Kiezen met het hart kan hard werken zijn

‘Hoe weet je wat je passie is?’ De stress van de lastminute studiekeuze...

Welke hbo-opleiding gaat het worden? Aquatische Ecologie soms? Circus and Performing Arts? Islamitisch geestelijk werker? De lijst op websites als studiekeuze123.nl is lang. Er staan veel imponerend klinkende Engelse namen op. Wel eens gedacht aan Game Architecture and Design, Food Design and Innovation, of Embedded System Engineering?

Veel kersverse bezitters van een havo-diploma hebben geen flauw idee wat er achter die namen schuilgaat. Misschien geldt dat ook voor Orthoptie, Forensisch onderzoek of Opleidingskunde. Wie een universitaire studie kiest, heeft iets minder, maar nog altijd overweldigend veel keus. Global Challenges, bijvoorbeeld, klinkt goed. Maar wat is het precies? En Life Science and Technology? Wat is het verschil tussen Econometrie en Actuariële Wetenschappen? Is de aloude Hotelschool net zo goed als de chiquer klinkende opleiding Internationaal Toeristisch Management?

Dat je maar vier jaar studiefinanciering krijgt – tenzij je studie officieel langer duurt – verhoogt de keuzestress. Fout kiezen heeft harde gevolgen. Geen wonder dat veel aankomend studenten zich voelen als een kind in een overvolle snoepwinkel, met slechts 1 euro in zijn knuistje.

In Nederland bieden 13 universiteiten en 50 hogescholen zo’n 2.000 verschillende opleidingen aan. Kan het niet wat minder? En minder versnipperd? Als je hbo-Commerciële Economie wilt studeren, kun je dat op 29 plekken doen. Hoe vergelijk je die? En is er werkelijk zo’n verschil tussen Commercieel Management en Commerciële Economie, tussen Financieel Economisch Management en Financial Service management?

In 2006 klaagde de toenmalige president van de KNAW, Frits van Oostrom, dat het aanbod in het hoger onderwijs leek op ‘de menukaart van een slechte Chinees’. Sindsdien is het niet minder geworden. Om geen klantjes mis te lopen, bieden vooral hogescholen veel studies aan die op elkaar lijken en deels samenvallen.

Natuurlijk, ‘gewone’ studies bestaan ook nog. Frans, biologie, geschiedenis – die vakken kennen scholieren. Of geneeskunde. Dokters zijn altijd nodig, net als verpleegkundigen, leraren en rechters.

Gelukkig bestaan er studiekeuzetests, op internet en bij de opleidingen. Je kunt de HBO-monitor en de WO-monitor bestuderen om te kijken hoe de opleiding gewaardeerd wordt door studenten. Je kunt studiegidsen aanvragen of downloaden. En uiteraard bezoek je Open Dagen van de universiteiten en hogescholen. Op 31 augustus is de deadline: tot die datum kunnen studenten zich inschrijven. Deze zomer zijn er voor de aartstwijfelaars nog lastminute-voorlichtingsdagen.

‘Jullie zijn een beetje een gevarengroep’, zegt Leo Stello, studentendecaan aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. ‘Als je het nu nog niet weet, ook niet een richting, wordt het moeilijk.’ Niettemin houdt hij een gloedvol betoog voor de twijfelaars. ‘Maak het niet te zwaar,’ adviseert hij. ‘Een studie kiezen is belangrijk, maar het is geen keuze voor het leven. Vraag maar eens aan mensen wat ze gestudeerd hebben: in driekwart van de gevallen – daar is onderzoek naar gedaan - doen ze iets dat niets met hun studie te maken heeft. Na je studie begint het pas. Een student biologie kan zich ontpoppen tot artistiek leider van een theatergroep; een verpleegkundige kan uitgroeien tot financieel expert.’

‘Hoe weet je wat je echte passie is?’ vraagt een jongen. ‘Is dat iets waar je helemaal warm van wordt als je eraan denkt?’ Daar heeft Stello geen pasklaar antwoord op. De jongen heeft zijn propedeuse hbo- bouwkunde op zak. Klinkt goed, bouwkunde, maar hij wil helemaal niet bouwen of ontwerpen. Eigenlijk wil hij acteur worden. Hij is presentator bij een Surinaamse omroep – dát vindt hij leuk. Maar zijn familie wil dat hij ‘iets hoogs’ gaat doen, aan de universiteit. ‘Kies voor het acteren’, raadt Stello aan.

Stello heeft eigenlijk maar één welgemeend advies: ‘Kies met je hart. Niet voor het geld dat je ergens mee verdient, want dat weet je maar nooit, niet voor de status, niet voor de wens van je ouders. Kies iets waarin je gelooft. En,’ voegt hij er ironisch aan toe, ‘staar je niet blind op voorlichtingsdagen. Die zijn heel informatief, maar je hoort er verkooppraatjes. Je kunt beter bij een paar studies college meelopen, en praten met studenten. Die zijn eerlijk.’

Een meisje in de zaal heeft een raar dilemma. Eigenlijk wist ze zeker dat ze zou zakken, maar nu is ze toch geslaagd. Ze heeft geen flauw idee wat ze wil. ‘Echt niet?’ vraagt Stello, ‘geen enkele voorkeur?’ Nee, schudt het meisje. Dan kan ze beter een jaartje iets anders gaan doen, vindt Stello. Maar gedurende dat jaar moet ze wel aan de slag. ‘Met je hart kiezen is hard werken.’

Een vader in de zaal vraagt namens zijn dochter wat de meerwaarde van een academische studie is; kun je niet net zo goed hbo doen? Stello vat het verschil tussen een hbo’ er een w.o.’er kernachtig samen: ‘Een hbo’er lost graag problemen op, een w.o.’er máákt problemen, met als doel om processen beter te laten verlopen. Het zijn verschillende benaderingen. Maar een w.o.-studie is echt veel zwaarder.’

En lang niet altijd ‘leuk’, waarschuwt Stello. ‘Een studie met alleen maar opwindende vakken bestaat niet. Wacht niet tot de gouden duif binnenvliegt die roept wat de juiste studie is. Je moet de moed opbrengen om een onbekende weg in te slaan.’ Nu wordt er geknikt. ‘Ik ga me meteen inschrijven!’, zegt het meisje dat haar vader meenam.

Het binnenplein op de campus van de Hogeschool Arnhem (die samen met die in Nijmegen de HAN vormt), ligt te zinderen in de avondzon. Vooral in het café, rondom de biertap, is het druk. Een handjevol ‘late beslissers’ heeft ondanks de hitte de moeite genomen om naar de voorlichtingsavond te komen. Bij de hts-autotechniek cirkelen wat jongens bewonderend om handgemaakte racemodellen. Bij economie worden stapels folders gescoord. En bij de pabo kunnen bezoekers meteen aanschuiven bij een adviseur.

Dennis Rutten, onderwijskundige en opleidingsdocent, denkt dat de meeste aankomend studenten hun keus al gemaakt hebben. Hij verwacht niet meer aanmeldingen dan vorig jaar. Er is nog plaats.

Waarom zou je de pabo gaan doen? Het antwoord kost Rutten weinig moeite: ‘ Leraar op een basisschool, dat is het mooiste beroep dat er is, en het belangrijkste. Je staat aan de basis van mensenlevens. Je leert kinderen de wereld ontdekken.’ ‘Voordeel van het lerarenberoep’, zegt Rutten, ‘is dat het eenduidig is: je weet precies wat je later gaat doen. Het toekomstperspectief is minder vaag dan bij economie of management.’ Dat is voor velen ook meteen het bezwaar, geeft hij toe. Je komt voor de klas, dat is het. ‘Maar de loopbaanmogelijkheden zijn verbeterd. Je kunt je al tijdens je studie specialiseren, en op scholen komt er steeds meer differentiatie in functies.’

De pabo’s van de HAN bieden, samen met de Radboud Universiteit Nijmegen, ook een Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs (ALPO) aan. De toelatingseis is vwo; studenten met een hbo-propedeuse worden niet toegelaten. De studenten worden geselecteerd op de motivatiebrief die ze schrijven. Wie de vijfjarige opleiding afrondt, heeft drie diploma’s op zak: het hbo-diploma pabo, een bachelor pedagogische wetenschappen en een master pedagogiek of onderwijskunde. De HAN maakt nauwelijks reclame voor de ALPO. ‘Deze opleiding’, zegt Rutten, ‘trekt vanzelf goede en gemotiveerde studenten.’ De RU in Nijmegen en de pabo-Arnhem hebben nog enkele open ALPO-plaatsen.

In de zaal zitten twee jongens tussen de meisjes. ‘Deze campus is een uitstekende relatiemarkt,’ grapt Rien van Domburgh, adjunct-directeur van de pabo in Arnhem. ‘Bij ons is 80 procent van de studenten vrouw, en aan de overkant, bij Autotechniek, zijn het bijna allemaal mannen’. Van Domburgh zegt iets wat in de glanzende brochure – met een jongen op de cover – niet staat: ‘Wie de pabo overweegt, moet het niet alleen leuk vinden om met kinderen te werken, maar ook om hun iets te leren.’ Hij waarschuwt zijn gehoor ook: ‘Het beroep van leraar basisonderwijs is zwaar. Het is de laatste tien jaar complexer geworden, door de klassen met ongelijksoortige leerlingen, door kinderen met een moeilijke thuissituatie, en door de eisen die ouders stellen. Kinderen zijn een kwetsbaar publiek. Je kunt veel kapotmaken. Maar je kunt ook veel bereiken.’

Uit de zaal komen vragen over de verplichte taal- en rekentoetsen. Wie daarvoor zakt, mag niet door. Van Domburgh vertelt dat er in het eerste jaar flink geoefend wordt, en dat er herkansingen zijn. Slechts een enkeling haalt de toetsen uiteindelijk niet. ‘Maar dan ben je ook echt ongeschikt voor de pabo.’

Het aantal afvallers in het hoger onderwijs is hoog, en de laatste jaren constant: in het hbo 30 procent en aan de universiteiten 25 procent. Kennelijk kiezen, ondanks alle voorlichting, veel eerstejaars de verkeerde studie. Studentendecaan Stello relativeert dat percentage. ‘Wat is verkeerd? Sommigen stoppen om een privéreden, niet omdat de studie verkeerd was. Anderen maken de studie braaf af, ook al vinden ze het niks of zijn ze ongeschikt.’ Het is geen ramp om te switchen, vindt hij: ‘Je bent een ervaring rijker, je weet wat je niet wilt.’ Geneeskundestudenten, is Stello’s ervaring, hebben vaak moeite om te erkennen dat de studie ongeschikt voor ze is. ‘Ze zijn ingeloot; er staan duizenden mensen te popelen om hun plaats in te nemen. Toch is het verkeerd als ze doorstuderen.’

Ook Van Domburgh ziet behoorlijk wat pabo-studenten tijdens de propedeuse afvallen. Hij vindt dat meestal geen verlies: ‘Als je bij je eerste stage al denkt: dit is niks voor mij, kun je beter stoppen. Een ongemotiveerde leerkracht doet kinderen tekort.’

Er is nog een troost voor twijfelaars: na de bachelor liggen alle kansen weer open. Anders dan in het oude systeem hoef je geen master te halen in hetzelfde vak, je kunt de richting sterk wijzigen. Dan kun je weer kiezen uit een duizelingwekkend aanbod – en begint de keuzestress opnieuw.

Anton Brink (18) Amsterdam
Eigenlijk heeft hij het nadenken over de toekomst altijd voor zich uitgeschoven. Nu hij geslaagd is voor het gymnasium, is de vraag toch urgent: welke studie wordt het?

Natuurlijk, een jaartje rondkijken kan ook. Omdat Anton als kind in Congo heeft gewoond, overwoog hij daar vrijwilligerswerk te doen. ‘Helaas bleek het moeilijk om daar binnen te komen.’ Een jaar werken vindt hij geen goed idee: ‘Ik ben bang dat ik mezelf nooit meer tot studeren kan zetten. Het studentenleven trekt me wel.’

Toen hij in de vierde klas een ‘snuffelstage’ moest doen, koos hij voor een ziekenhuis. Zijn moeder werkt in de gezondheidszorg, en als jongetje wilde hij dokter worden. Hij kwam erachter dat de medische wereld niks voor hem is: ‘De hele omgeving stond me tegen, en de omgang met zieke mensen. Ik vond het een fabriek.’

Geen geneeskunde – dan ga je al gauw richting ‘kantoor’, dacht Anton. Zijn vader, econoom, waarschuwde: het zijn vooral de wiskundig en technisch onderlegde bedrijfskundigen die leidinggevende functies krijgen. Een wiskundige studie trekt hem niet.

Anton bedacht dat hij altijd al een passie heeft gehad voor misdaad. Wat drijft een misdadiger, hoe pakken ze het aan, waar loopt het fout? Hij zou wel advocaat willen worden, met name strafpleiter. Niet vanwege de glamour. ‘Het optreden in de media van advocaten als Spong, Moszkowicz en de gebroeders Anker staat me tegen. Ze willen alleen maar aandacht voor zichzelf.’ Anton heeft een dag rondgekeken op de rechtenfaculteit in Utrecht. Maar waarschijnlijk wordt het rechten in Amsterdam, zijn eigen stad.

Maartje van der Molen (19) Lelystad
Vorig jaar deed Maartje eindexamen vwo, profiel Natuur & gezondheid. En nu, na een jaar werken en nadenken over een studie, twijfelt ze nog, tussen bedrijfskunde en geneeskunde. ‘Zo’n jaar is zó om.’ Ook nu ze zich op de Erasmus Universiteit heeft laten voorlichten, is de twijfel niet weg.

Na haar examen wist ze het zeker: ze wilde geneeskunde studeren. ‘Hoe zit een mens in elkaar, hoe werken al die processen, wat gaat er mis? Zulke vragen zijn interessant. Het beroep trekt me: het lijkt me geweldig om bij Artsen zonder Grenzen te werken. Helaas had ik, op één tiende punt na, geen 7 gemiddeld op mijn eindlijst; dat betekent een lage inlotingskans bij geneeskunde.’

Ze werkte in administratieve functies en leerde veel: ‘In het begin was het spannend; er gaat een wereld open. Maar nu sta ik eigenlijk stil. Gereisd heb ik ook niet – jammer. Ik had in enkele vakken opnieuw examen kunnen doen, om mijn cijfers te verhogen, en ik had kunnen meedoen aan de decentrale selectie, waarbij je beoordeeld wordt op je geschiktheid. Dat heb ik niet gedaan. Want intussen dacht ik te weten dat het bedrijfskunde werd.’

Die omslag kwam door haar werk bij een handelsmaatschappij. ‘Dingen die ik vroeger saai vond, intrigeerden me ineens: hoe werkt een markt? Hoe worden beslissingen genomen? Problemen oplossen is echt iets voor mij. Dat hebben geneeskunde en bedrijfkunde gemeen: je werkt met mensen en je beïnvloedt processen.’

Nu denkt Maartje dat geneeskunde tóch haar voorkeur heeft. ‘Als ik straks hoor dat ik ben uitgeloot, wordt het bedrijfskunde. Maar dan ben ik wel teleurgesteld.’

Marije Kinnaer (19) Doetinchem
Marije is opgelucht. Hier, op de Open Dag van de HAN-Pabo in Arnhem, heeft ze de knoop doorgehakt, na weken van twijfel: ze gaat voor de klas. Leerkracht op een basisschool, dat wordt het.

Dat veel familieleden in het onderwijs zitten, speelde niet mee. Dat ze net een mbo-4 opleiding voor onderwijsassistent heeft afgerond – een gebruikelijke route naar de Pabo – was evenmin doorslaggevend. ‘Juist doordat ik stage heb gelopen op basisscholen, ging ik denken: is dit wat ik wil? Ik heb gemerkt dat het een zwaar vak is. Het is geweldig om met kinderen te werken, maar onderwijs is niet alleen maar leuk. Je hebt ook moeilijke en gedragsgestoorde kinderen, en lastige ouders. Soms kom je uitgewrongen thuis. Als onderwijsassistent draag ik niet alle verantwoordelijkheid, maar als leerkracht wel. Ik heb zitten dubben: kan ik dat wel aan?’

Ja, dat kan ze. Ze wil nu eenmaal niets liever dan ‘kinderen inspireren en stimuleren, laten zien wat ze kunnen’. Ze bezocht open dagen van hbo-Pedagogiek en hbo-Sociaal Pedagogische Hulpverlening. De eerste opleiding vond ze te theoretisch, de tweede was ook gericht op werken met ouderen, en ze wil echt alleen met kinderen werken. Groep 4 en 5, kinderen van 7, 8 en 9 jaar, lijken haar ideaal, ‘die zijn nog kneedbaar en enthousiast.’

Ze had ook naar de Pabo in Nijmegen gekund, of die in Doetinchem. Het mooie gebouw, de vriendelijke sfeer en de gezellige campus in Arnhem bevielen haar, maar het was de realistische voorlichting die haar over de streep trok: ‘Geen glad wervingspraatje. Ook minder aantrekkelijke kanten werden genoemd. Dat was zó eerlijk.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden