KENNIS gaat voor de PARTNER

Veel universiteiten werken samen met een instelling in de Derde Wereld. Van de gezamenlijke projecten profiteert echter vooral de rijke partner....

MAARTEN EVENBLIJ

DUIZEND kilometer moest dr. Hanson Njiforti reizen om een fax te kunnen sturen ter bevestiging dat hij naar Nederland zou komen. Al drie maanden lang was in het noorden van Kameroen de stroom uitgevallen en daarmee alle telefoonverbindingen. Uiteindelijk kwam alles op z'n pootjes terecht en was de Kameroener Njiforti op tijd om eind vorige maand zijn proefschrift te verdedigen voor een promotiecommissie van de Landbouwuniversiteit Wageningen.

Njiforti onderzocht onder begeleiding van het Centrum voor Milieukunde Leiden (CML) het beheer van parelhoenders en de jacht door de bevolking erop in een moerasstreek in het noorden van Kameroen. Dit in het kader van het programma Milieu en Ontwikkeling van het CML.

Veel zichzelf respecterende universiteiten en hogescholen in het rijke Noorden hebben zulke samenwerkingsverbanden met universiteiten in de Derde Wereld, het arme Zuiden. Westerse wetenschappers en docenten doen daarbij onderzoek en geven cursussen in ontwikkelingslanden of laten onderzoekers (in opleiding) uit het Zuiden naar het Noorden komen.

Vaak gebeurt dat met de beste universiteiten ter plekke. Soms behoren die contacten tot de categorie one night stand, waarbij een Westerse onderzoeksgroep iets uitgezocht wil hebben in een derdewereldregio en met steun van ontwikkelingsgeld de daarvoor benodigde data verzamelt. Zijn de gegevens binnen, dan vertrekken de westerlingen met de Noorderzon.

Van een efficiënte overdracht van kennis is in dit 'toeristisch onderzoek' - waarin vooral een aantal grote Europese landen en de Verenigde Staten goed zijn - geen sprake, zeggen prof. dr. ir. W. de Groot en dr. G. Persoon van het CML.

Zij pleiten voor langdurige contacten met universiteiten die zich vooral in de meer afgelegen delen van een ontwikkelingsland bevinden. Zelf heeft het CML al een jaar of tien samenwerkingsverbanden met de regionale universiteit van Dschang in Kameroen en met de Isabela State University op de Filipijnen.

Persoon: 'De universiteiten in de hoofdsteden komen toch wel aan hun trekken. Daarom concentreren wij ons op de regio, waar de situatie voor studenten nog veel moeilijker is.' Hij vergelijkt de samenwerking graag met een huwelijk waarin het CML niet het mooiste meisje van het dorp kiest, maar wel het meisje dat het dichtst bij het bos en de boeren woont.

Maar ook met langdurige samenwerkingen kan het mis gaan. Een uiterst kritische evaluatie van een reeds lang bestaande samenwerking tussen de Eduardo Mondlane Universiteit in Mozambique en een zestal Nederlandse universiteiten deed de discussie losbarsten over het nut ervan.

Oude gewoonten, waarin de Westerse deskundigen de dienst uitmaken - wat de betrokkenheid van de Mozambikanen bij de activiteiten niet bevordert - slijten slechts langzaam. Nog steeds staan niet alle Nederlandse deskundigen en instellingen te springen hun mandaat over te dragen, wordt in de evaluatie geconstateerd. Bovendien zijn er nog steeds projecten waar Nederlanders door de hand op de knip van de geldbuidel in feite de lakens uitdelen. In de praktijk ontbreekt het aan de gewenste samenwerking.

In Transfer, een vakblad voor internationale samenwerking in hoger onderwijs en onderzoek, beschreef A. van Olst, docent aan de lerarenopleiding van de Hogeschool Utrecht, zijn ervaringen in Mozambique. Daaruit rijst een beeld op van dikbuikige blanke veertigers die de dienst uitmaken, een onderwijscommissie waarin alleen Europeanen zitting hebben en een sfeer waarin auto's boven studiebeurzen gaan.

De Groot van het CML meent dat elk samenwerkingsproject ook wat op moet leveren voor de Nederlandse onderzoekers. 'Het gaat om universitair geld, dus ook Leiden moet wat aan de samenwerking hebben in de vorm van publicaties en promoties. We kunnen niet tegen het College van Bestuur zeggen: we hebben dit jaar zes hectare herbebost.' Daarnaast moet het onderzoek in Kameroen en op de Filipijnen waarbij het CML betrokken is de milieukunde in het algemeen vooruit helpen en natuurlijk de universiteit daar ter plaatse.

Behalve het meebetalen aan een beetje universitaire infrastructuur, zoals een telefoon, een bibliotheekje en een milieukundeopleiding voor zo'n 120 Afrikaanse en Filipijnse en evenzoveel Nederlandse studenten die er stage lopen, wordt in de samenwerkingsprojecten ook derdewereldonderzoekers de gelegenheid gegeven promotieonderzoek te doen. Contractueel verplichten deze zich om acht jaar lang na hun promotie aan de universiteit ter plaatse te blijven werken.

In onze projecten ligt het accent op 'fundamenteel onderzoek aan toegepaste onderwerpen' zegt De Groot. 'We gaan geen milieueffectrapportages maken. Ons thema is kennis vergaren over het ontstaan van uitputtingsfronten rond kernen van bewoning.' Die fronten, waarlangs de aantasting van het milieu voortschrijdt (bijvoorbeeld overbevissing en uitputting van het bos), zijn niet alleen in derdewereldlanden te vinden, maar ook (in het verleden) in bijvoorbeeld Europa.

0D E ONDERZOEKERS willen weten welke factoren die fronten bepalen en hoe je daar iets aan kunt doen. Dat laatste heeft directe relevantie voor de situatie ter plekke. Njiforti bestudeerde in dat verband de uitputting van een waterrijk gebied in Noord-Kameroen, dat verdroogde doordat er een dam in de voedende rivier werd aangelegd. De bevolking verloor daardoor haar traditionele weide- en visgronden. Ze ging jagen op parelhoenders, wat zonder vergunning verboden is in Kameroen.

De promovendus onderzocht de mogelijkheden om een gebied te creëren waar wel zonder vergunning op parelhoenders gejaagd kan worden. Hij bestudeerde de ecologische voorwaarden daarvoor (zoals het gewenste aantal dieren per hectare) en het aantal vogels dat nodig is om in de eiwitbehoefte van de bevolking te voorzien. 'Zo kunnen', aldus Njiforti, 'op basis van fundamenteel ecologisch onderzoek maatregelen worden genomen die leiden tot een duurzaam landbeheer in de regio.'

Steeds vaker verzetten landen in het Zuiden zich tegen de dominantie van het Noorden als het gaat om de keuze van onderwerpen voor wetenschappelijk onderzoek voor ontwikkeling. 'In Jamaica staan de kantoren vol computers, maar ze hebben niet gedaan wat nodig is, namelijk de arbeidsproductiviteit en de efficiëntie verhogen. Tot nu toe hebben de computers het leven in Jamaica niet beter gemaakt, noch de voedselproblemen opgelost of het geweld verminderd', constateert A. Ventura, adviseur van de Jamaicaanse premier.

Ventura benadrukt dat wetenschappelijk onderzoek door sociale en economische krachten in de regio moet worden gedirigeerd en niet door mensen achter bureau's in het Noorden.

'De Europese onderzoeksorganisaties hebben, met ontwikkelingsgeld, veel onderzoek gedaan waarmee ze vooral hun eigen expertise hebben versterkt', bevestigt prof. dr. P. Werry hoofd internationale samenwerking van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek in Wageningen.

Veel landen in Latijns Amerika en Azië bijvoorbeeld willen in plaats van prestigieuze high tech meer aandacht voor het organiseren van hun onderzoeksapparaat. Werry: 'Ze stellen nu meer eisen en wijzen ook aanbiedingen af. Het is wel leuk om een professor te sturen, zeggen ze dan. Maar stuur liever wat practicum-assistenten om onze mensen op te leiden. Maar daarvoor krijg je de handen hier - en vaak ook bij regeringen in ontwikkelingslanden - niet op elkaar. Dat is niet innovatief, niet technisch.'

De Nederlandse regering probeert dat te veranderen met het MHO-programma: medefinanciering hoger onderwijs, dat in 1993 begon. Twaalf landen in het Zuiden (zeven in Afrika, twee in Latijns Amerika en drie in Azië) zijn uitgenodigd om te shoppen langs een aantal Nederlandse universiteiten die te kennen gaven onderzoeksprojecten in de Derde Wereld te willen doen. Het ministerie heeft daar jaarlijks ongeveer 40 miljoen gulden voor over.

De derdewereldlanden stellen zelf een lijst op en gaan naar Nederland om te zien wat het best bij hun wensen aansluit. Een aantal landen is behoorlijk stellig in hun wensen. Zoals dr. J. Videler van de Rijksuniversiteit Groningen bij het inmiddels drie jaar lopende samenwerkingsproject met de Eritrese universiteit van Asmera. De Afrikaanse universiteit koos zelf het koralen-project van de Groningse vakgroep Mariene biologie uit.

'Ze vatten het wel heel eenzijdig op', herinnert Videler zich de eerste contacten. 'Ze wilden eigenlijk geen studenten van ons. Want die maakten maar gebruik van hun faciliteiten. De komst van de promovendi bijvoorbeeld, zagen ze niet zitten. Nou, dan zijn wij weg.'

De zaak is alsnog opgelost en nu heeft Groningen een onderzoeksstation aan de Rode Zee ingericht en twee onderzoeksboten gebouwd. Verder leidt men er Eritrese studenten op en wordt er een promovendus uit Eritrea begeleid. De Eritrese universiteit betaalt de grond waarop het station staat en een deel van de infrastructuur.

'Ik vind dat het goed gaat en dat er op deze manier toch een kennisinfrastructuur in Eritrea wordt opgebouwd', zegt Videler. 'Hoewel ik mij soms wel afvraag waarom ik het doe, gezien de hoeveelheid werk die het met zich meebrengt. Wij zijn geen ontwikkelingswerkers. Het moet om echte samenwerking gaan. Gelukkig houden de Eritreeërs ook niet zo van liefdadigheid. Onze komst naar Eritrea is zuiver wetenschappelijk. Wij onderzoeken koraalriffen en wilden ons onderzoeksgebied uitbreiden. De Rode Zee voor de Eritrese kust was daarvoor ideaal. Volkomen ongestoord door dertig jaar oorlog.'

0 OK DE Landbouwuniversiteit Wageningen heeft een aantal projecten in Afrika. Zoals sinds 1992 in Ouagadougou in Burkina Faso. Drie onderzoekers zijn permanent gestationeerd in het Nederlandse steunpunt Sahel en jaarlijks gaan twaalf Wageningse onderzoekers er voor drie maanden heen, net als zo'n twintig studenten voor een stageperiode. Daarnaast verblijven er vijftien Burkinese studenten.

'We richten ons vooral op onderzoek', zegt dr. J. de Graaff van de vakgroep erosie en bodem- & waterconservering, een van de acht bij het steunpunt betrokken vakgroepen. 'Wij geven geen speciale cursussen. De onderzoeksonderwerpen passen vooral in ons onderzoeksprogramma, maar ze zijn natuurlijk wel uiterst relevant voor de situatie ter plekke.'

Ook bij de projecten van het CML in Kameroen en op de Filipijnen is de grote onderzoekslijn in Leiden uitgedacht. 'Maar de verschillende thema's zijn wel uitgewerkt door goed te kijken naar wat er ter plekke in de regio gebeurt', zegt De Groot. Die wat paternalistische houding heeft een eenvoudige verklaring. 'Op het niveau van de eigen regio kun je uitstekend met de Kameroeners en de Filipijnen discussïeren. Maar dat werkt niet ten aanzien van de internationale theorievorming. Daarvoor zijn de verschillen gewoon te groot.'

De wetenschappelijke voeding in de Derde Wereld is, vooral voor regionale onderzoekscentra, minimaal. Persoon van het CML: 'De aanvoer van literatuur is zo'n beetje nul. Wat er aan milieuliteratuur is, hebben wij ingebracht. Onze counterpart op de Filipijnen heeft zes campussen die soms tweehonderd kilometer uit elkaar liggen, met slechts één bibliotheek.'

Op de nationale overheid hoeft niet te worden gerekend, want onderzoek, zeker voor regionale universiteiten, heeft geen prioriteit, zoals Njiforti illustreert voor Kameroen. 'In 1988 werd ik assistent-hoofd natuuronderzoek. Maar drie jaar lang was er helemaal geen onderzoek. In feite niet sinds 1979. Het meest recente landbouwkundige tijdschrift in onze bibliotheek dateerde van eind jaren zeventig. Zonder deze samenwerking zouden we niets hebben op het terrein van milieu.'

Maarten Evenblij

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden