Column

Kinderkleertjes aan het prikkeldraad

Mensen lopen tijdens 'de mars van de levenden', april 2015, van Auschwitz I naar Auschwitz II-Birkenau. Beeld epa
Mensen lopen tijdens 'de mars van de levenden', april 2015, van Auschwitz I naar Auschwitz II-Birkenau.Beeld epa

Toen mijn vader stierf, nu zestien jaar geleden, was er veel reden tot verdriet, van de snelheid waarmee de ziekte door zijn lijf jakkerde tot de vernedering van een maaltijd door een rietje en de verwarring die hoort bij een gearrangeerd einde. Maar het ergst vond ik misschien nog wel dat ik de dag erna gewoon weer een boterham stond te smeren, een boterham met kaas, jong belegen, net als altijd.

Ik veegde zelfs het aanrecht aan.

Hoe kón dat?

Even daarvoor had ik hem uitgezwaaid, mijn vader, van wie niets meer over was, uitgeteerd, opgevroten, ik had de contouren van een doodshoofd gezien dat nog probeerde te lachen, troostend, bemoedigend, het is goed zo, ga maar. Ik had de deurbel gehoord, de schrik gevoeld, de dokter gezien, de minuten geteld, wétend wat er ging gebeuren, wachtend op zijn verlossing en op mijn verdriet - hoezo at ik überhaupt nog, óóit nog?

Omdat ik trek had, en de banaliteit ervan overviel me, ergerde me, ik schaamde me er zelfs voor. Alsof dát er nog toe deed.

Vorige week bezochten de Man en ik Krakau en dus ook Auschwitz, een verzameling concentratie- en vernietigingskampen in Polen waar ongeveer 1,1 miljoen mensen de dood vonden. In het City Tours-busje dat ons die ochtend voor 125 zloty ('best price!') naar 'the epitome of darkness' reed, werd een film vertoond waarin de horror van de holocaust zonder censuur in beeld werd gebracht - maar de zon zinderde en de weg hobbelde, en het duurde niet lang voordat de Britse toeriste naast mij tegen mijn schouder in slaap viel.

In het stadje Auschwitz, Oswiecim in het Pools, passeerden we de McDonald's, de Hennes & Mauritz en de Carrefour. In het kamp zelf troffen we meer mensen zoals wij, getooid in T-shirts en met fototoestellen, de zonnebrand nog wit op de neus. In het entreegebouw van het museum, op de plek waar ooit de gevangenen werden kaalgeschoren, ontluisd en getatoeëerd, zaten een restaurant, pinautomaten, wc's en winkeltjes. En tussen de spoorrails, de barakken en de wachttorens schoot het groen hoog op, weelderig, wild en gezond groen dat, nadat we waren overvallen door een korte plensbui, nog heerlijk rook ook.

Wat had ik dan verwacht? Dat de zon hier nooit meer zou schijnen? Dat op dit schuldige landschap niets meer wilde groeien? Dat Auschwitz voor eeuwig het Auschwitz zou blijven van de film? Eigenlijk wel, ja, zoals je ook hoopt dat niemand meer een liefde vindt als die van jou eenmaal stukloopt. Zoals het rechtvaardig voelt om op 4 mei twee minuten stil en somber te zijn. En zoals je zou willen dat de aarde stopt met draaien als je vader dood gaat, op z'n minst voor éven.

Jammer dan.

Direct na de oorlog gebruikten de Polen het hout van de barakken voor het herbouwen van hun huizen. In Auschwitz dragen Amerikaanse meiden broekjes waar hun billen onder vandaan komen. En die avond maakte ik me gewoon weer druk om een mailtje van een opdrachtgever.

Primo Levi, die Auschwitz overleefde, beschreef in zijn indrukwekkende boek Is dit een mens hoe moeders in de nacht voor hun transport nog druk in de weer waren met luiers, speelgoed en kussens, en hoe het prikkeldraad toen het licht werd vol hing met kinderkleertjes die waren uitgehangen om in de wind te drogen. 'En wie zou anders doen? Als ze jou morgen met je kind ter dood zouden brengen, zou je het dan vandaag geen eten geven?'

Reageren?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden