Kansspelmuseum

Het woord museum is een tikje te fors voor deze hoek in de hal van het hoofdkantoor van de Staatsloterij....

Henk Strabbing

In april is hier een klein feestje gevierd. Toen bestond de Staatsloterij 225 jaar. Om precies te zijn: op 4 april 1726 werd de zogenoemde Generaliteitsloterij opgericht, de rechtstreekse voorganger van de huidige Staatsloterij.

Gokken zat al van oudsher in de Nederlandse volksaard. De eerste officiële loterij staat genoteerd voor Utrecht in 1444. De stad zat om geld verlegen. De hoofd- en tevens enige prijs was een lijfrente.

In de Middeleeuwen had elke stad wel een loterij, en gaandeweg was dat ontaard in een flinke chaos. De overheid wenste toezicht. Het is nooit helemaal duidelijk geworden of dát de reden was van de Staten-Generaal om tot deze Generaliteitsloterij te komen, of het groeiende tekort in de staatskas. Waarschijnlijk beide.

Het geldtekort was een rechtstreeks gevolg van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). De Vrede van Utrecht was voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden behoorlijk ongunstig geweest. In de oorlog was het leger flink gegroeid en dat kostte tientallen miljoenen guldens. De oorlog werd gefinancierd met leningen en speciale belastingen. En er waren loterijen, de directe voorlopers van de Generaliteitsloterij.

Tot de oprichtingsdatum van deze loterij in 1726 had ieder gewest zijn eigen recht, belasting en loterij. De Generaliteitsloterij bracht eenheid in het loterijwezen en je kunt zeggen dat zij ook een flinke stap was in de richting van het latere centraal bestuur in Nederland.

Toch had die eerste Generaliteitsloterij niet het succes dat ervan verwacht werd. De opbrengst was erg mager. En waarmee men nauwelijks rekening had gehouden: er bleven andere loterijvormen bestaan. Zo is het eigenlijk altijd gebleven. Lotto, Postcodeloterij en dergelijke lijken iets van de laatste jaren, maar er zijn naast de Staatsloterij voortdurend andere grote en kleine loterijen actief gebleven.

De organisatie van die eerste Generaliteitsloterij lag bij Willem Kersseboom, die een van de beste wiskundige theoretici van zijn tijd wordt genoemd. Zijn eigenlijke functie was commies bij de Raad van State en later klerk bij de Rekenkamer. Maar de eigenlijke opzet, compleet met drie (prijs)klassen, kwam van ene Adolf Huyske (die overigens nóg een plan had ingediend, dat afgewezen werd).

Men besloot op 4 april 1726 tot de volgende gang van zaken: er kwamen 120 duizend loten, 30 duizend prijzen, prijzengeld 2,4 miljoen gulden. De loten waren verdeeld in drie groepen ('klassen') van elk 40 duizend stuks. Een lot in de hoogste klasse kostte 40 gulden, dan 30 en in de laagste klasse kon men voor 20 gulden terecht. Het prijzengeld verhield zich navenant. Als hoogste prijzen konden worden uitgekeerd: 60 duizend, 40 duizend en 20 duizend gulden. De laagste prijs was 20 gulden.

Er zijn in Nederland altijd (vooral religieuze) groeperingen geweest die niets van gokken moesten hebben. In 1901 probeerde Abraham Kuyper er bij wet een eind aan te maken. De AR-politicus beschouwde loterijen als een bron van zedelijk verval. Maar zijn kabinet bleef te kort aan om het voornemen te kunnen uitvoeren.

Het debat sudderde langere tijd voort. In een van de vitrines van het Kansspelmuseum prijkt een spotprent van de fameuze Johan Braakensiek in het weekblad De Amsterdammer uit 1904. Daarop staat de Nederlandsche Maagd afgebeeld met een waaier in haar hand waarop het woord 'Staatsloterij'. Ze zit op een troon met de woorden 'opium' en 'jenever'. Voor haar staan vier door een koddebeier geboeide vrouwspersonen op wier sjaals en mantels de namen van diverse andere loterijen prijken. 'Wat ben jullie verschrikkelijk onzedelijke vrouwspersonen!', voegt de Maagd deze dames toe.

De strekking is duidelijk. Braakensiek hekelt de wijze waarop de staat van die dagen blijkbaar over de slechte zedelijke gewoonten van het volk wil waken, maar zelf toch maar mooi de inkomsten van die slechte loterij int.

Tussen de beide wereldoorlogen zat de Staatsloterij behoorlijk in het slop, maar in 1955 kon minister van Financiën J. van de Kieft de Staatsloterij er een halve serie bijgeven wegens de grote populariteit op dat moment.

In 1992 werd de Staatsloterij verzelfstandigd in de Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij en daarmee kwam een eind aan de eeuwenlange directe betrokkenheid van de staat bij deze loterij.

Blijft het enige probleem: de naam 'Kansspelmuseum' is te algemeen. De nieuwe vormen van loterij, zoals Sporttoto, Lotto, Postcodeloterij, worden wel genóemd, maar nergens, in welke vorm dan ook, behandeld. Dit Nederlandse Kansspelmuseum gaat alleen over de Staatsloterij en zou dus eigenlijk Staatsloterijmuseum behoren te heten.

Wie begint het échte Kansspelmuseum? Of nog beter: gewoon Gokmuseum.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden