Kijk maar, eet maar

Op de Italiaanse stillevens uit de zeventiende eeuw is het feest. Soms kun je de schilderijen nauwelijks nog stillevens noemen, zo druk is het....

Zelden zal het cultuurverschil tussen Zuid-Europa en Noordwest-Europa welsprekender en dus onthutsender tot uitdrukking zijn gebracht dan in de verschillen die er zijn tussen de zeventiende-eeuwse Italiaanse stillevens en die uit dezelfde periode in Nederland. Het gaat daarbij om een verschil in cultuur dat zich niet beperkt tot de compositie van een schilderij, de rangschikking van wat vers geplukte vruchten, dode dieren en een brood, of de wijze waarop je een ruiker bloemen kunt samenstellen, maar om iets dat aanzienlijk dieper zit en dat daardoor vermoedelijk aan veel meer raakt, op en buiten het schilderij. Niet alleen de bloemen, maar vooral ook de bloemschikkers zijn aanwezig op die schilderijen, niet de prooi, maar de jager.

Het begrensde iconografische en dus artistieke verschil van wat je ziet, staat voor een veel groter verschil in wat de grondtoon van een cultuur uitmaakt, voor een mentaliteitsverschil, kortom.

Enkele jaren geleden richtte het Rijksmuseum in Amsterdam een overzichtstentoonstelling in van het Nederlandse stilleven, vooral uit de zeventiende eeuw. Door heel Europa en vooral in Duitsland en Frankrijk zijn bovendien de afgelopen jaren verscheidene tentoonstellingen te zien geweest van individuele stilleven-schilders, ook meestal zeventiende-eeuws. Wie ze zag, is vertrouwd geraakt met de eigenaardigheden en karakteristieken van een genre zoals het zich binnen een afgebakend tijdvak in een bepaalde cultuur heeft ontvouwd of zich ontwikkelde onder de handen van een enkele schilder, een schilder die keer op keer het kind was van een begrensde cultuur met haar specifieke kenmerken en eigenschappen.

Met de tentoonstelling Natura Morta Italiana die nu in het Palazzo Strozzi in Florence is ingericht - en die begin van het jaar al in München te zien is geweest - wordt, waarschijnlijk onbedoeld, een antwoord gegeven op die eerdere Nederlandse, Franse en Duitse exposities. Dat antwoord is onthullend - en het stemt vrolijk.

Wat zou het leuk zijn als een van de vooraanstaande Europese musea in de naaste toekomst nu eens een grote tentoonstelling zou maken over het stilleven van de late zestiende- en de zeventiende eeuw als Europees verschijnsel, met alle markante en welsprekende verschillen die daarin tot uitdrukking komen. Zo'n tentoonstelling zou denkelijk interessante uitspraken mogelijk maken over de diep reikende cultuurverschillen en mentaliteitsverschillen tussen noord en zuid.

Wie het in eenregelige beweringen wil samenvatten kan die Amsterdamse tentoonstelling van destijds karakteriseren als 'alles is ijdelheid', terwijl de huidige Florentijnse aanhoudend oproept tot een 'wat zullen we vanavond eens gaan eten?'. Dieper kan een cultuurverschil zich niet uitdrukken, knijpen versus omarmen, onbehagen versus welbehagen, tweeërlei vorm van relativering, jawel, tweeërlei vorm van vermaan ook - maar met een wereld van verschil tussen die twee vormen: de een relativeert het welzijn, de ander de ernst, de een gedenkt te sterven, de ander te leven.

In Florence beginnen ze met Caravaggio, met de uitbundigheid en het demonstratieve van zijn jongelingen of klassiek-mythologische figuren die het weelderige puikje van de oogst komen binnenbrengen. Of het daarbij nu om fruit gaat of om bloemen, de essentie ervan is de presentatie van de hoorn des overvloeds: het kan niet op, en zijn Bacchus is daarom al danig in de olie. In die demonstratie van overvloed zit geen spoor van vermaan, van een vingerwijzing die er meteen een boodschap aan wil meegeven. Tegenover het Hollandse 'overvloed en onbehagen' staat een Italiaans 'overvloed en welbehagen' - en die hang naar overgave en genieten bepaalt de sfeer van het stilleven gedurende de volle twee eeuwen die erop volgen en dus gedurende de hele tentoonstelling.

Het is precies hetzelfde feest dat zich tot op de huidige dag ook afspeelt op een willekeurige Italiaanse levensmiddelenmarkt, droogte of niet, waar de koopman zijn best doet zijn waren zo sierlijk en aantrekkelijk mogelijk te presenteren. Niks kistjes rechtstreeks van de veiling op en rond een schragentafel, maar sierlijke bouwwerken van sinaasappels en artisjokken, geometrische patronen van peren en pruimen, guirlandes van knoflook en trostomaten. De oogst is er in de eerste plaats voor het oog - daarna komen meteen de tong en de maag aan de beurt. Het geweten staat daar buiten.

Bartolomeo Bimbi schilderde aan het eind van de zeventiende eeuw een omgevallen korf kersen, zo'n korf die je op je rug bindt en die wordt gebruikt bij het plukken. Er moeten honderden kersen op zijn schilderij te zien zijn, van allerlei verschillende variëteiten. Ze liggen erbij alsof die korf met beleid is omgekieperd, als een inventarisatie van mogelijkheden en in een moeite door als een uitnodiging tot proeven en vergelijken. De schilder heeft een uitstalling gemaakt, en in het ernstigste geval kan die beschouwd worden als een artistiek-filosofische poging tot de kern van het verschijnsel kers door te dringen - maar vermoedelijk gaat het hier louter om een enorme voorkeur voor kersen, om trek, om plezier. Dat is wat het schilderij suggereert.

En niet alleen het zijne. De stillevens van Giovan Battista Ruoppolo kunnen nauwelijks meer met recht 'stillevens' worden genoemd, zo'n drukte is het op zijn schilderijen. Stilleven met druiven, granaatappelen, vijgen, pruimen, perziken, bessen, meloenen, komkommers, appels en peren heet een van zijn werken. Dat leest niet langer als een titel of een aanduiding, maar als een inventaris of de geleidebon van de groothandel. En ook bij hem duidt de compositie op een aanbod: kijk maar, eet maar in plaats van het stil maar, wacht maar van het Hollandse vanitas-schilderij uit dezelfde tijd.

Bij Pietro Paolo Bonzi (peren en perziken) en Giovanni Battista Crescenzi (meloenen) is het al niet anders. Voorbereidingen op een maaltijd, op een avondje uitbundig genieten en zich te goed doen, daar gaat het om.

Op een schilderij van Michelangelo Cerquozzi is die onderliggende bewering zelfs expliciet gemaakt. Een bucolisch uitgedoste jongeman trekt de tak van een granaatappelboom waaraan de overrijpe vruchten hangen naar beneden en toont ze aan zijn hurkende geliefde. Op de grond liggen vijgen, druiven en de reeds geplukte granaatappelen - en de sensualiteit ligt voor het oprapen. Hier wordt niet geplukt van de boom van kennis van goed en kwaad, in dit paradijs wordt geen misstap begaan, van dit paradijs worden uitsluitend de vruchten geplukt. Geen geiler stemmend beeld dan dat van dit overrijpe fruit en van post-coïtale triestigheid, 'la petite mort', zal hier geen sprake zijn.

Het zegt veel dat er op de meer dan 250 schilderijen die in Florence bij elkaar zijn gehangen slechts één keer een schedel te zien is - en die ligt er dan nog zo achteloos bij dat je eerder aan jeu de boules denkt dan aan de vergankelijkheid van het menselijk leven. Zelfs de monnik die op een schilderij van Giacomo Legi bij de visboer een paar pond vis staat af te wegen is niet bezeten van de connotaties die het christendom aan vissen heeft gegeven (en dat zijn er legio), maar louter en alleen bezig met zijn eten. In zijn baard hangt een vermoeden van speeksel, in zijn ogen de boodschap van zijn maag.

Een hoogtepunt is in dat verband een uithangbord uit Florence, een van de drie die tentoon worden gesteld. Er is niets meer op te zien dan een broodje - maar het moet wel het allermooiste broodje uit de kunstgeschiedenis zijn. De schilder ervan is onbekend, al houden sommige kunsthistorici het erop dat Lorenzo Lippi de kunstenaar is, maar het broodje is een bewering. Op Hollandse stillevens uit de zeventiende eeuw komen ook nogal wat broden voor. Oud brood, veelal, hard en kaal. Hier ligt er een ruime vulling van prosciutto op: ziedaar het cultuurverschil. Het is dezelfde prosciutto die je op een schilderij van Cristoforo Munari ziet, naast een mooie bol witte kool: om te watertanden.

Zoals het met die vruchten en vissen gaat, gaat het ook met de bloemen. Elke vaas bloemen is welbeschouwd een sterfhuis van gecastreerde vegetatie. Afgeknipt, weggerukt, uit hun biotoop gehaald en in langzaam groen wordend water geplaatst, wachtend op de dood; langs de stelen trekt de stank omhoog. De bijbelteksten die een vergelijking maken tussen de kortstondigheid en broosheid van het menselijk leven en dat van de bloemen zijn uitentreure ter vermaning gebruikt, zeker in de zeventiende-eeuwse wereld van calvinisme en contra-reformatie.

Maar dat is hier niet de inzet. Astolfo Pettrazzi en Carlo Saraceni zijn schilders van de opsmuk, van de verfraaiing. Hun bloemen versieren het huis, hun schilderijen hebben een zuiver decoratief karakter.

Interessant is dat ze daarin aansluiten bij de voorgeschiedenis van het stilleven, of het nu om dat van bloemen, fruit of van dierlijke etenswaar gaat. Uit de opgegraven Romeinse villa's zijn de uitgebreide wandschilderingen bekend van bloemen, vruchten en dieren, aangebracht over hele wanden of als ornamentiek langs de zoldering of de lijsten van ramen en deuren. Het stilleven is daar geen autonoom genre dat al dat fraais en lekkers concentreert op een keurig afgebakend schilderij, maar opsmuk voor kamer en keuken. Pas aan het eind van de zestiende eeuw doet het zijn intrede in de schilderkunst als verantwoord onderwerp voor een paneel of een doek.

Maar die overgang moet, althans in Italië, via de renaissancistische imitaties van Romeinse voorbeelden gelopen zijn. In Florence zijn enkele van die antieke voorbeelden tentoongesteld, en elders in de stad zijn de navolgingen daarvan uit de renaissance overal terug te vinden. De stilleven-schilders van de late zestiende en de zeventiende eeuw maken de overstap van fresco naar olie op doek of paneel, maar het primaire decoratieve karakter van hun werk blijft gehandhaafd.

En het opmerkelijke is dat wat begon in decoratie er ook weer in eindigt. Op de late schilderijen van Carlo Maratta en Christian Berentz loopt de overdaad zodanig uit de hand, dat fruit en bloemen weer zuiver kleuren en vormen worden. Het is ermee als met de nouvelle cuisine - 'weinig eten voor veel geld' -, het gaat niet langer om het eten als lekker voedsel en om de bloemen als verfraaiing van de kamer, maar om de autonomie van kleuren en vormen. De granaatappelen en de meloenen op hun schilderijen zijn fijnzinnig opengesneden, kunstig bewerkt met een fruitmes. Ze zijn niet langer bedoeld om op te eten, maar om naar te kijken, de feestelijke maaltijd is een verkleedpartij geworden. In feite eindigt daar het stilleven als genre op zichzelf; het twintigste-eeuwse stilleven (de gitaren van Picasso en Braque, de flesjes en potjes van Morandi) is immers beter te beschouwen als een vorm van abstractie dan als een secure weergave van een reeks objecten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden