Kermis van de moraal

Als Joran van der Sloot afgelopen maandag werkelijk in Drachten was aangetroffen, zou hij ter plekke door een woedende menigte zijn gelyncht. Waar is de beschaving gebleven?

De tijden zijn veranderd, net als de media. Zo plaatste de website nieuwnieuws.nl enige tijd geleden een bericht over een naar eigen zeggen ‘niet-praktiserende’ pedofiel, tevens secretaris van de pedopartij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit, die geweigerd was voor een studie pedagogiek in Nijmegen. Het bericht leverde 240 reacties op, van bezoekers die met elkaar wedijverden in het bedenken van gruwelijke straffen. Castreren met een roestige zaag was nog veel te gewoontjes.

Zapper: ‘De koorknaapjes geselen hem en binden hem aan het kruis van Jezus. En nu pijpen kreng, roepen de koorknaapjes in koor. Maar nog voor hij zijn mond open kan doen, doorboren zij zijn hart met een spies van goud.’

Rocky Horror: ‘Op mijn kosten naar Burgers Zoo om de lieve leeuwen en tijgers te aaien.’

D.V.: ‘Als pedo’s zich eens laten omscholen tot homo’s? En als ze zelf dan eens uitgescheurd worden?’

Ooit werden daders van misdrijven beschouwd als zondaars die gered moesten worden, als zieke geesten die genezen moesten worden of als slachtoffers van maatschappelijke achterstanden. Maar het begrip voor de dader – of de verdachte – is tegenwoordig ver te zoeken, merkte ook Joran van der Sloot deze week. De markt van Drachten stroomde vol, omdat hij daar ondergedoken zou zitten.

Taxi’s werden aangehouden om te verhinderen dat Joran zou ontsnappen. Een bewoner die toevallig Johan heette, werd bedreigd en voor moordenaar uitgemaakt. In het NOS Journaal voelde Noraly Beyer zich genoodzaakt te melden dat Johan uit Drachten iemand anders was dan Joran uit Aruba. ‘Maak dat monster af!’, kopte het weekblad Party in grote letters op de voorpagina.

‘Ik had soms het idee dat ik naar een nationaal volksgericht zat te kijken’, zegt sociaal-psycholoog Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut, over de uitzending van Peter R. de Vries. ‘Die jongen werd er gewoon ingeluisd. Van Joran blijft niets over.’

Hoe ongemakkelijk Boutellier zich ook voelde bij deze beelden, bij de teloorgang van de oude kaders van godsdienst en ideologie vervult de moord- en doodslagshow van De Vries wel degelijk een morele functie, zo stelt hij. ‘Er bestaat een enorme behoefte aan morele ijkpunten. Met z’n allen, met zeven miljoen mensen, hebben we kunnen praten over de dingen die we afwijzen. Dankzij Joran kunnen we onze eigen morele superioriteit bevestigen.’

De ontmaskering van Joran was een kermis van de moraal die, zoals elke kermis, uit de hand dreigde te lopen. Verhitte moralisten deinzen er niet voor terug de boosdoener de vinger te geven, uit te schelden en te bedreigen. Zo leidt de moraal weer tot onbeschaafd gedrag. Boutellier: ‘Ik schop Joran naar de Heere, hoorde ik iemand zeggen. Dat geeft die dubbelzinnigheid wel mooi weer.’

Ook de socioloog Cas Wouters, verbonden aan de Universiteit Utrecht, ontwaart een morele koorts in de samenleving. ‘Nederland is altijd een domineeslandje geweest, maar de laatste tijd wordt het vingertje wel erg vaak geheven. Aan moraliseren ontkomt niemand. Je neemt waar wat je goed en kwaad vindt. Maar bij het checken van dat gevoel, daar begint de beschaving. Als je voortdurend op al te hoge toon moraliseert, houd je het hoofd niet koel. Dan roep je dat je andermans kop van zijn romp trekt.’

In de 20ste eeuw werd het onbeschroomd ventileren van wraakgevoelens lange tijd als primitief beschouwd. In een beschaafde samenleving werden zulke emoties ingetoomd. Het recht moest zijn loop hebben, maar wel op een rustige, afstandelijke manier. Bovendien voelde de samenleving een collectieve verantwoordelijkheid voor het voorkomen van criminaliteit. Boutellier: ‘Vroeger gebeurde het disciplineren van burgers door de zuilen. Als iemand de wet overtrad, had ook de zuil niet goed gefunctioneerd. Niet alleen de dader was schuldig, ook de gemeenschap had gefaald. In de christelijke traditie was de zondaar ook een schepsel Gods dat voor verbetering in aanmerking kwam. Daarnaast bestond een sociaal-democratische traditie die misdaad verklaarde uit armoede en achterstand.’

In de jaren vijftig werkte de invloedrijke jurist Willem Pompe, wiens naam voortleeft in een Nijmeegse tbs-kliniek, samen met de criminoloog Kempe en de psycholoog Pieter Baan aan een humaan strafrecht, met grote aandacht voor de persoonlijkheid van de dader. ‘Pompe was een aartskatholieke man, die geloofde dat ook daders geholpen moesten worden’, zegt Theo de Roos, hoogleraar strafrecht aan de Universiteit van Tilburg. ‘Er was ook veel optimisme en vooruitgangsgeloof in die naoorlogse periode. Men geloofde in een rationele benadering van het strafrecht.’

Gevangenis werd gezien als een wellicht noodzakelijke, maar ook tamelijk primitieve en weinig effectieve vorm van vergelding. De criminaliteit kon slechts werkelijk worden opgelost door de dader en de samenleving te veranderen, met behulp van moderne wetenschappen als de psychologie, sociologie en criminologie.

In de jaren zestig liepen de zuilen razendsnel leeg, maar het denken over misdaad en straf werd allerminst aan de straat overgelaten. Een nieuwe elite van – veelal progressieve – psychologen en sociologen drukte haar stempel op het strafrecht.

De rationele, wetenschappelijke benadering van misdaad radicaliseerde soms. Zo pleitte de Rotterdamse hoogleraar Louk Hulsman voor een afschaffing van het strafrecht. Misdadigers moesten wel worden aangepakt, maar dan met taakstraffen, het betalen van schadevergoeding aan de slachtoffers of door mediation. ‘Daar was toen overigens ook al veel kritiek op. Zeker bij moord- en doodslag is het strafrecht nodig. Als een moordenaar vrij blijft rondlopen, nemen mensen het recht in eigen hand’, zegt De Roos.

Niettemin domineerde het geloof in de resocialisatie van de dader het strafrecht tot ver in de jaren zeventig. Misdaad was een systeemfout, en het systeem moest alles op alles zetten om de dader te verbeteren. ‘Bovendien, geloofden velen: in een welvarende en rechtvaardige samenleving zou de criminaliteit verdwijnen’, zegt Boutellier. ‘Achteraf was het een idyllische periode’, vindt De Roos. Het optimisme over de maakbaarheid van de misdadiger kon alleen floreren bij historisch lage criminaliteitscijfers.

Dat optimisme zou wreed worden gelogenstraft. De toename van de welvaart en de opbouw van de verzorgingsstaat gingen niet gepaard met een daling, maar juist met een enorme stijging van de criminaliteit. Dankzij de welvaart konden burgers zich losmaken van de collectieve banden van de verzuiling, die zij in toenemende mate als knellend ervaarden. Maar toen de disciplinering van de zuilen wegviel, nam ook de criminaliteit snel toe. In 1960 registreerde de politie 130 duizend delicten, veertig jaar later waren dat er 1,3 miljoen. In 1975 telde Nederland 35 gevangenen per 100 duizend inwoners, nu zijn dat er 150 per 100 duizend, ongeveer evenveel als aan het begin van de 20ste eeuw.

De zuilen verdwenen, de progressieve ideologie van de jaren zestig en zeventig verdampte. Omdat de collectieve kaders van weleer niet meer bestaan, kunnen zij ook niet meer verantwoordelijk worden gehouden voor de ontsporing van individuele burgers. Boutellier: ‘Misdaad wordt daardoor niet meer gezien als het falen van het systeem. De eigen verantwoordelijkheid van de dader staat tegenwoordig centraal. De afname van het begrip voor de dader is karakteristiek voor deze tijd.’

Tegelijkertijd nam het begrip voor het slachtoffer toe. De religieuze en politieke ideologieën die de mens wilden verbeteren, vielen weg. Medeleven met het slachtoffer bleef over als een moreel ijkpunt waarover alle burgers het eens konden zijn.

De ontzuiling maakte burgers vrij. Tegelijkertijd voelen zij zich vaak onveilig, omdat zij niet meer kunnen terugvallen op de geborgenheid en de gemeenschap van weleer. Dat gevoel van onveiligheid wordt nog eens versterkt door snelle maatschappelijke veranderingen. Nederland verkleurt, de verzorgingsstaat staat onder druk door globalisering en de macht van Europa wordt groter. De wereld werd ‘vloeibaar’, zoals sociologen graag zeggen.

Door een gebrek aan vertrouwen in de toekomst is de nuchterheid verdwenen, meent socioloog Cas Wouters: ‘Er is op alle fronten morele paniek: de jeugd geeft zijn lichaam weg voor een Breezer, moslims nemen de samenleving over en terroristen zitten al in de badkamer. Incidenten en randverschijnselen worden gepresenteerd als maatgevend voor de samenleving.’

In zo’n klimaat klinkt de roep om de harde hand, die als enige mogelijkheid wordt gezien om de orde te herstellen. En anders dan enkele decennia geleden worden deze geluiden niet meer gefilterd door een ‘weldenkende’ elite. De vertegenwoordigers van de hedendaagse elite hebben minder zelfvertrouwen dan Willem Pompe of Louk Hulsman, die geloofden dat zij de wereld konden verbeteren met een rationele, wetenschappelijke benadering. Bovendien is de maatschappelijke bovenlaag de controle over de media kwijt.

Veel burgers maakten zich al lang zorgen over de toegenomen criminaliteit. Volgens cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau bereikte de steun voor de doodstraf zelfs een hoogtepunt in de jaren zeventig. In diezelfde periode steeg het percentage burgers dat meende dat de opvattingen over zeden en gedrag achteruit gingen van 39 naar 60.

Maar in die periode drongen zulke standpunten maar mondjesmaat tot het publieke debat door. De meeste dagbladen en publieke omroepverenigingen werden geleid door de verzuilde of progressieve elites, die niets wilden weten van ‘onderbuikgevoelens’. In deze jaren vond een curieuze omkering plaats. In het grootste deel van de 20ste eeuw had de elite geprobeerd de potentieel bandeloze massa in toom te houden met strenge voorschriften en leefregels. Nu was de elite laconiek en libertair, terwijl de massa zich zorgen maakte.

De introductie van commerciële televisie in 1989 betekende al een zekere emancipatie van het meer ‘volkse’ geluid. Maar de echte doorbraak kwam pas met de opmars van internet. ‘De intellectuele hiërarchie is verdwenen’, zegt Cas Wouters. Boze burgers kunnen nu ongeremd roepen dat moslims een plaag zijn, dat alle politici zakkenvullers zijn en verkrachters met twee bakstenen ontmand moeten worden. Ze hoeven zich niet meer alleen en onbegrepen te voelen. In de grenzeloze ruimte van internet bevestigen ze elkaars wrok. Boutellier: ‘Door internet is de menselijke geest, met al zijn mooie en lelijke kanten, als het ware veruitwendigd. Alle dingen die je vroeger voor jezelf hield, of hooguit in een gesprek met een goede vriend losliet, worden nu op internet gezet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden