Kamer kan EU niet controleren

Het is een grote gok erop te vertrouwen dat nationale parlementen het economische beleid in de EU kunnen controleren.

Mathieu Segers schrijft de zekerheden van Ruud Lubbers en Paul van Seters over de Europese politieke unie aan flarden (O&D, 18 januari). Lubbers was destijds als premier nauw betrokken bij de ondoordachte invoering van de euro. Achteraf moest hij erkennen dat het europroject vol losse eindjes zat, maar dat weerhoudt hem er niet van om alweer met ongekend optimisme het vervolg in de vorm van de politieke unie aan te prijzen. Opnieuw negeert hij twijfels en openstaande vragen. Dit soort simplisme heeft het draagvlak van de euro uitgehold. Segers heeft dan ook groot gelijk dat de Europese politieke unie het vervolg is op het eerdere gegok. De factfree politics van Europese integratie moet stoppen.


Vervolgens maakt Segers echter een populaire en juist daarom gevaarlijke draai in zijn kritiek. Hij constateert dat de Europese politieke unie (als vervolg op de euro) nog moet worden ingevuld en, cruciaal, stelt dat nationale parlementen hierin een essentiële rol hebben. Dit verwoordt het geldende geloof, of zoethoudertje, dat Europese besluitvorming vooral dicht bij de burger moet liggen en dat de democratische controle dus nationaal moet blijven. In de zoektocht naar nationale legitimiteit zijn Europese regeringen nu, met Frans Timmermans voorop, op zoek naar manieren om nationale parlementen nauwer bij EU-beleid te betrekken. Beleid en democratische controle moeten op het laagst mogelijke niveau blijven. Elke belangrijke speech, van EU-critici als Cameron tot EU-leiders als Barroso, hemelt tegenwoordig nationale parlementen op als basis van Europese legitimiteit.


Het taboe moet maar eens in de schijnwerpers worden gezet: kunnen nationale parlementen wel het economische beleid in de EU controleren? Als dat niet zo is, dan moeten we het Europese parlement accepteren voor de democratische controle of, als we dat niet willen, ophouden met de euro.


De eerste grens aan nationale democratische controle betreft knelpunten waar nationale parlementariërs mee kampen, zoals gebrek aan kennis, aan overzicht en aan prikkels om zich met andere landen te bemoeien. De EU heeft gekozen voor een onafhankelijke economische Commissaris (nu Olli Rehn) die het economische beleid van lidstaten monitort. Niet alleen zijn aanbevelingen aan lidstaten maar vooral de uitvoering daarvan moeten worden gecontroleerd. Italië en Frankrijk, bijvoorbeeld, dralen met hervormingen.


Nationale Kamerleden missen de tijd en het inschattingsvermogen om hervormingen in andere landen te volgen. Binnen een uur nadat Rehn zijn aanbevelingen aan lidstaten heeft gepresenteerd roepen nationa-le parlementariërs uit alle lidstaten 'wij doen dit al, dus Rehn zegt niets nieuws' of 'waar bemoeit Rehn zich mee', om er maar mee klaar te zijn. Ook zien parlementariërs niet graag dat bijvoorbeeld Slovenen iets zeggen over ons woningakkoord. Parlementariërs hebben evenmin behoefte om kritiek van Franse parlementariërs uit te lokken door uitspraken te doen over de achterblijvende hervormingen daar. Om maar te zwijgen over het gevoel van soevereiniteit dat parlementariërs aller landen koesteren.


Net als de onafhankelijke Commissaris Rehn is ook de Europese Centrale Bank stevig politiek bezig door lidstaten overeind te houden. Rentebesluiten, het redden van banken, maar ook de inzet van het Europese noodfonds kunnen niet allemaal 'onafhankelijk' worden weg-gedefinieerd. Dit gaat over verdelingsvraagstukken tussen arm en rijk, en tussen Noord en Zuid. Rehn presenteert inmiddels in de EU-lidstaten zijn bevindingen, maar er is amper een Europese journalistiek, zodat onzichtbaar blijft in hoeverre hij zijn verhalen afstemt op individuele lidstaten. De politieke nuances die Rehn kiest blijven daarmee ver buiten het zicht van nationale politici. Het is onwaarschijnlijk dat het enkel voor Europees economisch beleid verantwoordelijke CDA- of D66-Kamerlid in staat is de situaties in de lidstaten te overzien.


De tweede grens aan de rol van nationale parlementen is dat controle van achttien nationale parlementen in de eurozone niet hetzelfde is als Europese controle. Als achttien landen gaan bezuinigen stort de economie van de eurozone in. Een normaal gebruik van het economische instrumentarium op Europees niveau kan beter met vraaguitval overweg als wordt gekeken naar de balans tussen de aanpassingen van lidstaten en de gevolgen voor de eurozone als geheel. Evenzo kunnen afzonderlijke lidstaten het deflatiespook dat nu dreigt niet bevechten. Deflatie vraagt instrumenten als een eurozonebegroting en expansief ECB-beleid.


Als laatste speelt het probleem dat nationale parlementaire controle grotendeels wordt afgezwakt omdat een Kamermeerderheid sowieso de regeringsmeerderheid steunt. Debatten in de Kamer over de EU vervallen daarom veelal in beleefde vragen en antwoorden. Vergaande Europese maatregelen zoals de Europese noodfondsen kregen steun in de landen van de eurozone zonder noemenswaardige parlementaire invloed. Het door Nederland gewenste strengere toezicht werd in de Europese Raad afgezwakt in een onderonsje tussen Merkel en Sarkozy in Deauville. Het Europese Parlement scherpte de maatregelen aan nadat de Tweede Kamer er zich al bij had neergelegd.


Europese integratie is vergeven van optimistische aannamen. Kritische vraagtekens zijn daarom essentieel. In deze fase van verdergaande economische en politieke integratie is ook de hoop op nationale democratische controle een grote gok. Het uitgangspunt moet zijn dat de grenzen van nationale parlementen bereikt zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden