‘Kijken doe je met je handen’

Jan Six XI (29) komt uit een familie voor wie kunst net zo vanzelfsprekend is als ademhalen. De verre voorvader van het afdelingshoofd Oude Meesters bij Sotheby’s werd geschilderd door Rembrandt, zelf ontdekte hij een werk van de meester....

De receptionistes wilden niets loslaten, alleen dat hij naar een ‘extreem belangrijke afspraak’ is. Jan Six (29), afdelingshoofd Oude Meesters bij veilinghuis Sotheby’s, komt drie kwartier te laat aanwaaien, maar slaagt er niet in de verrukte glimlach op zijn gezicht te onderdrukken. ‘Sorry dat ik te laat ben’, zegt hij, terwijl hij het zaklampje dat hij nog in zijn hand heeft op tafel legt. ‘Maar de Rembrandt is net aangekomen in Nederland. Waanzinnig gewoon, zo mooi.’

Met dé Rembrandt bedoelt hij De Lachende Rembrandt, het schilderij dat hij acht maanden geleden op basis van een paar digitale foto’s tot een zelfportret van Nederlands beroemdste schilder bestempelde. Het werk is net in Amsterdam gearriveerd en Six kan zijn opwinding met moeite verbergen.

Voluit heet hij Jan Six XI. Zijn haar is veel donkerder, maar zijn blik en houding verraden de rechtstreekse band met Jan Six I (1618-1700), de koopman en kunstliefhebber die door Rembrandt in 1654 werd vereeuwigd op een zodanig levendig portret dat veel kenners het beschouwen als het beste werk dat de schilder ooit afleverde. De vriendschapsband tussen de mecenas en de meester zou daarbij geholpen hebben.

Toen jij als Jan Six nummer elf met een nieuwe Rembrandt aan kwam zetten, overheerste aanvankelijk de scepsis in de kunstwereld.

‘Bijna iedereen, zelfs mijn eigen baas, zei: weet je het wel zeker? Sommigen dachten: laat dat jochie uit die familie het eerst maar eens waarmaken. Dat begrijp ik ook wel, ik zou misschien hetzelfde denken.’

Maar Six hield voet bij stuk. ‘Ik zag op de foto’s die mijn Engelse collega me doormailde dat het gesigneerd is met RHL – Rembrandt Harmenszoon Leidensis, de afkorting die Rembrandt in 1628 in zijn Leidse tijd gebruikte. En zo helder, het was praktisch onmogelijk dat het niet van hem was.’

Na uitgebreid onderzoek verklaarde Rembrandt-expert Ernst van de Wetering het schilderij in februari van dit jaar echt. Op de persconferentie daags na dit interview onthulde de hoogleraar kunstgeschiedenis dat zich onder het portret zelfs nog een andere schildering van de meester bevindt. Diezelfde Van de Wetering belde hem net op om te komen kijken, vertelt Six op het terras van het café bij Sotheby’s. ‘Jij stond ten slotte aan de basis van de ontdekking, zei hij. Dus toen ben ik meteen in een taxi gesprongen richting Rembrandthuis.’

Daar heeft hij het schilderijtje ook vast mogen houden. ‘Kijken doe je niet alleen met je ogen, maar ook met je handen.’

Opnieuw die verzaligde glimlach, terwijl hij met zijn handen een rechthoek van ongeveer 20 bij 15 centimeter uitbeeldt: ‘Het is maar zo groot. Maar zó onvoorstelbaar mooi. Ik scheen met mijn zaklampje op de donkere delen – die barsten het eerste door de ouderdom – en je zag heel helder het craquelépatroon van de verf. Ik zei tegen Ernst: je hebt toch zand in je ogen als je niet ziet dat dit 17de-eeuws is?’

De familie die het schilderij verkocht, had het al zolang ze het zich kon herinneren in de hal hangen. ‘Ze had het aangeboden voor duizend pond bij een regionaal veilinghuis dat normaal tractors verkoopt. Ze hadden werkelijk geen enkel idee.

‘Alle belangrijke handelaren waren uiteindelijk met die veiling in Engeland bezig, maar er was maar één iemand die durfde dóór te gaan en en 2,2 miljoen pond bood. Ik denk dat de actuele waarde veel hoger ligt. Hij heeft dus een koopje gedaan.’

De Lachende Rembrandt is nog twee weken te zien in het Rembrandthuis, dan neemt de nieuwe eigenaar het mee. Ga je deze weken elke dag langs?

(glimlacht) ‘Nee, maar wel nog een paar keer. Een keer met wat vrienden en een keer met mijn vriendin. Die heeft het hele proces meegemaakt. En een keer met een maatje in het bijzonder, die me steunde toen alle anderen nog twijfelden.’

Worden er vaak nieuwe Rembrandts ontdekt?

‘Nee, eens in de tien jaar of zo. En zo uit het niets: ik denk eens in de vijftig jaar misschien. Er zijn natuurlijk Rembrandts die herontdekt worden, die al eens waren toegeschreven of een keertje overschilderd, die daardoor al bekend waren. Dit werk niet. Dat is echt uniek.’

Als tiener al gaf Six – Jan genoemd, net als de tien generaties oudste zonen vóór hem – rondleidingen voor hoge gasten in zijn ouderlijk huis, een monumentaal pand aan de Amstel dat meer dan vierduizend kunstvoorwerpen bevat, waaronder werk van Michelangelo, Frans Hals, Ferdinand Bol, Govert Flinck en Jacob Van Ruisdael. Ooit had de familie nog meer topwerken als het Oestereetstertje van Jan Steen en het Melkmeisje en het Straatje van Vermeer in bezit, maar een deel van de collectie werd in de jaren twintig verkocht om de successierechten op andere stukken te betalen, een stichting op te zetten en het peperdure onderhoud van het gebouw en de collectie te financieren. Desondanks heeft de Six Stichting nog altijd een van de indrukwekkendste privékunstverzamelingen in Europa. Met als pronkstuk, al 350 jaar op dezelfde plek hangend: het beroemde portret van stamvader Jan Six I. Six nummer elf noemde het ooit ‘een 17de-eeuwse Polaroid’.

‘Nu geven vrijwilligers de rondleidingen. Als tiener leerde ik er veel van, maar ik zou het nu alleen maar vervelend vinden als iemand me in mijn ouderlijk huis zou gaan uitleggen wat die schilderijen voorstellen. Dat weet ik nu langzaamaan wel.’

Was je, doordat je in de familie Six bent opgegroeid, voorbestemd om in de kunst te gaan?

‘Een beetje wel natuurlijk. Maar die familienaam van me is geen garantie voor succes. Heel veel neven en nichten en zelfs mijn eigen broertje zijn er veel minder mee bezig. Ik keek thuis de hele tijd naar de schilderijen, terwijl mijn broertje buiten brommertjes uit elkaar zat te halen. (glimlacht) Dat was een hele andere wereld. Hij heeft een tijdje een ict-bedrijf gehad, daarna boten gebouwd, en nu heeft hij een consultancybedrijf.

‘Het moet je ook een beetje liggen natuurlijk. Wij zijn jonge mensen en de hele dag binnen in een bibliotheek naar bruine schilderijen kijken is niet het meest sprankelende wat er is. Je moet er wel voor openstaan, en dat zit in je of niet.

‘Vroeger wilde ik filmregisseur worden, ik wilde me zelfs aanmelden bij de Rietveld Academie. Maar toen ik bedacht wat ik nu zo leuk vind aan films is dat niet zozeer het regisseren, dan wel director of photography zijn. Ik vind de compositie erg belangrijk. En dat komt uit mijn jeugd. Ik heb leren kijken of een compositie klopt, of ze mooi uitgebalanceerd is. Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis heb ik stage gelopen bij een kunsthandelaar in Parijs en daarna een tweede stage bij het Amsterdams Historisch Museum, een jaar lang.’

Je ouders hebben je nooit aangespoord?

‘Ze vonden dat ik m’n eigen keuzes moest maken. Mijn vader zei wel: je hóéft helemaal niets met kunst te doen, maar het is wel handig als je een beroep kiest dat er iets mee te maken heeft, want anders wordt het lastig om te combineren als je later met de collectie te maken krijgt. Daar moet je toch dingen voor regelen, werken laten schatten of laten restaureren. Je kunt er wel je ogen voor sluiten en iets compleet anders gaan doen, maar dan wordt het lastiger om dingen voor elkaar te krijgen later.

‘Mijn ouders hebben een eigen reclamebureau dat kunstboeken uitgeeft en reclame voor musea ontwerpt. Zo kennen zij ook mensen in de kunstwereld. In mijn beroep is het natuurlijk nog makkelijker. Ik ken nu al veel mensen, het is echt een klein wereldje.’

Was werken in een museum niets voor jou?

‘Als je een museum vergelijkt met een veilinghuis vind ik het saaier. De collectie van een museum is vrij statisch. Eens in de zoveel jaar koopt een museum een nieuw werk aan, en dan denk je: wow. Maar het hele museum denkt dan wow, dus dan word jij vast niet diegene die daar iets mee te maken krijgt.

‘Bij een veilinghuis zie je heel veel schilderijen, daarom heb ik hier gesolliciteerd. Sotheby’s heeft me meteen naar Londen gestuurd omdat ik nog zo jong was, nog geen verantwoordelijkheden had. Ze zeiden: als je het dan een beetje kan, halen we je terug. Ik vond het allemaal fantastisch natuurlijk. Ik heb twee jaar in Londen gewerkt. Daar heb ik de basis geleerd. Gewoon meteen de eerste dag, de kelder in en catalogiseren. ‘Hier is een schilderij, en ga maar bedenken wat het is.’ En dan maar zoeken natuurlijk. Ik heb in die jaren duizenden schilderijen gecatalogiseerd.

‘Het is allemaal niet zo glamoureus als het lijkt, je moet over veel uithoudingsvermogen beschikken. Er passeert veel rommel voor je een interessante ontdekking doet. Maar ik ontdek altijd wel onverwachte kanten aan een schilderij. En dan zie je mensen echt denken: waar hééft-ie het over? Maar als het dan gerestaureerd is, zeggen ze: o ja.’

Is er een verschil in bedrijfscultuur tussen Sotheby’s Londen en de afdeling in Amsterdam?

‘Jaháá, het is heel anders. Nederland is een land dat in vergelijking met Engeland niet zoveel risico’s durft te nemen. Als je hier je nek uitsteekt, vinden mensen het vreemd dat je zo je best doet, dan lijkt het misschien wel alsof zij niet hun best doen. Er heerst veel meer een gemeenschapscultuur. In Londen moet je hartstikke ambitieus zijn, keihard werken, anders lig je eruit. Die hele mentaliteit is anders, het is vechten of wegwezen. Dus toen ik terugkwam, dacht ik: hier kunnen dingen veranderen, dit kunnen we veel grootser aanpakken. Ik wilde de veilingen oppeppen. Niet altijd het kleine broertje zijn.

‘Als je een schilderij ontdekt dat een miljoen kan opbrengen, dan moet je dat veilen waar de meeste miljonairs wonen. Dan is het logisch dat je het naar Londen of New York stuurt. Maar omdat die markt zo internationaal is, zou je een schilderij ook in Madagascar kunnen verkopen. Als je het maar goed adverteert komt iedereen toch opdagen. Dus ik heb in Londen wel duidelijk gemaakt: ik wil het doen in Nederland, maar ik wil wel dat het niveau van de te verkopen werken omhooggaat. Na een jaar ben ik afdelingshoofd geworden, en ik maak iets andere keuzes dan mijn voorgangers. Ik ben wat feller bij het business getten, het spullen binnenhalen, ik adverteer iets agressiever, onze catalogi zijn wat glamoureuzer geworden, ik zet de waardeschattingen bij potentieel dure werken iets hoger in, geef lezingen en zeg bijna nooit nee tegen interviews. En dat werkt best. Mijn collega’s in Londen en New York zien nu ook wel dat Amsterdam een functie heeft om de middenmarkt goed te grijpen.

‘Als je naar het buitenland kijkt waar schilderijen van honderd miljoen verkocht worden, zijn wij natuurlijk heel klein. Maar het is wel belangrijk dat je het verschil wil maken. Ik wil dat het kunsthandelsklimaat in Amsterdam sterk wordt, dat de stad een meer internationaal karakter krijgt. Niet dat Amsterdam de stad blijft waar je een jointje kan roken en naar de Nachtwacht komt kijken, maar laten zien dat er ook meer gebeurt.’

Hij toont een vierkleurendruk catalogus van de laatste veiling op 7 mei. ‘De richtprijs van deze set van vier schilderijen van Sebastiaan Vranckx, volgeling van Pieter Brueghel, was 250 duizend euro, maar het is uiteindelijk verkocht voor meer dan een miljoen. Dat is dus vier keer zoveel als geschat. Als je deze vier seizoenen als een Gesamtkunstwerk beschouwt, is dit het tweede duurste schilderij dat ooit in Nederland geveild is.’

En het duurste heb jij ook ontdekt en geveild, een jaar eerder.

‘Inderdaad, dat schilderij van Jan Lievens (tijdgenoot en bekende van Rembrandt, red.). Op zo’n moment ga je door het dak. Ik kwam binnen en die meneer zei: ja, ik weet het niet hoor. Ik het trappetje op, het stof weggeveegd van dat schilderij dat boven een kast hing. Lampje erop, en ik zag dat het met IL gesigneerd was. (grijnst weer bij de herinnering). Wááúw. Ik ging de trap af, schudde zijn hand en zei: meneer, we kunnen veilen, 150 duizend euro. Die man schrok zich helemaal rot, hij sprong echt een gat in de lucht. En mijn collega, die naast me stond: ‘Ja-hán?!’ Uiteindelijk werd het verkocht voor 1,7 miljoen euro.’

Hoe kom je zo’n schilderij op het spoor?

‘Mensen bellen ons op. Het merendeel van de aanbiedingen zijn een soort ingelijste placemats, waardeloos dus. Je vraagt of ze naar Amsterdam kunnen komen of een foto kunnen mailen. Maar als ze dat niet willen of kunnen – het zijn toch bijna allemaal oudere mensen – dan ga ik langs.’

‘In de meeste gevallen is het toch net niet de moeite waard. Maar je praat telkens met andere mensen over kunst, en daar leer je dan weer van.’

‘Het gebeurt gelukkig steeds minder, maar in het begin zeiden ze wel vaak: wanneer kan ik een keer met uw baas praten? En dan moest ik zeggen: sorry, dit is het eindstation. De leukste reacties komen natuurlijk als je zo’n schilderij dan toch heel goed verkoopt. Daar doe je het ook voor.’

Six drong er tijdens zijn opleiding kunstgeschiedenis op aan om ‘veilinglessen’ te krijgen. ‘Naar een veilinghuis gaan, catalogi doornemen, kunst kijken en aanraken. Maar dat wilden de docenten niet. Ze vonden dat veilinghuizen kunst slecht behandelen, aan jan en alleman verkopen die het allemaal maar kapot restaureren, dat ze lak hebben aan musea, de ware tempels van de kunst.’

‘Terwijl schilderijen niet geschilderd zijn voor een publiek lokaal waar per jaar een miljoen mensen doorheen stampen, maar voor een donker hoekje in de bibliotheek van de opdrachtgever. Daar hangt het aan de muur en wordt het zelden aangeraakt. En dat lijkt mij het beste. De meeste topwerken zijn in vorige eeuwen ook te vaak gerestaureerd, omdat iedere nieuwe generatie museumdirecteurs zijn stempel wilde nalaten.’

‘Ik zei tegen mijn medestudenten: hoe kan je nu zeggen dat dit schilderij van Rembrandt is als je er als kunsthistoricus nog nooit een hebt vast gehad? Als je nog nooit zo’n doek met een loep hebt bestudeerd? Of de achterkant onder ogen gehad? Als je niet begrijpt wat herbedoeken is, wat spanningguirlandes zijn? Maar zij zeiden: daar gaat het bij kunstgeschiedenis niet om. Het gaat om de geschiedenis van kunst, het culturele aspect, en niet zozeer om het object.

‘Dat vond ik lariekoek. Alle grote denkers in de kunst hebben wel degelijk naar schilderijen zitten kijken, die hebben zich na sluitingstijd dóódgestaard op al die doeken. Nu hebben we bij elke veiling masterclasses van de twee Amsterdamse universiteiten. Komen ze luisteren hoe je naar kunst moet kijken.’

Nu doen ze het wel.

‘Allemaal, en nu vinden ze het prachtig. Omdat ik ook gezegd heb tegen mijn vroegere docenten: jullie zijn welkom. Het is het belangrijkste dat er is: kijken doe je niet alleen met je ogen, maar ook met je handen. Net als met kleren of een auto: je kunt niet naar een paspop of een folder kijken en dan concluderen: het zit mooi, of het rijdt goed.’

Ben je eigenlijk ooit níet met kunst bezig?

‘Ik werk lang en reis veel. Ik ga vaak naar onze veilingen in Parijs, Londen en New York, heel soms ook naar Milaan. En ik heb de verantwoordelijkheid om in Duitsland, de Benelux en Noord-Frankrijk spullen binnen te halen, dus ik reis ook rond. Er is een jaar geweest dat ik meer dan zeventig keer heb gevlogen: dat is een à twee keer per week. Dat vond ik te veel, dan ben je echt gesloopt. Je kunt alleen nog maar eten op vliegvelden en in wegrestaurants, je leeft uit een koffer, je bent sneller aangebrand omdat je zo moe bent. Mijn vriendin zei op een bepaald moment ook: Hallo? Besta ik nog?

‘Maar als ik naar huis ga of op vakantie ben... hoewel, ik blijf wel een beetje met kunst bezig, op het internet iets controleren en zo. Dat moet ik afleren, ik merk dat ik soms gewoon doorwerk. Soms word ik midden in de nacht wakker met een idee over een schilderij of zo, en dat is niet goed. Eigenlijk een beetje gek. (lacht)

Verzamel je zelf ook kunst?

‘Ja absoluut. Moderne kunst. Het moet wel figuratief zijn, ik hou niet zo van klodders en klieders. Ik heb bijvoorbeeld net een bronzen beeld van een oude man gekocht, gemaakt door de 28-jarige Lotta Blokker. En ook een foto van New York op een lichtbak, gemaakt door Huub van der Loo.

‘Ik vind het leuk om te verzamelen omdat ik er helemaal niet bij hoef na te denken over de academische kant en ik ook niet verleid word door de spullen op het werk. Mijn vriendin is ook wat meer van de moderne kant. Ik kan haar hier makkelijker mee overtuigen, ze wil geen oude donkere vlekken aan de muur. (glimlacht) Die moet ik van haar op kantoor laten.’

Zoals de familietraditie wil, zal ook van hem ooit een portret geschilderd worden. Maar zijn favoriete hedendaagse portrettist, Lucian Freud, is al 85 en heeft ook laten weten het wegens tijdgebrek niet te willen doen. ‘Ik heb gelukkig nog tijd om iemand anders te vinden’, zegt Six. ‘Zo’n beeltenis wordt pas geschilderd als je ‘de tekening in je gezicht hebt’, zo rond je 40ste, 45ste. Daarna verander je niet meer zoveel. Als ik me nu laat portretteren, denken mensen over twintig jaar: wie is dat jochie? Op zo’n moment heb je ook geld genoeg om het te betalen, want een portret is duur. Relatief was het destijds goedkoper dan nu.’

Zijn vader heeft ook nog geen portret, maar daar zijn ze wel druk mee bezig. ‘Pap is net 60 geworden, hij moet dus nu hard aan de slag.’ (lacht)*

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden