Kieren in het gordijn

HET HERMETISCH GESLOTEN NOORD-KOREA LIJKT VOORZICHTIG CONTACT TE ZOEKEN MET HET WESTEN. VERSLAGGEVER NELL WESTERLAKEN REISDE DOOR DE LAATSTE ORWELLIAANSE REPUBLIEK OP AARDE, LOGEERDE IN LEGE HOTELS EN ONTSNAPTE AAN HAAR BEWAKERS....

Hoe zou het zijn met de oude meneer Kim? Zal zijn droom binnenkort uitkomen? Zal hij voor hij doodgaat zijn Zuid-Koreaanse familieleden in de armen kunnen sluiten? In dat geval moet hij opnieuw naar de grensplaats Panmunjom reizen. Ze zullen hem met een aantal andere uitverkorenen de grimmige grenscorridor binnenrijden, door een haag van prikkeldraad, tussen barakken en militaire uitkijktorens door. Hij werpt misschien een blik op de landarbeiders die in ordelijke rijtjes de akkers bewerken langs de zwaarst bewaakte grens ter wereld. Hij kijkt wellicht afwezig naar de sereen ogende velden en bossen waarachter het wemelt van de landmijnen, gecamoufleerde tanks, verstopte bunkers, geheime tunnels en raketinstallaties met god weet wat voor vuile ladingen. Daarna zal hij arriveren bij de blauwe barakken precies op de officiële grenslijn van Noord- en Zuid -Korea. Zijn delegatie uit het communistische Noorden zal onder het oog van vele militairen en hoogwaardigheidsbekleders, worden voorgesteld aan die andere delegatie, uit het Zui den. Familie leden zullen elkaar na vijftig jaar in de armen vallen, huilend, gebroken door een halve eeuw ellende en een paar momenten onbevattelijke vreugde.

Ik zag meneer Kim aan de Noord-Koreaanse kant van Pan mun jom, een magere oude man in een grauw jackje. Hij zou 65 kunnen zijn, zeventig misschien. Het was op het uitkijkterras van een betonnen paviljoen, waar je kunt loeren naar de overkant om te zien hoe bezoekers in Zuid-Korea naar jou loeren, en dat alles weer nauwlettend gadegeslagen door vele militairen. Zonder kijker of telescoop begin je niets in Panmunjom. Meneer Kim deed zijn verhaal aan een groepje Chinese dames. Een hartverscheurend verhaal, want soms zat er een snik in zijn stem of sprak hij met gierende uithalen. Ik kon hem niet verstaan, ik kon er niet heen lopen, we moesten verder. Mijn twee 'waakhonden' maanden tot spoed. Het reisprogramma vereiste immers militaire precisie.

In de voorgaande dagen was ik nauwelijks een sterveling uit het buitenland tegengekomen in Noord-Korea, de machtige hand van het staatsreisbureau had ze uit mijn buurt gehouden. Ik at meestal alleen in lege restaurants waar ik volgens schema werd afgeleverd, waarna steevast een autoriteit in de hoofdstad per telefoon werd ingelicht over het tijdstip van aankomst. Ik sliep in huiveringwekkend lege hotels met honderden lege kamers waarin lege koelkasten stonden, die naar een even ijzeren als zinloos schema werden schoongehouden door een legertje personeel. Elke dag werd de schone stoep geveegd, elke ochtend de blinkende marmeren balie gepoetst, en ze schrobden de smetteloze vloer tot hij glom als een spiegel.

In Panmunjom was het anders. Je had voor een bezoek nog specialere begeleiding nodig dan gewoonlijk, daarom was de handvol buitenlandse bezoekers bijeen gebracht om in konvooi de corridor in te rijden. Hier kon je volgens mijn twee gidsen het grote onrecht met eigen ogen aanschouwen, in wat leugenachtig de 'gedemilitariseerde zone' heette, de grens tussen de beide Korea's. 'Kijk daar, Amerikaanse militairen', zeiden mijn begeleiders, wijzend naar de overkant, 'en hun betreurenswaardige Zuid-Koreaanse vazallen.' Hun dierbare Ko re aanse landgenoten waren bruut afgesneden van het kleine dappere noorden nadat ze waren geknecht door de grote erfvijand Amerika. Panmunjom, zo moest ik begrijpen, was het bloedende hart van Korea.

Aan de wand in een van de barakken was een kaart geprikt waar op je kon zien hoe erg het allemaal was. Zuid-Korea was volgetekend met tankjes, raketjes, vliegtuigjes en oorlogsbodempjes. 'Alle maal Amerikaans', zei een man met een aanwijsstok, 'allemaal op ons gericht en allemaal hebben ze een nucleaire lading.' Nee, De Verenigde Sta ten hadden voor Noord-Korea geen geheimen, en dat mocht de rest van de wereld gerust weten.

Ons konvooi bestond uit een clubje giechelende Chinese dames, een groepje jongeren uit Japan, een Europese groep van twee personen, en een groep van één. Die laatste groep was ik. Noord-Korea ontvangt geen individuele bezoekers, en al helemaal niet als ze journalist zijn, dus was ik een groep met alle groepsfaciliteiten die het staatsreisbureau verstrekte. Twee gidsen brachten me elke dag naar de prestigeprojecten die de staat voor me had geselecteerd. We hadden een chauffeur in een oude grijze Volvo en een straf reisprogramma waarin niets anders centraal stond dan de goddelijkheid van de Grote Leider Kim Il Sung. Zo tuften we enkele dagen door het land, drie Noord-Koreanen en ik, voor de gelegenheid als Nederlandse handelaar in bloemen.

Pas na de lunch in Panmunjom, op het toilet, kon ik een paar woorden wisselen met een van de Chinese vrouwen. Geobsedeerd als men was door complotten, samenzweringen en spionnen moest elke groep in een aparte ruimte eten en prikte ik mijn vijf kommetjes leeg in een kale cel met geen ander uitzicht dan de blauw-witte muren. De Chinese vertelde het verhaal van meneer Kim. Hij wilde zijn familie zo graag zien, aan de andere kant, maar door Amerika's toedoen zou hij waarschijnlijk sterven als een eenzame oude man. Na de Korea-oorlog begin jaren vijftig was hij gescheiden van zijn bloedverwanten toen een wapenstilstand werd getekend die het land in twee stukken sneed. Daarna zou hier op de 38ste breedtegraad een ijzeren gordijn worden opgetrokken dat hermetischer afsloot dan ooit de Berlijnse Muur.

Waarom ik het verhaal van meneer Kim niet horen mocht, bleef een raadsel dat pas een week later werd opgelost. Door een gelukkig toeval ontmoette ik de twee Europese reizigers in een restaurant te Peking. Ook zij hadden het verhaal van meneer Kim gehoord en waren onder de indruk geraakt. Totdat ze hem even later ontspannen een sigaret zagen roken met enkele bewakers waarna hij zijn roerende eenakter herhaalde voor de volgende groep. Wellicht vreesden mijn begeleiders dat een derde one-man-show argwaan zou wekken. De oude meneer Kim was waarschijnlijk een armzalig pionnetje in het spel van de Grote Leugen dat het land al een halve eeuw in zijn greep had.

Ik was naar Noord-Korea gegaan om een verdwenen wereld te zien, de wereld van het totalitaire staatscommunisme. Nadat de grote dooi in het Oostblok had ingezet, nadat de Muur was gevallen en ook de overgebleven communistische regimes in Azië en Cuba de teugels hadden laten vieren, bleef een klein land hardnekkig vasthouden aan de stalinistische doctrine. Onder leiding van de Grote Leider Kim Il Sung, en later diens zoon Kim Jong Il, handhaafde Noord-Korea een absolute dictatuur in een bijna volmaakt isolement. De zoon van de in 1994 overleden Grote Leider moet het doen met de wat minder absolute titel Geliefde Leider. Niettemin wist hij het gedrocht van zijn vader zo goed in leven te houden dat zelfs Stalin jaloers zou zijn geweest. Was het in de 21ste eeuw nog steeds mogelijk om een gruwelijke staatsterreur te vermommen in een heldhaftig verhaal over een arbeidersparadijs? Zou er in die laatste donkere kerker van de Koude Oorlog geen sprankje licht uit de buitenwereld zijn binnengedrongen?

Noord-Korea begint in feite op het treinstation in Peking. Als de grote chaos voor vertrek een aanvang neemt, voert een verwarrende stroom van beambten en hulpvaardigen me naar mijn slaapcoupé in het Noord-Koreaanse deel van de trein. Het is er heter, benauwder en donkerder dan in de Chinese treinstellen. Mijn drie Noord-Koreaanse reisgenoten zijn juist bezig een lading slordig dichtgeknoopte dozen in de rekken te stouwen. 'No dangerous', zegt een beambte als het drietal in stille verbijstering mijn aanwezigheid tot zich laat doordringen. Hun grote platte gezichten blijven uitdrukkingsloos. In de vitrage voor de raampjes achter hen zijn de uivormige koepels geweven van het Rode Plein in Moskou.

We rijden de Chinese nacht in. Ruim twintig uur zal de reis duren, tijd genoeg om vrienden te worden. We delen stukjes gedroogd vlees, snoepgoed, bananen. We communiceren met handen, tekeningetjes, tien woorden Engels en wat ansichtkaarten uit Nederland. Ben ik dat, die blonde meid in die bloemenvelden? Mijn reisgenoten zijn Noord-Koreaanse bouwvakkers die een jaar in Koeweit hebben gewerkt, begrijp ik. Ze zijn bevoorrecht, omdat ze de gelegenheid hadden naar een buitenland te reizen. Op een van de bewaakte stations staan we wat langer stil dan gebruikelijk, er kunnen inkopen worden gedaan. Wat neemt een Noord-Koreaan mee uit China dat hij thuis niet heeft? Een doos koekjes, een zak vol akelige groen-bruine pillen en een bosje bloemen. Zijn die bloemen voor je vrouw of je moeder, probeer ik bij één van hen. Hij lacht niet-begrijpend. De wederzijdse misverstanden zijn nog niet opgehelderd. Ik weet nog niet dat mijn coupé-genoten de enige gewone Noord-Koreanen zijn met wie ik tijdens mijn hele reis contact zal hebben.

De Koreaanse ochtend brengt uitgestrekte velden vol zwoegende arbeiders die met de hand de akkers bewerken en begieten, stadjes van lichtgrijs beton, kleine industrie onder een deken van koolgrijze vuiligheid en enkele douaniers die uiterst grondig te werk gaan. De hele coupé met al zijn koffers en dozen wordt minutieus nageplozen en de buit uit mijn bagage bestaat uit een Duits opinieweekblad. Op de cover staat een foto van een vrouwenlichaam in strijklicht. Even later zie ik op het treinbalkon hoe de in beslag genomen lectuur zorgvuldig wordt verbrand op een klein vuurtje tussen de rails. Welkom in de Democratische Volksrepubliek van Ko rea, welkom in de laatste Orwelliaanse republiek op aarde.

Op het perron in de hoofdstad Pyongyang krijg ik welgeteld tien tellen om ongecensureerd rond te kijken. Kim en Li, mijn waakhonden voor de hele reis, lijken uit het niets te verschijnen. Ze zijn de enigen hier met westerse overhemden en het zijn, zo zullen de komende dagen uitwijzen, hun enige overhemden. De menigte op het station en vrijwel iedereen elders in het land, draagt de kledij van het schrikbewind: bruine, grijze, donkerblauwe, legergroene pakken - een ton sur ton van grauwheid. Een geheimzinnige kracht heeft hier alle kleur weggezogen, op het rood na. Het is gereserveerd voor de leuzen die de twee tronies aan de stationsmuur begeleiden. De Grote Leider en de Geliefde Leider zijn in ijzige portretten gevangen, hier en overal elders in het land, watching you.

In de oude Volvo rijden we naar het hotel. Het is strategisch gebouwd op een eilandje in de Taedong-rivier, dus wie ontsnappen wil zal de kilometerslange tocht naar de stad te voet moeten afleggen. Pyong yang ziet er aldus uit: brede wegen vrijwel zonder gemotoriseerd verkeer, daarnaast wolkenkrabbers en lagere flatgebouwen, bakbeesten van beton in een eindeloze slagorde. Grote pleinen en plantsoenen doorbreken de monotone dictatuur van het grijs, en op die pleinen staan kunstwerken en beelden van het megalomane soort dat in de voormalige Sovjet-Unie allang is verdwenen in de smeltovens of vermorzeld door de slopershamer: jubelende arbeiders met industrieel gereedschap, vrouwen met hoofddoekjes en korenschoven, intellectuelen (met bril en boek), vastberaden militairen, dansende maagd en en wat je nog meer kunt verzinnen om de geschiedenis te herschrijven in de taal van triomfantelijke waanzin.

De kunstwerken vormen een schrijnend contrast met de bedrukte burgers in hun uniformpjes die aan de voet van de sokkels voorbij sjokken. Ze hebben niets van doen met de kinderen die gedisciplineerd hun gymnastiekoefeningen uitvoeren op de pleinen. Mag ik een foto maken? 'Nee, want de kinderen staan nog niet in het gelid.'

Elke middag na schooltijd stromen de pleinen vol met duizenden scholieren. Gedwee oefenen ze voor de grote parades met vlaggen, linten en kleurige borden, die later in een massale uiting van opgedrongen vaderlandsliefde elk individu volkomen ondergeschikt zullen maken aan de halfgoden Kim Il Sung en Kim Jong Il. Tijd voor een potje voetbal na school is er niet. Pyongyang geeft veel prijs over zichzelf door wat je níet ziet: geen spelende kinderen, geen winkels, nauwelijks auto's, geen consumptiegoederen, geen oude mannen op een bankje of verliefde stelletjes in het gras.

In 1953 kwam een einde aan de Koreaanse oorlog en stond er in Pyongyang geen steen meer op de andere. De Amerikanen en Zuid-Koreanen telden vierhonderdduizend doden, de Chinezen en Noord-Koreanen aan de andere kant anderhalf miljoen.

In de straten van de hoofdstad - al uitzonderlijk dun bezaaid met levende zielen - doet niets herinneren aan de oorlogsdoden. Geen obelisk of oorlogsmonument - nergens een gedenkteken voor hen die vielen. De stad was met de grond gelijk gemaakt en de wederopbouw bood een unieke kans om ook de geschiedenis te reconstrueren, en dat was de geschiedenis die Kim Il Sung voor zichzelf had verzonnen.

Bij deze stad horen marsliederen en trompetten en ik word op mijn wenken bediend bij het aanzetten van de televisie op mijn hotelkamer. Ik val midden in een concert van het Koreaanse Rode Leger-koor. Na de muziek volgt een tergend lange reportage van het bezoek dat de Geliefde Leider vandaag heeft gebracht aan een viskwekerij - de Noord-Koreaanse variant van het journaal.

De beide Leiders, hun grote gedachtegoed en hun dankbare volk; met de oude Volvo rijden we de volgende dagen de themaroute van het dwangregime. De rest van het land zit potdicht voor buitenlanders. In het prachtige berglandschap bij Myo hyang staat het vriendschapspaleis waarin de staatscadeaus aan Kim Il Sung zijn uitgestald. In een tempelachtige ruimte begroeten Kim en Li diens wassen beeld met een buiging, onder begeleiding van vogeltjesgeluiden die niet zouden misstaan in een new age-repertoire. Presiden ten, partijleiders en prominenten hebben hier hun geschenken achtergelaten aan de Grote Leider of diens zoon.

We dwalen urenlang door marmeren gangen en holle zalen gevuld met de meest onwaarschijnlijke museumcollectie ter wereld. Sier voor werpen ingelegd met edelstenen, metershoge porseleinen vazen, opgezette beesten en Afrikaans houtsnijwerk, posters en pamfletten, tegelplateaus, sierwapens, gouden zwaarden, ingelegde meubels, een kogelvrije treinwagon en een executive Hyundai-auto, computers, sleutelhangers en partijprogramma's met rode kaften; 48.257 cadeaus gerangschikt naar land van herkomst. Fidel schonk een krokodillenleren tas, Moammar een kamelenzadel, Yasser een ingelegde doos, Vladimir een jachtbuks en Madeleine een basketbal. Hoe bedenkelijker het regime van de gulle gever, hoe groter de cadeaucollectie.

Nederland komt bescheiden weg met één vitrine. Er is een oud partijprogramma van de cpn en een merkwaardig zilveren miniatuur: een postkoets naar wildwestmodel met acht paarden en een rode fakkel, symbool van Kim Il Sungs eigen ideologie. Het voorwerp, geschonken door een onbekend bedrijf, heeft te maken met een Nederlandse volkslegende, zegt Li, maar die kent hij evenmin als ik. Het museum vertelt het verhaal van de grootheidswaanzin, maar Kim en Li zien dat anders. 'Mogen jullie de schatkamers van jullie koningin bezoeken? Nou, dan. Alles is hier van en voor het volk.'

De volgende ochtend om kwart voor zes gloort de dageraad in de Myonghyang-bergen en slaan de laatste nevels van de ochtend op de vlucht. Ik trek mijn hardloopschoenen aan en glip langs de slapende portier. Aan de andere kant van de weg heb ik de vorige dag een dorp zien liggen, ongeveer een kilometer verderop. Het bestaat uit een stuk of tien lage flatgebouwen en een verzameling barakken. Misschien lukt het om terug te zijn voor mijn chaperons de slaap uit hun ogen hebben gewreven en anders zien we wel; niemand heeft gezegd dat ik níet mag gaan hardlopen. De lege weg voert langs een kabbelend riviertje en een kinderkolonie waar juist reveille wordt geblazen. Uit een luidspreker stromen metalige jubelstemmen over het terrein, verpakt in mierzoete muziek. De propagandastemmen van Noord-Korea roepen het volk elke ochtend tot de arbeid ter ere van het vaderland en zijn Grote Leider.

Het dorp ligt aan de overkant en ik houd mijn pas in wanneer ik bij het loopbruggetje over de beek enkele militairen zie. Maar niemand houdt me tegen, natuurlijk niet, ik val niet onder hun waakzaam oog want ik hoor hier niet te zijn, anderen zijn voor mij verantwoordelijk.

Wat zie ik dat ik niet zien mag? Het dorp wordt net wakker. Be woners wassen zich in de rivier, kinderen komen water halen. Elk puntje vrije grond is zorgvuldig beplant met aardappelen en maïs

- het zijn de enige toegestane privé-akkertjes, kris-kras aangelegd tussen de gebouwen en waar er verder maar plaats is. De straten zijn onverhard - het moet hier 's winters een zuigende modderpoel zijn - enkele kinderen vegen het stof van het schoolplein in gelijkmatige strepen. Achter een rijtje barakken schept een militair kolen in een roestige kruiwagen van de staat. Noord-Korea heeft een kernwapenprogramma, maar hier hangt de geur van kolenstook en kleeft het zwarte stof aan het bezwete lijf van de soldaat.

Er zijn ergere dingen in de wereld, er zijn ergere dingen in Noord-Korea.

In 1999 arriveerde de Duitse arts Norbert Vollertsen in Pyongyang als een van de zeer weinige buitenlandse hulpverleners die het land toelaat. Achttien maanden werkte hij in zwaar vervuilde ziekenhuizen zonder water, elektriciteit en medicijnen, hij zag volwassenen creperen en kinderen sterven van de honger.

Op de pleinen in Pyong yang gingen de dagelijkse oefeningen voor de manifestaties ter ere van de Grote Leider door volgens plan, bij zinderende hitte en extreme kou. Toen hij langs de weg een soldaat aantrof die was bezweken aan martelingen, verbrak hij de stilte en werd het land uitgezet.

Twee jaar geleden speelde de Noord-Koreaan Ahn Chol videobeelden in handen van een Britse journalist: zwaar ondervoede zwerfkinderen die aan hun lot werden overgelaten. Vluchtelingen die Zuid-Korea wisten te bereiken - en die onderweg niet bruut door de be vriende natie China werden teruggestuurd - meldden barbaarse martelingen en zelfs kannibalisme.

In het boek De aquariums van Pyongyang beschrijft de gevluchte Kang Chol-wan hoe hij in 1977 met zijn hele familie naar een concentratiekamp werd gestuurd omdat een familielid zich niet als goed partijlid zou hebben gedragen. Hij doet verslag van onder meer executies door ophanging die verplicht moesten worden bijgewoond, waarna de gevangenen de lijken moesten stenigen, ook de kinderen. Negen jaar oud was Kang Chol-wan, toen hij in het kamp werd opgesloten.

Door de kieren van het paradijs sijpelt steeds meer informatie naar buiten. De hongersnoden, mede het gevolg van een rampzalige plan economie, zouden de afgelopen vijf jaar twee tot drie miljoen levens hebben geëist. Mijn gidsen spreken van voedselschaarste, maar dat is al een forse bekentenis voor functionarissen die zijn getraind om alle voorgelegde feiten af te doen als 'Amerikaanse propaganda'. Ontken nen lijkt inmiddels ook voor hen onmogelijk: tijdens het eten zitten ze apart en krijgen ze een kom rijst, wat groente en een bord soep; veel eenvoudiger maaltijden dan ik. Op een dag vraagt een van hen waarom ik 's ochtends geen jam eet bij het ontbijt, zoals hem door het personeel in diverse hotels is gerapporteerd. Ze hebben immers het beste met me voor en jam is schaars en kostbaar.

Maar deze ochtend, als ik op de terugweg ben naar het hotel, komt de oude Volvo aanstuiven met een briesende Li erin, het scheerschuim nog in z'n oren. Hij schreeuwt, stomend van woede. Waarom ik hem niet had wakker gemaakt? Waarom ik zonder toestemming naar buiten ben gegaan? We sjezen linea recta naar een politiebureautje, waar hij een onderdanig betoog houdt tegen de dienstdoende pet. Ik speel de onschuld. Na een half uur is het goed, we mogen gaan, maar het zal die dag niet meer goed komen tussen ons.

Op de terugweg naar Pyongyang is de oude Volvo gevuld met een ijzige stilte. Li is nog steeds woest, maar houdt zijn mond. Kim doet of zijn neus bloedt en onthult onderweg de briljante oplossing voor Noord-Korea's milieuprobleem wanneer ik hem vraag naar enkele roet- en rookbrakende fabriekjes aan de horizon. 'Omdat de inwoners van de hoofdstad last kregen van de luchtverontreiniging, hebben we de meest vervuilende industrieën naar het platteland verplaatst.' Ik vraag of hij weet dat de zoon van hun Geliefde Leider, een kleinzoon van Kim Il Sung, met een vals paspoort was opgepakt in Japan op weg naar Disneyland. Li vraagt geïrriteerd waar dat land dan wel niet ligt.

Eenmaal in de hoofdstad gaat het goed mis. De tour van vandaag begint bij een arc de triomph. Aan de voet van de kolos is een schoonmakertje in de weer met een emmer sop en een borstel, Sisyfus aan de voet van de berg. Opeens verordonneert de nog woedende Li dat de schoonmaker niet op de foto mag en eist op hoge toon mijn filmpje. Dat zij, staatsgidsen, uitmaken wat ik op de foto zet, bijt Li me toe. Waarom de staat bang is voor een foto met een schoonmaker, snauw ik terug: een van hun veelgeprezen dankbare arbeiders in het paradijs die een ere-werkje verricht. Een toeterende auto maakt een einde aan ons kabaal en dan dringt de werkelijkheid door: we staan op een rijstrook van een vierbaansweg, levensader in de hoofdstad, de enige metropool in het land. Het is tien uur in de ochtend en er passeert zowaar een auto.

's Middags schijnt de zon in Pyongyang. Het brons van het immense standbeeld dat bezocht moet worden, krijgt een dieprode gloed. We staan bij de bronzen reuzenschoenen van Kim Il Sung die groot genoeg zijn om ons met één trap te vermorzelen. Terwijl een bruidspaar en enkele marine-officieren deemoedig naar de sokkel schrijden, begrijp ik opeens waarom mijn reisgenoten in de trein bloemen kochten in China - niet voor een echtgenote of een oud moedertje, natuurlijk niet, hoe naïef kan een mens zijn. Maar hoelang zal een volk doorgaan met het aanbidden van een dode dictator wiens opvattingen elders allang zijn verdampt? Hoe lang kan diens zoon de schijn ophouden? Alleen China koestert nog iets van de communistische bloedverwantschap, maar ook die oude kameraad krijgt steeds meer te stellen met zichzelf.

De Amerikaanse Korea-kenner Don Oberdorfer noemde enkele jaren geleden enkele toekomstscenario's. Een internationale oorlog - Bush heeft Noord-Korea ingedeeld bij de As van het Kwaad - een burgeroorlog, een militaire coup, de vlucht van horden Noord-Koreanen voor de honger en onderdrukking. 'Wat de toekomst ook in petto heeft, het zal waarschijnlijk gepaard gaan met drama, intense emoties en ingrijpende gevolgen', schreef hij.

Er lijkt de laatste tijd lichte beroering te komen in het hermetisch gesloten gordijn. Een symbolische spoorlijn en een weg tussen beide Korea's, een onhandig toegegeven leugen over de ontvoering van een aantal Japanners, een wereldvreemd en onuitvoerbaar plan voor de bouw van een kapitalistische oase, zelfs een Amerikaanse gezant op bezoek in de hoofd stad. Mis schien zal de oude meneer Kim, die in Panmunjom zo'n hartstochtelijke performance gaf, straks toch z'n bloedverwanten in Zuid-Korea weerzien, nu het regime de familiereünies weer wil toestaan.

Die bloemen - we komen om bloemen te leggen aan de voeten van de dictator, bedenk ik tot m'n schrik. Kim probeert een bosje verlepte anjers in mijn handen te duwen: 'Alle regeringsleiders en ambassadeurs hebben het gedaan, ook een delegatie van de Europese Unie.' Als ik wil huichelen, ben ik tenminste in goed gezelschap. Zou er nog iemand een kaars opsteken voor Adolf Hitler, of een minuut stilte in acht nemen bij een vergeten beeld van Stalin? 'Het leggen van bloemen is tegen mijn levensovertuiging', verzin ik - ik wil mijn gidsen niet nog een keer in verlegenheid brengen. Tot mijn verbazing stappen ze zelf naar voren op het grote doodse plein om met een buiging de anjers aan de reuzenvoeten te leggen. Vroeger, hoor ik later van een Korea-kenner, zou je voor zo'n weigering waarschijnlijk het land zijn uitgezet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden