Kan Ritzen zelf de wet nog uitleggen?

De prestatiebeurs is dank zij de senaat voorlopig van de baan. A.F. van den Hoeven hoopt dat minister Ritzen nu eerst nadenkt over de uitgangspunten van de studiefinanciering....

RUIM een jaar geleden werd in opdracht van de Nederlandse Staatscourant een enquête gehouden onder parlementsleden over het thema 'Een ieder wordt geacht de wet te kennen'. De overgrote meerderheid van de ondervraagde kamerleden (86 procent) vond dat een wet zo geschreven moet zijn dat ook niet-deskundigen de wet kunnen lezen. Als voorbeeld van een slechte wet op dit punt scoorde vooral de Wet op de Studiefinanciering (WSF). Dat is geen verrassing.

Vanaf de invoering in 1986 is deze wet voortdurend op negatieve wijze in het nieuws geweest. De verwarring in de beginjaren rondom de toenmalige Informatiseringsbank (thans IB-Groep geheten), de onbereikbaarheid van de steunpunten studiefinanciering en de kritiek van de Nationale Ombudsman staan velen nog helder voor de geest.

De verantwoordelijkheid voor de problemen rondom het nieuwe stelsel van studiefinanciering werd veelal gelegd bij de instantie die de wet uitvoerde: de IB-Groep. Het is echter te gemakkelijk om de uitvoeringsinstantie aansprakelijk te stellen. De verantwoordelijkheid ligt niet bij de uitvoerder, maar bij de makers van de wet, de politici.

Zij hebben het oorspronkelijk solide huis van de studiefinanciering uit 1985 al bijna vijftig keer verbouwd, gedeeltelijk gesloopt en gerenoveerd: wat rest is een doolhof, dat beter onbewoonbaar verklaard kan worden. De verbouwingen werden weliswaar gepresenteerd onder fraaie namen als 'harmonisatiewet', 'heroriëntering', 'student op eigen benen', 'c+1+2-maatregel', '27-jarigen-maatregel', 'tempobeurs' en 'prestatiebeurs', maar eigenlijk ging het telkens om een bezuinigingsoperatie. Het in 1985 ingevoerde systeem bleek te kostbaar.

Door deze over elkaar tuimelende wijzigingen hebben we nu een wet die vrijwel onuitvoerbaar is en in ieder geval - zo is mijn ervaring als studentendecaan - voor studenten onbegrijpelijk.

De tijd is rijp voor een fundamentele herbezinning op een nieuw stelsel dat gedurende langere tijd mee kan. Dat systeem moet voor studenten helder en billijk zijn en niet telkens veranderen tijdens de studiecarrière.

De huidige regelgeving voldoet al lang niet meer aan deze eenvoudige eisen. Door de zeer snel opeenvolgende grote aanpassingen van de WSF, zitten er nu naast elkaar in één collegezaal vijf soorten studenten, op wie telkens een andere regeling van toepassing is. Piet heeft recht op zes jaar beurs, zijn vriendin heeft recht op vijf jaar beurs, en zijn zeventienjarige jarige broer die net is gaan studeren heeft geen recht op studiefinanciering, maar wel op een tegemoetkoming in de studiekosten.

Daarnaast zijn er medestudenten van Piet, die tot hun 27ste jaar een beurs krijgen, maar ook medestudenten die tot na hun dertigste een beurs krijgen. Deze variatie geldt voor de reguliere vierjarige opleiding. Bij de langere opleidingen zoals geneeskunde is het systeem nog ingewikkelder en zijn er nog meer categorieën.

Het systeem wordt helemaal onbegrijpelijk doordat een student tijdens zijn studie van de ene naar de andere regeling kan overgaan: bij verandering van studie geldt voor de studiebeurs niet meer de leeftijdsgrens van dertig jaar, maar van 27 jaar.

De logica in de huidige regelgeving is ver te zoeken: hoe moet ik nu uitleggen dat de student die in het studiejaar 1990-1991 op achttien-jarige leeftijd ging studeren recht heeft op zes jaar beurs, en bij doorstroming van bijvoorbeeld hbo naar wo nog eens drie jaar beurs extra, terwijl zijn zus die zeventien was toen zij in datzelfde jaar ging studeren slechts recht heeft op vijf jaar beurs, en niet meer?

Waarom komt de gehandicapte student wel in aanmerking voor een jaar verlenging van de inschrijvingsduur en daarmee verlenging van een jaar studiefinanciering, maar bestaat die extra studiefinanciering uit een lening als de student net 27 jaar is geworden? Ik kan zo nog wel even door gaan.

Toen ik zelf studeerde, was de vraag of een student recht had op een studiebeurs (toen rijksstudietoelage genaamd) eenvoudig te beantwoorden: als je ouders niet te veel verdienden, kreeg je een beurs; als je redelijk doorstudeerde, hield je een beurs. In het huidige stelsel heeft de student voor het beantwoorden van dezelfde vraag hulp nodig van allerlei deskundigen en specialisten.

Het recht op een studiebeurs hangt namelijk af van zeker zes verschillende factoren die voor iedere student verschillend kunnen uitpakken: in welk jaar is de student begonnen, heeft hij ononderbroken gestudeerd, is hij van studie veranderd, hoe oud is hij, heeft hij nog recht op inschrijving, is voldaan aan de eisen van de tempobeurs.

De student die wil weten hoe groot het plakje worst (de studiebeurs) is dat hij van de overheid krijgt, moet de worst eerst door vijf verschillend afgestelde snijmachines (leeftijd, inschrijvingsduur enzovoort) halen. Pas dan weet hij hoeveel worst resteert.

Terug naar het oordeel van de kamerleden dat een wet zo geschreven moet zijn dat ook niet-deskundigen op het betrokken gebied de wet kunnen lezen. De WSF is niet alleen voor studenten onbegrijpelijk. Zelfs deskundigen zoals studentendecanen en medewerkers van de steunpunten studiefinanciering komen er nauwelijks uit. Maar ook degenen die de wet hebben gemaakt, de politici, begrijpen de inhoud niet meer, met alle gevolgen vandien.

Een voorbeeld van dit laatste is de speciale voorziening die in 1991 op verzoek van het Tweede-Kamerlid Lansink (CDA) in de wet is opgenomen: een student die voor meer dan één studie, waaronder de bovenbouwstudierichting wijsbegeerte, is ingeschreven heeft in plaats van vijf jaar beurs en twee jaar lenen, recht op vijf jaar beurs en drie jaar lenen.

De studenten wijsbegeerte werden echter blij gemaakt met een dode mus. Er is namelijk over het hoofd gezien dat studenten na zes jaar al geen recht meer hebben op een lening; een verruiming van twee naar drie jaar lenen is dus zinloos.

AFGELOPEN dinsdag heeft de Eerste Kamer met het verwerpen van de prestatiebeurs voorkomen dat het huidige stelsel nog ingewikkelder zou worden. Daarmee lijkt er even rust te zijn gekomen op het gebied van de studiefinanciering.

Ik vrees echter dat deze rust van korte duur zal zijn. Minister Ritzen heeft al aangekondigd dat hij de gedachte achter de prestatiebeurs niet heeft losgelaten, en dat hij zal pogen deze via nieuwe wetgeving alsnog te realiseren.

Daarmee continueert hij het beleid van over elkaar heen rollende wetsvoorstellen, waarbij het binnenhalen van bezuinigingen belangrijker is dan de kwaliteit van de wetgeving. Ik hoop dat de minister het door de Eerste Kamer afgegeven signaal serieus neemt, dat wil zeggen dat hij nu eerst gaat nadenken over de uitgangspunten van de studiefinanciering.

En het huidige stelsel? Tot de invoering van dat nieuwe stelsel gewoon met rust laten.

A.F. van den Hoeven is studentendecaan aan de Universiteit Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.