Keuze kerstdiner laat je niet over aan kalkoen

Wie de bestuurlijke verhoudingen wil wijzigen, moet niet denken dat de betrokken partijen meewerken. Nu de commissie-Kok opheffing van de vier Randstadprovincies bepleit, moet het kabinet doorpakken, zegt Klaartje Peters....

Afgelopen week presenteerde oud-premier Kok het advies van zijn commissie over het bestuur in de Randstad. Kenners wisten dat het eraan kwam en vroegen zich af hoe de verzamelde zwaargewichten zich van deze onmogelijke opdracht zouden kwijten. Het resultaat is een stevige stellingname over de opheffing van de vier Randstadprovincies, die net op tijd lijkt te komen voor de formatieonderhandelingen.

Waarom was het zo’n lastige klus voor Kok en de zijnen? Ingesteld in oktober 2006 was de commissie-Kok een uitvloeisel van de hoop die eerder dat jaar opleefde, namelijk dat we – na decennia discussie over de herinrichting van bestuurlijk Nederland – eindelijk tot zaken konden komen. Aanleiding hiervoor was het manifest van de zogenaamde Holland Acht, de burgemeesters van de vier grote steden en de Commissarissen van de Koningin van de vier randstedelijke provincies: Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland. Deze acht bestuurders hadden elkaar eind 2005 tot ieders verbazing gevonden in een gezamenlijke oproep te komen tot een vereenvoudigd en daadkrachtig bestuur in de Randstad, anders kwam de kwaliteit van het bestuur en daarmee de concurrentiepositie van de Randstad ten opzichte van het buitenland in gevaar.

De onverwachte eensgezindheid tussen steden en provincies was voor velen een teken dat de tijd rijp was voor veranderingen. Laten we in elk geval de bestuurlijke problematiek voor de Randstad oplossen, was de heersende gedachte, ook van minister Remkes; de rest van Nederland heeft minder haast. Bijna letterlijk stond het zo in de discussienota die de minister in mei 2006 uitbracht: los van de randstedelijke problematiek functioneren de provincies in de rest van Nederland ‘adequaat’.

Een ernstige vergissing: buiten de Randstad meten de provincies zich, onder het mom van hoeder van de regionale identiteit, een positie aan die ze niet kunnen waarmaken. Hun draagvlak onder de bevolking is gering: de opkomst bij provinciale verkiezingen is sinds 1999 onder de 50 procent gezakt, en dat komt zeker niet alleen door de randstedelingen; de laagste opkomst (42 procent) werd bij de vorige verkiezingen in Brabant gehaald. Maar dat belemmert de provincies niet zich als zelfverklaarde regionale autoriteit met alle mogelijke beleidsterreinen te bemoeien, ook als gemeenten eerstverantwoordelijk zijn.

Hoe het ook zij: de Randstad werd onder handen genomen. Remkes gaf Kok en zijn commissie een rijtje alternatieven mee: (a) de ‘stevige Randstadprovincie’; (b) verdeling in Noordvleugel- en Zuidvleugelprovincie; (c) stadstaten voor groot-Amsterdam, groot-Rotterdam en groot-Den Haag, en (d) versterking van de rijksregie. Kok werd gevraagd hierover zijn licht te laten schijnen, in afstemming met het rijk én met de Holland Acht. En zo werd hij klemgezet: in de bestuurlijk overvolle Randstad zijn de belangentegenstellingen onafzienbaar: tussen de vier grote steden onderling; tussen de grote steden en hun randgemeenten, en alle kleinere gemeenten in de Randstad; de provincies Noord-Holland tegenover Zuid-Holland, en beide provincies samen weer tegen de ‘kleintjes’ Utrecht en Flevoland; en de grote steden tegenover de provincies. De eensgezindheid in de Holland Acht bleek dan ook een momentopname: enkele maanden na verschijning van het Manifest stelden de vier grote steden een eigen adviescommissie in, die pleitte voor het bijeenvoegen van de vier provincies, met behoud van de vier grote steden – hoe kan het anders.

Je kunt geen bestuurlijke hervormingen doorvoeren met instemming van alle betrokken partijen; hier gaat het spreekwoord van de kalkoen en het kerstdiner op. Als je als rijksoverheid goede argumenten hebt om de bestuurlijke structuur van de Randstad flink te wijzigen, moet je de kalkoen geen vetorecht geven.

Volgens sommigen is dat in de Nederlandse verhoudingen ondenkbaar, maar dat zei men in Denemarken ook altijd, tot de rechtse coalitieregering in 2004 de resultaten van een staatscommissie terzijde schoof. Per 1 januari jongstleden zijn in Denemarken de veertien provincies (amter) opgeheven en hebben de gemeenten hun taken grotendeels overgenomen. Het kan dus wel. Als het nieuwe kabinet het mes in de Randstadprovincies durft te zetten, pleit ik ervoor de andere acht provincies ook in de analyse mee te nemen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden