Karel van het Reve weet nog altijd tot reuring te leiden - dat doet me deugd

Dat doet me deugd. Decennia nadat schrijver en polemist Karel van het Reve (1921-1999) in zijn befaamde Huizingalezing de vloer aanveegde met de holle praat van de literatuurwetenschap weet die boodschap wederom tot reuring te leiden.

Maandag hekelde filosoof Sebastien Valkenberg op deze pagina's de hedendaagse beoefenaren van het vak - nu vanwege hun gespeur in literaire teksten naar tekenen van macht en onderdrukking. 'Sinds Van het Reves boutade is er veel veranderd, maar het proza is nog steeds niet te pruimen.'

Cultuurwetenschapper Marieke Winkler reageerde als door een wesp gestoken. Zij sneerde twee dagen later dat Valkenberg 'een ware Karel-adept' is, die net als hij wil dat de literatuurwetenschap leesbare teksten produceert. (Wat u zegt, het moet niet gekker worden.) Maar, ging ze voort, had broer Gerard de lezing al niet 'de vulgairste demagogie' genoemd?

Dus adviseerde Winkler de filosoof om de lezing 'eens goed te lezen' en zich af te vragen hoe 'navolgenswaardig' diens 'manier van argumenteren' is. Dat leek haar een belangrijker 'onderneming' dan het bekritiseren van de contemporaine literatuurwetenschap.

Een klein déjà vu drong zich op. In 1978 was ik derdejaars. Die winter gonsde het op de subfaculteit dat ene Karel van het Reve onlangs heel oneerbiedig had gedaan over boeken die ook wij moesten doorgronden. Toen ik eenmaal de tekst in handen kreeg, wist ik niet wat ik las. Daar was iemand die glashelder aantoonde wat ik vagelijk voelde: dat de keizer geen kleren droeg. En die dat nog geestig onder woorden bracht ook. (Als u me niet gelooft: Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid staat integraal op dbnl.org, de onvolprezen Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.)

Maar de verzamelde literatuurwetenschappers waren not amused. In de maanden die volgden zette de een na de ander uiteen dat Van het Reve - zelf hoogleraar Slavische letterkunde - er niks van had begrepen, eenzijdig, demagogisch, slordig en oppervlakkig was. Tot zijn eigen vermaak, dat spreekt. In een terugblik schreef hij dat hij wist dat hij 'de hele academische wereld' over zich heen zou krijgen. 'Ook begreep ik dat de mensen die mij openlijk bij zouden vallen aan de vingers van één verminkte hand te tellen zouden zijn.' Fijntjes vatte hij de affaire samen onder de kop: 'Wat waren zij kwaad'.

En tegenwoordig? Natuurlijk heeft Valkenberg het gelijk geheel aan zijn zijde: het proza van hun erfgenamen is even onverteerbaar - maar nu omdat ook zij besmet zijn geraakt met het virus dat identiteitspolitiek heet.

Pikant: juist deze week speelde er in de Britse pers een smakelijk relletje rond Judith Hawley, literatuurdocent aan de University of London. Zij zou de erotische klassieker Fanny Hill van het curriculum hebben geschrapt, uit vrees haar studenten 'te beledigen'. Deze roman uit 1748 over een vrouw van lichte zeden zou bij hen nogal 'gevoelig' liggen. Ook hadden haar studenten al eens geklaagd over het vrouwonvriendelijke en gewelddadige karakter van Shakespeares King Lear (1605).

Uiteraard was hoon Hawleys deel. Waarom zou je in hemelsnaam buigen voor zulke hypersensitieve 'sneeuwvlokjes'?

Niet veel later stond haar verweer in The Guardian. Uitvoerig beklaagde ze zich over de roddelbeluste media die haar verkeerd hadden begrepen. Ze hád Fanny Hill niet geschrapt, de roman kwam niet eens op de verplichte boekenlijst voor! Waarna ze uitlegde dat 'de academische omgeving' nu eenmaal 'minder geprivilegieerd' is geworden. Dat hedendaagse studenten nu eenmaal vraagtekens plaatsen bij wie er 'recht van spreken' heeft, bij wie 'de agenda mag bepalen', verlangen naar 'diversiteit' in de auteurs die ze voorgeschoteld krijgen. En dat je, als je een 'pornografische' tekst als Fanny Hill aanbiedt, nu eenmaal moet beseffen dat studenten zich daardoor geïntimideerd kunnen voelen. Maar, schreef ze erbij, dit alles dienen wij te beschouwen als 'een evolutie in de vrije meningsuiting'.

Als een evolutie in de vrije meningsuiting?

U begrijpt, als ware Karel-adept had ik graag gehoord wat hij hiervan had gevonden. Of eigenlijk kan ik dat wel raden. De keizer heeft nog steeds geen kleren aan.