Kapitein, mijn kapitein, nobele ziel!

In Moby Dick wil kapitein Achab maar één ding: de gelijknamige walvis doden die ooit zijn been afhapte. Uit dat ene gegeven schiep Herman Melville een complex meesterwerk, dat óók een avonturenroman is....

Het is een bekend gegeven: menig boek dat later de status van meesterwerk bereikte, werd ooit door de contemporaine kritiek als misbaksel afgedaan. De Amerikaanse Critical Heritage-reeks, die de receptie van een groot aantal vooraanstaande auteurs boekstaaft, dankt er een deel van zijn succes aan.

Tot de meest tot de verbeelding sprekende, want meest dramatische voorbeelden behoort de ontvangst van Herman Melville’s Moby Dick. ‘De heer Melville heeft het aan zichzelf te wijten als de gemiddelde lezer zijn gruwel- en heldenverhaal in een hoek gooit’, ‘rommel, behorend tot de ergste school van waanzin-literatuur’ en ‘Herman Melville (*) zou zijn krachten niet moeten verspillen aan doelloze en onevenwichtige ondernemingen als dit oeverloze verhaal over potvissen’.

Weliswaar stonden hier enkele uitgesproken positieve, van een opmerkelijk inzicht getuigende kritieken tegenover, maar de algemene teneur van de ontvangst van de roman, anno 1851, luidde: wat jammer dat een auteur die ons eerder met zulke mooie boeken heeft verblijd het er ditmaal zo lelijk bij heeft laten zitten. De verkoop van Moby Dick werd een flop en Melville kwam nooit meer echt over dit gebrek aan artistiek en commercieel succes heen. Zes jaar later publiceerde hij zijn laatste roman, om vervolgens tot zijn dood in 1891 nog slechts poëzie het licht te doen zien. De novelle Billy Budd verscheen pas in 1924.

Die publicatie markeerde het begin van de herwaardering van Herman Melville. In de jaren daarna verwierf hij de status van een der allergrootsten uit de Amerikaanse literatuur en werd Moby Dick uitgeroepen tot zijn meesterwerk. Die waardering is sindsdien alleen maar toegenomen en nog altijd verschijnen er met regelmaat Melville-biografieën en andere studies over de schrijver en zijn werk.

Het is niet verwonderlijk dat veel lezers en critici aanvankelijk moeite hadden met Moby Dick. Het is een op zijn zachtst gezegd weinig conventioneel opgebouwde roman. Natuurlijk, er is de verhalende kern van een geobsedeerde, eenbenige kapitein, Achab genaamd, die het tot zijn levenstaak heeft gemaakt de witte walvis Moby Dick te doden. Maar dat verhaal wordt met zeer grote regelmaat onderbroken door fascinerende, maar soms ook behoorlijk droge verhandelingen over de walvis, de walvisvaart en alles wat daar in de ruimste zin van het woord ook maar zo’n beetje mee samenhangt.

Naast een weinig hechte structuur kent het boek een verschuivend vertellersstandpunt. Aanvankelijk volgen we de belevenissen van verteller/ik-figuur Ismaël, maar gaandeweg komt er een alwetende verteller aan het woord, waarna Ismaël bij gelegenheid weer terugkeert. Dat de roman naast vertellingen, bespiegelingen en essays onder meer ook nog toneelteksten bevat, maakte het allemaal nog lastiger verteerbaar.

Deze wonderlijke opbouw heeft alles te maken met het feit dat Melville halverwege het schrijfproces in contact kwam met zijn door hem bewonderde collega Nathaniel Hawthorne. Hun gesprekken over de aard van het kwaad en de tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid waren van grote invloed op Melville’s denken en deden hem besluiten Moby Dick een geheel andere wending te geven. Het werd naast een avonturenroman een weerbarstig, niet-eenduidig betoog over een onverschillige of vijandige God en een pessimistisch commentaar op het menselijk bestaan. In het gladstrijken van compositorische en andere plooien, was Melville vervolgens niet meer geïnteresseerd.

Het is onder meer het gebrek aan eenduidigheid, dat Moby Dick een tijdloos boek heeft gemaakt. De gelaagdheid en multi-interpretabele symboliek van het boek blijken voor telkens nieuwe generaties lezers aantrekkingskracht te hebben. Kapitein Achab is onder meer een ideaal projectiescherm gebleken voor allerlei, liefst gecompliceerde vormen van maatschappelijk kwaad. Naast, onvermijdelijk, Adolf Hitler valt de laatste jaren ook de vergelijking met zowel Osama bin Laden als George W. Bush te horen.

De Nederlandse vertaalgeschiedenis van Moby Dick loopt redelijk parallel met de waardering die Melville in de loop der jaren ten deel viel. De eerste vertaling van de roman, door J.W.F. Werumeus Buning, stamt uit 1929. Daarna volgden er nog vijf, waarvan de laatste, door Barber van der Pol, zojuist is verschenen in de Perpetua-reeks. Heeft dat nut, zoveel vertalingen in nog geen tachtig jaar? Het is bekend dat vertalingen veel sneller verouderen dan de originele tekst, al was het maar omdat een vertaler altijd keuzes moet maken uit een reeks van mogelijkheden, en zich uiteraard zowel in het vocabulaire als de interpretatie laat beïnvloeden door de heersende modes en tijdgeest.

De vertaling van Van der Pol blinkt uit door helderheid, nuchterheid en precisie. Dat blijkt al vanaf de befaamde eerste zin: ‘Call me Ishmael’, waarmee de ik-figuur te kennen geeft dat hij een verschoppeling is. Ismaël was immers de zoon van Abraham en diens slavin Hagar, die de woestijn werd ingestuurd. Het is niet zijn echte naam, maar omschrijft zijn plaats in het leven. Je zou het dus als ‘Zeg maar Ismaël’ kunnen vertalen, zoals ook is gebeurd, maar Van der Pol kiest voor de nuchtere eenvoud van ‘Noem me Ismaël’.

Vergeleken met de vertaling van S. Westerdijk uit 1979 is de taal in deze nieuwe uitgave danig opgefrist. Als Westerdijk bijvoorbeeld in hoofdstuk 27 over eerste stuurman Starbuck schrijft dat hij ‘vele jaren lang het stoute leven van walvisvaarder had geleid’, wordt dat bij Van der Pol dat de man ‘nu al jaren het stoere visserleven leidde’, wat zowel eigentijdser als nauwkeuriger is (Melville spreekt over ‘fishery’ niet over ‘whaling’).

Heel helder komt ook het verschil in vertaalopvatting tot uiting aan het dramatische slot van het boek, als Starbuck (in een verwijzing naar het beroemde gedicht van Walt Whitman over Abraham Lincoln, want Moby Dick sterft van de literaire allusies) kapitein Achab toeroept: ‘O, my Captain! my Captain! noble soul! grand old heart, after all! Why should any one give chase to that hated fish! Away with me!’ Bij Westerdijk werd dat: ‘O, kapitein; mijn kapitein! Edele ziel! Groot en nobel hart, ondanks alles! Waarom zouden we op die gehate vis gaan jagen! Weg van hier!’ Dat is adequaat en respecteert Melville’s eigenzinnige gebruik van uitroeptekens halverwege de zin. Van der Pol normaliseert het uitroeptekengebruik en preciseert de vertaling aanzienlijk: ‘O, kapitein, mijn kapitein, nobele ziel, grootmoedig, oud hart, al met al! Waarom zou wie dan ook jacht maken op die gehate vis! Ga met me mee!’

Met de deze nieuwe, zowel integere als frisse Moby Dick-vertaling zijn we een stukje dichter bij Melville gekomen. Heel soms gaat er dan iets verloren. Zoals Westerdijks fraaie Melville-aforisme ‘aan al wat edel is, kleeft droefgeestigheid’. Helaas, zo compact heeft de schrijver het niet geformuleerd. Hij schreef: ‘A noble craft, but somehow a most melancholy! All noble things are touched with that.’ De nieuwe vertaling stelt terecht: ‘Een edel vaartuig, maar op de een of andere manier hoogst zwaarmoedig! Alle edele dingen hebben dat een beetje.’

Ach, misschien is die formulering in zijn terloopsheid nog wel treffender.Hans Bouman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden