Kiezen uit overvloedig aanbod voor Boekenweek

Het Rijk van Insulinde, Maerlants wereld, de Verzamelde Gedichten van Hans Lodeizen, De mooiste verhalen van Julio Cortázar, Verhalen van Gabriel Garciá Márquez, het Dagboek van Klaus Mann - het lijkt een volstrekt willekeurige greep uit het overvloedige aanbod voor de Boekenweek....

Het is niet moeilijk het genoemde zestal uit te breiden met Klaarlichte dag van Anna Enquist, haar nieuwe poëziebundel; Magonische verhalen van Arthur Japin; Een kalender van gekkenlevens van Ermanno Cavazzoni; Goed boeren van Cato - u weet wel, de man die er maar op bleef hameren dat Carthago verwoest moest worden -; een tweede nieuwe vertaling van Rabelais' Gargantua en Pantagruel; de biografie van Anaïs Nin door Deirdre Bair - die ook het leven van Samuel Beckett beschreef -; Kolonel Chabert van Honoré de Balzac; De gevangenis van Cesare Pavese; Felacci, het debuut van Wim van de Woestijne, of Cambridge van Caryl Phillips, maar ook dan ben ik nog niet aan het eind van mijn Latijn.

Om te kunnen kiezen moet je in deze tijd van het jaar, als er zo veel nieuwe titels worden uitgebracht, eigenlijk al weten wat je zoekt, op gevaar af dat je steeds bij hetzelfde uitkomt. Hoe meer je gelezen hebt, des te kleiner wordt je boekenwereld. De veel-lezers zitten daar niet mee en gaan ongestoord hun gang. Net als degenen die zich beperken tot één genre (de thriller, de bouquet-reeks, beroemde verhalen). Ook de Toptien of de tv draagt aan het lezen bij. Er wordt altijd wel een boekje gesignaleerd dat gegarandeerd de verveling in de trein, in het vliegtuig of op het strand kan verdrijven, denkt men.

Maar tussen massaconsumptie en de literatuur voor 'enkele fijne luiden' gaapt een kloof. Hoe selecteert de nog nooit in kaart gebrachte, grote groep geïnteresseerden die graag leest en die de tijd ontbreekt om zich uitvoerig in een keuze te verdiepen, haar lectuur? Die gaat, denk ik, nog steeds vooral af op goedgeschreven en overtuigende recensies, een vorm van 'voorlichting' die niet hoog genoeg kan worden aangeslagen. In een recensie wordt een waardeoordeel gegeven, dat bepalend kan zijn voor het persoonlijke belang dat een toekomstige lezer vermoedt bij zo'n boek te hebben. Let wel, ik heb het over 'fictie', niet over 'non-fictie'. In de laatste categorie kan immers het onderwerp zelf de lezer al zo aanspreken dat hij bereid is een enigszins minder gunstig oordeel van deze of gene criticus voor lief te nemen.

Uiteraard is het allemaal nog ingewikkelder dan ik het hier beschrijf, want als we het hebben over de literatuur, dan zul je toch tenminste regelmatig die ene criticus op je pad moeten vinden, die meer terzake kundig is dan jezelf al denkt te zijn. Hoe slap en onduidelijk er soms gerecenseerd wordt, bleek vorige week weer eens toen alle vooraanstaande recensenten zich over 'de nieuwe Reve' bogen: Het boek van violet en dood. De vraag was natuurlijk: Moet je dat boek, na alles wat je van Reve de laatste jaren onder ogen hebt gehad, nu lezen of niet?

Er waren drie critici, die deze vraag volmondig met ja beantwoordden: Carel Peeters in Vrij Nederland, Theodor Holman in Het Parool en Arnold Heumakers in de Volkskrant. T. van Deel in Trouw vond er niets aan, aan Het boek van violet en dood (een titel overigens, Martin Schouten wees mij erop, die in 1922 al door Gustav Meyrink, de man van Der Golem, in een iets gewijzigde vorm werd gebruikt: Der violette Tod). Maar ook zo'n volmondig 'ja' zegt niet alles. Het gaat immers om argumenten en die werden op een overtuigende manier alleen door Peeters en Heumakers verstrekt. Holman gaf zich vooral over aan een enthousiasmerende vorm van hagiografie.

Voor mij was het duidelijk: als ik 'de nieuwe Reve' - met alle ambivalentie vandien - niet al gelezen zou hebben, dan zou ik er op grond van wat Heumakers en Peeters over dit boek te berde brachten meteen toe zijn overgegaan. Misschien werkt het zo. Maar laten we niet vergeten dat het in dit geval om een Groot Schrijver ging, naar wie èlke lezer, ook de minder trouwe, benieuwd is. Wat mij regelmatig teleurstelt is dat boeken van schrijvers, die een minder duidelijke positie in de literaire hiërarchie hebben verworven, zo vaak - als gevolg van het teveel - over het hoofd worden gezien.

Neem nu zo'n boekje als Tweede vader van Chaja Polak, dat ik deze week las. Het ziet er niet uit; de titel is niet erg opwindend en ook van storende tikfouten is het boek niet vrij (Obersturmmbahnführer in plaats van Obersturmbannführer), maar het is in al zijn bescheidenheid een mooi boek over een vrouw, Fanny geheten, die nooit heeft kunnen houden van de man met wie haar moeder na de oorlog trouwde. Haar eerste man, de vader van de vrouw die het verhaal vertelt, is in het concentratiekamp omgekomen.

Heel sober en zonder sentimentaliteit - maar met des te meer gevoel - doet Polak het leven van deze Fanny temidden van het gezin, met twee nieuwe, naoorlogse kinderen, uit de doeken, waarbij haar hang om zich aan die tweede vader over te geven steeds weer wordt gefnuikt door het besef dat zij een èchte vader had, die zij zich alleen in haar fantasie kan toeëigenen. Het feit dat ze haar stiefvader afwijst, maakt diens leven in haar ogen nog tragischer dan het al is, zeker als hij uit de communistische partij wordt gestoten, waaraan hij - als idealist - zijn leven had gewijd. Fanny's onvermogen om te kiezen heeft haar leven er niet vrolijker op gemaakt (Vassalluci, ¿ 36,90).

Dat moest ik even kwijt, voordat ik aan het grote werk kon beginnen, want dat is nogal wat.

Het Rijk van Insulinde is de geschiedenis van Indonesië, voorzover de Nederlanders daarin, sinds de eerste handelsvestigingen van de Verenigde Oostindische Compagnie, een rol hebben gespeeld. De schrijver, Wim van den Doel, historicus te Leiden, benadrukt dit om het misverstand te voorkomen dat hij de héle geschiedenis van de archipel belicht. 'Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie' luidt dan ook de ondertitel.

Een goed geschreven, helder verhaal, dat iedereen zal aanspreken die zich hetzij door de literatuur, hetzij door familiebetrekkingen bij de lotgevallen van deze contreien betrokken voelt. Dat laatste wordt nog extra gestimuleerd door de prachtige illustraties waarmee Het Rijk van Insulinde is verlucht. Als de tekst je de feiten geeft - doorsneden met soms gruwelijke verslagen van ooggetuigen over bijvoorbeeld de behandeling van wat toen zo laatdunkend 'inboorlingen' werd genoemd -, dan zijn de plaatjes er om het leed van de lezer te verzachten. Je gemoed schiet vol bij het zien van zoveel schoonheid die voor ons nooit meer op die manier te beleven zal zijn (Prometheus, ¿ 49,90).

Een heel andere vorm van geschiedschrijving - voor mij als amateur-mediëvist het hoogtepunt van de week - komt aan bod in de geweldige studie van Frits van Oostrom, hoogleraar te Leiden, over Jacob van Maerlant, de vader der Dietse dichteren algader. Kort voor 1260 debuteerde Van Maerlant met het kolossale epos Alexanders geesten, dat de tand des tijds heeft weerstaan, evenals de berijmde boeken die we ons nog van school herinneren als de Historie van de Grale, over koning Arthur en Merlijn, Der naturen bloeme, over mensen, dieren, planten en mineralen, en de Rijmbijbel, de eerste versie van de H. Schrift in de volkstaal. Zo'n boek als Maerlants wereld - Kees Fens schreef er afgelopen maandag over - is van des te meer gewicht, nu zelfs in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs de literatuur, en zeker de literatuurgeschiedenis en de oudere literatuur, nagenoeg is uitgebannen. Wees er maar trots op (Prometheus, ¿ 45,-; ¿ 75,- gebonden).

Ja, en dan de prachtuitgave die Van Oorschot maakte van de Verzamelde gedichten van Hans Lodeizen, de 'Jacques Perk' van de Vijftigers, als u dat wat zegt. Lodeizen leefde maar kort, van 1924 tot 1950, maar dat was lang genoeg om hem, zeker bij degenen die in de jaren vijftig en zestig poëzie begonnen te lezen, een grote naam te bezorgen. Zijn debuut, Het innerlijk behang uit 1950, was voor hen even overrompelend als het werk van Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Lucebert toen was. Kort nadat Lodeizen gestorven was, werd voor het eerst een selectie uit de nalatenschap uitgegeven en in 1969 volgde, bezorgd door Peter Berger en Pierre Dubois, de bundel Nagelaten werk.

In de nu voorliggende editie, die door de neerlandici Wiljan van den Akker, Redbad Fokkema en Mirjam van Hengel werd gemaakt, zijn veel meer gedichten opgenomen dan tot nu toe bekend waren; de chronologie is gewijzigd en er werd in vergelijking tot de bestaande uitgaven veel verbeterd, wat - zo schrijven de tekstbezorgers - 'het vertrouwde beeld van Lodeizens dichterschap wijzigt' (Van Oorschot, ¿ 97,-).

Het Dagboek van Klaus Mann, Opgejaagd, gedoemd, verloren, vertaald door W. Hansen, komt kort na 'het Amerikaans dagboek' van Thomas Mann, Duitsland heeft me nooit met rust gelaten, vertaald door Paul Beers, en het ligt voor de hand dat de groeiende groep lezers in Nederland die belangstelling heeft voor de familie Mann, beide dagboeken zal lezen; dat van de vader, de afstandelijke en onbereikbare 'Tovenaar', die door zijn vrouw Katia gevrijwaard werd van alle gedonderjaag in het gezin, en dat van zijn (tweede) kind Klaus, die zo onder de indruk was van zijn vader dat hij hem nooit los heeft kunnen laten.

De tamelijk praktische notities waarmee Klaus zijn dagelijkse leven vastlegt, lijken nauwelijks ruimte te kunnen bieden voor een beter zicht op hem, op zijn familie, op zijn vader, maar het wonderlijke is, dat dit nu juist wèl het geval is. Als lezer ervaar je de tragiek van Klaus Mann, die in de jaren dertig twee van zijn beste boeken schreef, Mephisto en Der Vulkan, op bijna elke bladzijde van deze selectie (oorspronkelijk besloeg het dagboek zes delen). De annotatie van W. Hansen verheldert veel, zeker ook over 'de wisselende contacten' die Klaus met mannen had (AP, Privé-Domein, ¿ 59,90).

Met De mooiste verhalen van Julio Cortázar en Verhalen van Gabriel García Marquez zijn we terug bij het thema van de Boekenweek, waaraan ook het lange essay van Robert Lemm, Eldorado, kan worden toegevoegd. Lemm legt een verband tussen de ontdekking van Amerika door Columbus en het idee van 'een aards paradijs' dat in tal van utopieën daarna - van More, Montaigne, Campanella, Defoe en Swift en Voltaire - opgeld deed (AP, ¿ 29,90).

Ook in de Magonische verhalen van Arthur Japin, die bekend is als schrijver van televisiedrama, duikt Columbus op, in een schrijnend verhaal van een joodse vluchtelinge, verbannen uit het Spanje van koningin Isabel en koning Fernando, die zich aan hem geeft en met wie het slecht afloopt. In alle verhalen van Japin is de verbeelding aan de macht, waardoor hij het even makkelijk kan hebben over een Ghanese in een grenshospitium als over een kreupele trapeze-artist of een kunstenaar in cyberspace (AP, ¿ 29,90).

De eerste roman van Henry Menckeberg, De vrolijke dood van David Caprino, is minder beeldend geschreven, maar net onderhoudend genoeg om de lotgevallen van deze David Caprino, een Surinamer die op de Antillen een bruin leventje heeft als automatiseringsmanager - totdat hij door zijn Hollandse bazen wordt ontslagen - tot het bittere einde te volgen. In de in zijn ogen verloederde en verwarrende Nederlandse samenleving gaat David Caprino eraan onderdoor (Meulenhoff, ¿ 39,90).

Brengt De vrolijke dood van David Caprino ons uit het Caribisch paradijs weer thuis, met Mirjam Windrich zijn we helemaal onder ons, als zij laat zien hoe het tegenwoordig in het studentencorps toe gaat. Nou, veel verandert lijkt er niet, zeker niet voor een gevoelig meisje als Windrichs hoofdpersoon, die goed door heeft hoe ze door de heren wordt gebruikt, maar ze niettemin trouw blijft. Een vaste vriend heet haar (niet onaardige) boek (Contact, ¿ 29,90).

Over het fraai uitgegeven, mooi geïllustreerde boek van J. P. Guepin en beeldend kunstenaar Arthur Kempenaar, De fantastische reis (Nijgh & Van Ditmar, ¿ 75,-); De allermooiste romans van de Antillen en Suriname (De Bezige Bij, ¿ 39,90); De huilspiraal, verhalen van Hendrik van Teylingen (De Bezige Bij, ¿ 32,90) en De zomer van de zwarte jurkjes, verhalen van Remco Campert (De Bezige Bij, ¿ 14,-) houdt u mijn aantekeningen nog even te goed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden