Keith graaft zich autobio

The Beatles, The Stones en Bob Dylan. Dat zijn de artiesten die me de laatste dagen het meest hebben beziggehouden. Sorry, ik weet het, we leven in 2010, en ik moet natuurlijk luisteren naar de nieuwe The Kings Of Leon. Maar los van het feit dat ik die plaat halverwege uit pure verveling maar heb afgezet, zijn The Beatles, Stones en Dylan toch weer actueel. Althans voor mij.

Zo kon ik zaterdag de verleiding niet weerstaan om toch maar weer de ‘blauwe’ en de ‘rode’ Beatles op cd aan te schaffen. Ik had vorig jaar toch al 450 euro uitgegeven aan de Remastered boxen, dus dit kon er ook nog nog wel bij.

Bovendien: dit waren de platen die ik van de Beatles het eerst leerde kennen. Ik weet zelfs nog dat ze uitkwamen, zomer 1973 toen ik 9 jaar oud was.

Die dubbel-lp’s daar werd op straat, door de wat ouderen onder ons, gewoon over gesproken. Mij interesseerde in die tijd vooral hitlijsten, en daar kwamen ze op 1 binnen, zo herinner ik mij.

Wat die uitgaven toen bijzonder maakten is dat er los van de reguliere Beatles-albums toen nauwelijks Beatles muziek te koop was. Geen Best Of’s bijvoorbeeld, terwijl je de muziek van de band die een jaar of drie eerder uit elkaar was gegaan wel overal nog hoorde. Hun single-hits daar kon je jarenlang gewoon niet aankomen. Dat is in deze tijd nauwelijks meer voor te stellen. Maar als er dan ineens twee dubbel-lps komen met chronologisch de grootste hits en beroemdste album-tracks, dan is daar weinig wat daar tegenop gewassen is.

Ik heb ze zaterdag allemaal achter elkaar gedraaid, de 8 plaatkanten op vier cd’s. Geen seconde verveeld, drie uur lang. Ook al kende ik alle liedjes uit mijn hoofd.

Hoewel, ergens tegen het einde van de luistersessie, na The Ballad Of John And Yoko, hoorde ik ineens een liedje dat me totaal niks zei. Had ik dit wel eens eerder gehoord? Mispersing?

Nee, het was The Old Brown Shoe, een liedje van George Harrison en b-kantje van Ballad.

Na bijna veertig jaar lijkt me dit de enige vergissing die de samenstellers indertijd gemaakt hebben. Waarom dit wel en geen Rain of I’m Down?

Ook wel leuk, een Beatles liedje horen waarvan je het bestaan totaal ontgaan was.

Los van het in huis halen van Beatles liedjes die ik al lang had, ben ik ook bezweken voor de verleiding Dylan’s Mono Masters te kopen.

Mooie uitgave en een voor zijn doen behoorlijk lucide toelichting van Greil Marcus.

Onzin wellicht, maar ik ben er blij mee. Ik had me er graag meer in verdiept, net als in het nieuwe deeltje uit de Bootleg Series: The Whitmark Demos 1962-1964, maar er kwam iets tussen dat de afgelopen twee dagen alle aandacht heeft opgeëist: Life, de autobiografie van Keith Richards.

Ik kan het boek nog helemaal niet hebben, laat staan gelezen hebben. Toch is het zo.

Alle embargo’s ten spijt (wie het gelezen heeft schijnt tot 26 oktober er zijn mond over te moeten houden) heb ik het gewoon in een winkel kunnen kopen. Foutje bij de groothandel in de VS geloof ik.

Vanmiddag had ik de 600 pagina’s uit en heb er voor de Volkskrant van zaterdag meteen een recensie over geschreven. Vijf sterren: het is net zo’n groots, belanwekkend boek als die autobiografieën van Miles Davis en Bob Dylan.

En het is geweldig geschreven. Met dank aan James Fox wellicht, maar het boek was eigenlijk niet weg te leggen. De drugsverhalen waar zo veel over te doen is, interesseerden me het minst. Het is de muziek waar Keith Richards het meest inzichtelijk over is, en het is Mick Jagger waar het hardst om te lachen valt.

Aanvankelijk niks dan lof voor de man die hij niet alleen de beste zanger ‘deze kant van de oceaan’ vindt, maar ook de beste harmonica-speler.

Het gaat goed mis tussen de twee als Richards van zijn heroïne verslaving is afgekickt, in 1978. Dan is de gitarist ineens weer helder en wil zich wat meer met de zakelijke kant van de band gaan bemoeien. Daar krijgt hij van zijn Glimmer Twin partner geen kans toe. Jagger heeft de touwtjes strak in handen genomen, en duldt Richards plotselinge interesse niet.

Richards neemt in Life geen blad voor de mond. Jagger krijgt er voortdurend van langs. Soms flauw (hij zou klein geschapen zijn) soms geestig als hij Jaggers disco-voorkeur beschrijft. De soloplaten van Jagger vergelijkt hij met Mein Kampf (veel gekocht zelden gehoord) een metafoor die hij doorzet als hij hun ruzies in de jaren negentig vergelijkt met de ‘derde wereldoorlog’.

Jagger is niet de enige Stone die het moet ontgelden. Mij verbaasde ook de ongezouten kritiek die hij heeft op wijlen Brian Jones. Hij biedt geen nieuwe inzichten over diens dood in het zwembad, maar wel over zijn muzikale kwaliteiten die in de latere jaren zestig wat betreft Richards non-existent waren.

Maar Richards is eigenlijk niet zo’n haatdragend mens als je op grond van veel scheldkanonnades zou vermoeden. De man die hen vermoedelijk het meest heeft opgelicht, Alan Klein, neemt hij weinig kwalijk. Hij heeft hun tenslotte ook schatrijk gemaakt.

Wat ik niet zo goed begrijp alleen is waarom hij zoveel ruimte aan Bobby Keys schenkt, behalve saxofonist ook ‘beste vriend’. Met zulke vrienden heb je geen vijanden nodig, dacht ik met Mick Jagger die hele tournees geen woord met hem wisselt.

Met Keith trouwens ook niet.

Verrukkelijk boek, kan niet anders zeggen.

Geloof alle superlatieven die de komende weken erover worden uitgesproken.

En nu ga ik maar weer eens wat nieuws horen en zien. Amsterdam Dance Event, here I come.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden