het heden volgen we de eveneens 10-jarige Benjamin, kind van gescheiden ouders, broer van een dood zusje. Het spiegelt flink.

Gemeenschappelijk in beide verhaallijnen is dat veel van die dode familieleden in gedáchten geprepareerd zijn: zo wordt in het huis van Benjamin de kamer van het dode zusje nog altijd gestoft en gelucht alsof ze er gewoon is. En meent Brechtje dat haar broer Rense de hete koorts, waaraan alle anderen zijn overleden, toch heeft overleefd en nu bij een boer werkt. Tot deze gedachte wordt ze aangezet door een jaloerse vakgenoot van oom Ruysch. In ruil voor fictieve informatie over Rense wil deze vakgenoot het geheim van Ruysch’ preparatiekunst weten.

Een intrige als in een kinderboek. Het kenmerkt deze auteur. Het kinderboek is nooit ver weg in het werk van Rascha Peper; het wil altijd beleren, geeft ons altijd een moraal mee, en trakteert ons op jaargangen Kijk-weetjes. Boek na boek. In Vingers van marsepein haalt de auteur zelfs een paar tekstfragmenten aan uit wat vorig jaar het beste kinderboek aller tijden werd genoemd: Brief voor de koning (1962) van Tonke Dragt. Over de jonge ridder Tiuri, z’n helper Piak en de vuilak Slupor en z’n trawanten, die in een eindeloze reeks doffe passages in een mistig bos achter elkaar aan sluipen. Benjamin leest dit boek. Hij vereenzelvigt zich aan het eind van de geschiedenis met Tiuri. Leuk eerbetoon aan Tonke Dragt, maar het zijn volstrekt overbodige passages.

Het kinderboekenheldendom ligt er namelijk al duimdik bovenop. Niet door het perspectief, dat bij de kinderen ligt – er zijn tenslotte genoeg romans voor volwassenen waarin kinderen uitstekende hoofdrolvertolkers zijn –, maar door de voorspelbaarheid en de vele stereotiepen.

Peper betoont zich bijvoorbeeld een waardig concurrent van Paul van Loon – geestelijk vader van kinderboekenheld Dolfje Weerwolfje – als ze de jaloerse vakgenoot beschrijft, ‘een gedaante in een zwarte jas en met een zwarte hoed’, en dan ook nog met ‘een rij gele tanden’.

Wanneer Peper ternauwernood weet te ontsnappen aan het vaste woordenpaar ‘geheimzinnige onbekende’, vraag je je af of de schrijfster zelf te veel Suske en Wiske heeft gelezen of doelbewúst mikt op een publiek van 10- tot 15-jarigen. Even ergerlijk is Pepers niet te beteugelen hang naar het magisch realisme, de eeuwige tienerfavoriet (alsof Joachim Stiller niet op sterven na dood is).

Dat levert aandoenlijke passages op waarin de geest van Benjamin wordt ‘opgetild door een golfje tijd dat hem meevoerde’. Zo gaat hij Europa door, in een ‘nieuwe gedaante’. En een meisje zweeft met hem mee.

Thematisch sluit Pepers werkwijze mooi aan: wie jeugdige lezers heeft, weet zich geprepareerd. Eenmaal op de leeslijst voor middelbare scholieren ben je er nog niet één, twee, drie van af. Maar voor een volwassen lezer is het kinderlijke voorstellingsvermogen van de juf zonder klas heus te veel van het goede.Daniëlle Serdijn

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden