Karel Appel deed veel meer dan 'anrotzooien'

'Ik rotzooi maar wat an', luidt Karel Appels beroemde uitspraak. Mooi niet. Meneer maakte uitgebreid voorstudies en het Gemeentemuseum Den Haag heeft het bewijs. Appel is er gloeiend bij.

1966: Karel Appel in zijn atelier in New York Beeld Maria Austria Instituut

Franz Kaiser heeft een missie. Hij wil het clichébeeld van Karel Appel omverwerpen, tonen dat de kunstenaar meer was dan een ongeleid projectiel, een woest schilderbeest. Daarvoor zou, tien jaar na het overlijden van Appel (1921-2006), de tijd rijp moeten zijn. 'Iedereen denkt dat Appel 'maar wat anrotzooide'. Dat is een onvolledig en te simpel idee', zegt Kaiser.

Kaiser is hoofd tentoonstellingen van het Gemeentemuseum Den Haag en hij verdiept zich al jaren in de schilder. Sinds 2010 is hij vice-president van de Karel Appel Foundation. De stichting werd opgericht na de dood van Appel, om zijn nalatenschap, een immens oeuvre, voor de toekomst te bewaren. Kaiser neemt die taak zeer serieus, werd een heus Appel-expert en stelde voor de catalogus van het retrospectief dat nu te zien is, een gedetailleerde 'chronologie' van Appels leven op die maar liefst 25 pagina's beslaat.

In Den Haag moet blijken dat Appel zijn doeken zorgvuldig bedacht en opbouwde. Daartoe heeft het museum een interessante troef, een primeur zelfs: in een van de kabinetten hangen tekeningen die onmiskenbaar voorstudies zijn van schilderijen die Appel later maakte, soms jaren later. Het is een flinke breuk met het beeld van de 'anrotzooiende' schilder.

Karel Appel: Schets van De Woestijn Dansers (1949), vetkrijt op papier, 50x61 cm, collectie Gemeentemuseum Den Haag. Beeld © Karel Appel Foundation, c/o Pictoright Amsterdam 2015
Karel Appel: De Woestijn Dansers (1954), olieverf op doek, 117x166 cm, collectie Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris, Frankrijk. Beeld © Karel Appel Foundation, c/o Pictoright Amsterdam, 2015

Niet klein-burgerlijk

Hoe komen we eigenlijk aan dat beeld? Dat beruchte 'Ik rotzooi maar een beetje an' werd opgetekend in 1955 door publicist Jan Vrijman in Vrij Nederland. Appel had toentertijd al een flinke rel op zijn naam staan: zes jaar eerder was een grote muurschildering, die hij voor het Amsterdamse stadhuis had gemaakt, na protest van ambtenaren afgedekt.

Appel had zijn sporen verdiend, in Nederland en daarbuiten. Hij woonde inmiddels in Parijs, waar hij was gaan behoren tot de kliek rond de criticus, curator en verzamelaar Michel Tapié. In het artikel Appel rolt ver van de boom betuigde Vrijman zijn liefde voor de schilder en leverde daarmee meteen een anti-burgerlijk manifest.

In een interview door Felix Rottenberg vertelde Vrijman in 1990: 'Appel is heel erg belangrijk voor mij geweest, omdat hij eigenlijk is hoe ik had willen zijn. Dat lef, die guts, die creativiteit. Die man is ongelooflijk.' De adoratie spat van het artikel af. Het citaat dat een cliché zou worden, komt uit een alinea waarin 'Karel' ook zegt: 'Ik leg het er tegenwoordig flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en met blote handen tegenaan, ik gooi d'r soms hele potten tegelijk op.' Appel vervolgde met een anekdote over een doek dat zo zwaar van de verf was dat 'drie man' het niet konden tillen. Het was simpele stoere praat en in het artikel van Vrijman moest daaruit blijken hoe heerlijk niet-kleinburgerlijk deze schilder was.

Stills uit De werkelijkheid van Karel Appel (1961) Beeld Jan Vrijman, Beeld en Geluid
Beeld Jan Vrijman, Beeld en Geluid

Tobber

De woorden die een kunstenaar kiest, worden vaak te zwaar gewogen, zegt Kaiser nu: 'Het hoofd van een kunstenaar zit zo vol met eigen werk, als daar dan iets uitkomt, kan dat vrij willekeurig zijn. Er wordt soms gezegd dat een kunstenaar het beste over zijn werk kan vertellen. Dat denk ik helemaal niet. Je hebt een curator nodig, een bemiddelaar.'

Jan Vrijman was zo'n bemiddelaar, maar belichtte slechts één kant van Appel. Aan Rottenberg vertelde Vrijman in 1990 dat hij zelf een tobber was, dat hij 'belachelijk perfectionistisch' was. Je hoeft geen psycholoog te zijn om te zien dat daarom die spontaniteit van Appel Vrijman aansprak.

Na zijn journalistieke werk stortte Vrijman zich vanaf eind jaren vijftig op documentaires en tv. In 1961 maakte hij de bekende documentaire De Werkelijkheid van Karel Appel. Daarin werd zijn beeld van de ongepolijste woesteling nog een tikkeltje heviger neergezet. Het publiek kon Appel nu écht zien smijten met verf, soms zelfs met twee kwasten tegelijk. Hij draait zich met een theatrale zwaai naar de kijker voor klinkende oneliners, zoals: 'Ik begin vanuit mijn materie, dat is verf.' Overduidelijk ingestudeerd.
(Tekst gaat door onder de foto)

Beeld Jan Vrijman, Beeld en Geluid
Beeld Jan Vrijman, Beeld en Geluid

Altijd met kunst bezig

Vrijman filmde de 'barbaar' door een gat in het schildersdoek, zodat de woeste schilder niet alleen het doek aan lijkt te vallen maar ook de kijker zelf. De opzwepende jazz van Dizzy Gillespie en de elektronische klanken ('Musique Barbare') die Appel zelf maakte, versterken de indruk getuige te zijn van een wildemansdans. Vrijman vond het belangrijk dat de kijker zich niet zou vervelen, zei hij later tegen Rottenberg. Dat is nogal een understatement voor wie Appel zo bezig ziet. Het is geen registratie, eerder een ode, een ode aan die woeste creatieve man die Vrijman dolgraag zelf had willen zijn.

Kaiser denkt een manier gevonden te hebben om deze documentaire te gebruiken in de tentoonstelling. Bij de entree laat hij een fragment zien, maar ook foto's die een kijkje achter de schermen geven. Daaruit blijkt dat het atelier speciaal voor de documentaire was ingericht, dat die 'werkelijkheid' waarin we zijn gaan geloven, in scène is gezet. Het was niet eens Appels eigen atelier.

Een rondgang door de tentoonstelling, gevolgd door een bezoek aan het kabinet met die voorstudies, zou genoeg moeten zijn om te concluderen dat Appel veel meer deed dan 'anrotzooien'. Dat hij bedachtzaam te werk ging, bestudeerde en uitprobeerde. Het zou Appel overigens weinig uitmaken, denkt Kaiser: 'Hij was altijd met kunst bezig, ik denk niet dat hij van die uitspraak wakker lag.'

Karel Appel retrospectief, Gemeentemuseum, Den Haag, 16/1 t/m 16/5

Meer Karel Appel: Amsterdam & Zwolle
De komende weken is Appels werk ook te bewonderen in een solo-expositie in Galerie Slewe in Amsterdam. Hier zijn schilderijen van flink formaat te zien die niet eerder aan publiek werden getoond uit 1978-1980. Galeriehoudster Martita Slewe: 'Men herkent het bijna niet als Appel. Er zit weinig figuratie in, geen dieren of poppetjes. Appel had ook een heel studieuze kant, altijd al.'

In Museum De Fundatie in Zwolle is een kabinettentoonstelling aan Appels muze en geliefde gewijd: Machteld, die in 1970 overleed. De schilder kon daarna een jaar niet schilderen, vertelde hij in 2000 aan programmamaker Wim Kayzer: 'Ik ben geleidelijk aan weer gaan schilderen, met moeite, met veel wit, het wit uit de hemel.'

Karel Appel: Reset, Slewe Gallery, Amsterdam, 16/1 t/m 20/2

Machteld - de muze van Karel Appel, de Fundatie, Zwolle, 16/1 t/m 17/4


Waar Appel neerstreek, was wat de schilder maakte

Zeker, die documentaire en het interview van Jan Vrijman hebben het woest-romantische beeld van Karel Appel sterk bepaald, maar er was nog iets dat daaraan bijdroeg: de ateliers van de schilder.

Een zelfportret, noemde kunsthistoricus Carel Blotkamp het atelier ooit, en inderdaad: al sinds de 19de eeuw, toen kunstenaars hun atelier steeds vaker lieten fotograferen (en later ook filmen), droegen werkplekken bij aan het beeld dat we van een kunstenaar hebben. Van Mondriaans Parijse blokkendoos tot de vuilnisbelt waar Francis Bacon z'n katers graag mocht uitschilderen, tot het classicistische museum-aan-huis waar Sir Lawrence Alma Tadema werkte - ze waren sturend in hoe een kunstenaar de geschiedenis inging.

De ateliers die Karel Appel betrok in respectievelijk Amsterdam, Parijs, New York, Toscane, Auxerre, Monaco, Baarn, en nog een stuk of wat plekken, vormden daarop geen uitzondering, zij het dat er een veelkantiger zelfportret uit oprijst: spartaans, zelfredzaam, succesvol, nomadisch, vooral dat laatste.

Beeld Jan Vrijman, Beeld en Geluid

Omstandigheden

Wat dat spartaanse aangaat: dat wordt gematerialiseerd in de vroege ateliers. Die aan de Amsterdamse Zwanenburgwal (nummer 42) en Oudezijds Voorburgwal, respectievelijk een achterkamer en een zolderverdieping, en ook het beroemde atelier aan de Parijse Rue Santeuil, een oude leerlooierij, waar naast Appel ook Corneille en Bram Boogaard werkten. Hun territoria bakenden de kunstenaars er af met een provisorische constructie van houten schotten.

De omstandigheden in die ateliers waren eender - eender pet. Kapotte kachels, ratten op de gang. Gelukkig stonk het er niet, o nee: dat deed het wel. Dat waren de ateliers uit de jaren veertig en vijftig, die van voor het succes, voor Appel werd opgenomen in de kunst-jetset. Daarna, en dit is een andere kant van het zelfportret, had hij ateliers die zich onderscheidden door hun weidsheid (aan Broadway in New York) of exotische locaties (het New Yorkse Chelsea Hotel; een in onbruik geraakte kapel op een landgoed in Toscane).

Ook was er een fictief atelier: dat op het landgoed Kasteel Groeneveld in Baarn - Jan Vrijman nam er zijn beroemd geworden film op. Appel hield ze tegelijk aan, en pendelde ertussen, op vaste tijden veranderde hij van omgeving, als een broedvogel. Katja Weitering, artistiek directeur van het CoBrA Museum, noemt ze 'ankerpunten' in een nomadenleven. Er valt iets interessants over te vertellen: hoe ze Appels kunst vormden.

Beeld Jan Vrijman, Beeld en Geluid

Materialen

In sommige gevallen was dat behoorlijk één op één. Zo is er het - apocriefe? - verhaal over het Oudezijds Voorburgwal-atelier, waar geen licht was, waardoor men er tijdens nachtelijke uren in het donker moest schilderen, een uitstekende manier om los te komen van al te geijkte keuzes, aldus de schilder - een methode waarvan pas 's ochtends, wanneer het licht werd, kon worden vastgesteld of ze vruchten afwierp.

Op andere momenten leverde het atelier, of de omgeving daarvan, het directe materiaal waaruit Appel zijn kunst vervaardigde. Op de Oudezijds Voorburgwal, nogmaals, maakte Appel beelden uit het hout van zijn kozijnen. Op het landgoed Molesnes, in de buurt van Auxerre, waren het de boomstronken rond het atelier die hij gebruikte. In Toscane: materialen uit de wijnbouw, de deksel van een wijnvat, de ladders tussen de wijnranken, elementen uit het Italiaans carnaval - in het beeld op het plein voor het CoBrA-museum in Amstelveen zijn alle terug te vinden.

Kortom, waar hij neerstreek en zijn ezel opzette, was wat de schilder - deels - maakte. Karel Appel leefde ín zijn kunst.

Stefan Kuiper

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden