Feiten voor bij het skypenthuis les krijgen

Kansenongelijkheid kan toenemen door thuisonderwijs

Nu lesgeven digitaal plaatsvindt rijst de vraag: hoeveel kinderen hebben toegang tot een geschikte computer om mee te werken?

Allemaal mooi en aardig dat thuisonderwijs, maar zijn er wel genoeg computers om alle kinderen les te geven? Kim Putters van het Sociaal Cultureel Planbureau waarschuwde al dat de kansenongelijkheid kan toenemen doordat kinderen voorlopig thuis onderwijs krijgen. Niet elke ouder is immers even bedreven in lesgeven en bovendien hebben sommige gezinnen niet genoeg apparaten ter beschikking om de online lessen te volgen. Maar hoe zit het nu precies? Welke feiten moet u paraat hebben als u dit weekend via Skype of Hangouts uw vrienden of familie spreekt?

Laten we beginnen met het goede nieuws. Nederlanders hebben bijna allemaal toegang tot internet. Liefst 98 procent van de inwoners heeft een internetaansluiting en kan dus in principe contact leggen met de leraren op school. In Italië, waar ze ook in thuisquarantaine verblijven, heeft pas 84 procent een aansluiting. Binnen de Europese Unie heeft online lesgeven de minste kans van slagen in Bulgarije, waar in totaal 75 procent van de bevolking het web op kan. In niet-EU-landen als Bosnië en Montenegro ligt dat percentage nog iets lager.

Toegang is één ding, maar is de apparatuur voor het onderwijs ook op orde? De meeste Nederlanders hebben wel een mobiele telefoon, maar voor een geschikte les lijken een computer of laptop onmisbaar. Zo bezien is de situatie somberder. Een aanzienlijk deel van de Nederlandse huishoudens heeft geen laptop of computer in bezit. Bij vijf van de tien huishoudens staat nog ergens in huis een computer – ongetwijfeld vaak een oudere desktop. Een laptop is bij acht van de tien huishoudens beschikbaar.

Maar tussen de huishoudens zijn er onderling grote verschillen. Armere huishoudens hebben minder laptops of computers. Als de ouders lager geschoold zijn, ontbreekt de juiste apparatuur ook vaker. In éénoudergezinnen zijn net iets minder apparaten te vinden dan bij een gezin met twee ouders. En bij de gezinnen waarvan de ouders een migratieachtergrond hebben, zijn gemiddeld ook iets minder geschikte apparaten in huis. Het spreekt voor zich dat een combinatie van deze factoren het minst gunstig uitpakt.

Op de middelbare school hebben veel leerlingen inmiddels wel een telefoon en een laptop. Zo’n 89 procent van de tieners bezit een laptop, blijkt uit de CBS-cijfers. Vooral de basisschoolleerlingen moeten de laptop van hun ouders gebruiken, maar daarvoor geldt dus dat niet iedere ouder een apparaat bezit.

De thuissituatie van het kind heeft zo invloed op de beschikbaarheid van geschikte laptops of computers. Diverse scholen zijn daarom ook al bezig apparatuur ter beschikking te stellen. Elke computer extra is er één.

Maar één computer kan soms te weinig zijn. In grote gezinnen moeten kinderen soms vechten om de geschikte computer. En ook hier geldt:  inkomen, opleiding en afkomst hebben invloed op het aantal apparaten dat er in huis is.

Mocht u dit weekend via Skype in een discussie belanden over digitaal onderwijs, kunt u zich dus best eens druk maken over de kinderen die geen of onvoldoende computers ter beschikking hebben.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden