Kaartje naar Londen

Het tweede deel van zijn levensverhaal wijdt de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee aan zijn jaren in Londen. Portret van een jongeman, dat eerder in het Nederlands verschijnt dan in het Engels, is vooral een schrijnend verhaal over liefde en kunst....

IN ZIJN nieuwste boek, Portret van een jongeman, schrijft J.M. Coetzee over zijn verblijf begin jaren zestig in Londen. Het is een treurig relaas over een door en door eenzame Zuid-Afrikaanse jongen, die weliswaar wiskunde heeft gestudeerd en daarom als computerprogrammeur bij IBM in Londen mag beginnen, maar die ervan droomt schrijver, of misschien nog liever dichter te worden.

Je zou kunnen zeggen dat deze jongen, als dat bij z'n gereserveerde karakter zou passen, geobsedeerd is door het verlangen kunstenaar te worden, maar - en nu komt het wat dit boek zo oprecht en tegelijk navrant maakt - dat kan in zijn ogen niet zonder dat hij de liefde heeft leren kennen. Dus wordt dit Portret van een jongeman behalve een verhaal over de eerste generatie computerspecialisten - die toen nog met van die gigantische Hollerith-machines werkten - vooral een heel schrijnend verhaal over liefde en kunst, de relatie tussen beide, en de onmacht, zeg maar de onmacht in het kwadraat, om iets behoorlijks op beide terreinen tot stand te brengen.

Mislukking is al wat de klok slaat in het leven van de jonge John, en dat is des te intrigerender omdat wij weten dat de schepper van deze autobiografie, zeker na de sublieme roman Disgrace (In ongenade), zo rond zijn zestigste zeer hoog is gestegen in het walhalla van de wereldliteratuur.

Portret van een jongeman kunnen we voorlopig alleen in de Nederlandse vertaling van Peter Bergsma lezen, omdat Coetzee het eerstgeboorterecht van dit boek aan zijn Nederlandse uitgeefster Eva Cossee heeft gegeven. Onder de titel Youth verschijnt het over een paar maanden in Engeland. Eerder dan het perfide Albion, om met Joyce te spreken, weten we daarom dat Coetzee in dit tweede deel van zijn levensverhaal (in Jongensjaren schreef hij al over zijn jeugd in de Zuid-Afrikaanse provincie) op een verhelderende manier de verhouding tussen Engeland en de koloniale wingewesten ter sprake brengt. Dat is een eerste reden om van een bijzondere publicatie te spreken.

Jarenlang is in Engeland gediscussieerd over de toename van 'vreemde' schrijvers in 'de eigen literatuur'. Telkens wanneer de nominaties voor de Booker Prize werden bekendgemaakt, wakkerde de discussie daarover aan, omdat de Naipauls, Rushdies, Ishiguro's, Kureishi's en Maloufs de macht begonnen over te nemen. 'The Empire writes back', was de journalistieke slogan, waarmee de kwestie kort werd samengevat. Coetzee won tweemaal de Booker Prize, maar in zijn geval werd niet of nauwelijks gewezen op het feit dat hij niet van Engelse oorsprong was. Coetzee was al als Engelsman ingelijfd.

Toch is hij een Afrikaner van huis uit (zoals z'n naam al leert) en weliswaar maakte hij zich het Engels meer eigen dan Tony Blair of Margaret Thatcher. Wie dit nieuwe autobiografische deel leest, beseft van hoever hij is gekomen, als hij zich in zijn Londense jaren bewust is van zijn boerenafkomst. In zekere zin ervaart hij, hoewel uit een blanke cultuur afkomstig, hetzelfde als V.S. Naipaul in zijn eerste Engelse jaren. Wie hun verslagen daarvan naast elkaar leest, ziet de overeenkomsten.

Coetzee wist hoe groot de afstand was tussen het gedroomde Londen en het werkelijke Kaapstad, waar hij wiskunde studeert en met tal van baantjes in zijn levensonderhoud voorziet. Hij wil beslist niet meer van zijn vader en moeder afhankelijk zijn. Met thuis heeft hij definitief gebroken. Te benauwend. Als student in Kaapstad begint hij zich af te vragen of hij ooit een plaats zal vinden waar hij kan ademen en leven. Of is er voor hem slechts een geestelijke ruimte weggelegd? 'Het leven van de geest', overpeinst hij later, als hij dagelijks zijn toevlucht zoekt tot het Brits Museum, 'het leven van de geest, denkt hij bij zichzelf: wijden wij ons daaraan, ikzelf en die andere eenzame dolers in de ingewanden van het British Museum? Wacht ons op een dag een beloning? Zal onze eenzaamheid verdwijnen, of is het leven van de geest een beloning op zichzelf?'

Zijn wiskundestudie is een afleidingsmanoeuvre. Hij begon er wel enthousiast aan, maar hij merkte algauw dat het vak hem niet interesseert, zoals het zijn medestudenten doet (die hem beginnen voorbij te streven). Hij is niet heel goed. Voor de lezer is duidelijk dat dit niet zozeer met zijn intelligentie als wel met zijn motivatie te maken heeft. Hij wordt afgeleid door 'de wereld', hij wil het leven leren kennen, ervaring opdoen, ook in de liefde, om aldus iets beeldends uit zichzelf voort te brengen. Hij wil de gewone dingen van alledag transformeren tot kunst. Hij moet kunstenaar worden.

Omdat hij er van overtuigd is dat hij dit ideaal in Kaapstad zeker niet zal verwezenlijken, spaart hij voor een kaartje naar Londen en daar komt hij ook terecht, na een aantal pijnlijke liefdeservaringen (waaronder de abortus van een vriendin die hem maar weinig deed).

In Londen slaagt hij erin werk te vinden, maar erg boeien doet het hem niet. Het perspectief van een burgerlijk leven in een buitenwijk met vrouw (en kind) benauwt hem zo dat hij telkens weer verkast. Ook met de liefde gaat het niet goed en zo rijst uit dit Portret het steeds treuriger wordende beeld op van een keurige, niet onintelligente, slome, uiterst saaie en bange jongen, die niettemin in zichzelf het romantische vuur van een dichterschap in de geest van Ezra Pound of desnoods T.S. Eliot meent te voelen gloeien. Als het goed is, kunnen al die prikkelend mooie Londense meiden daar niet blind voor blijven, maar dat blijven ze wel. John wordt steeds eenzamer.

Coetzee doet er niet moeilijk over. Hij constateert het eenvoudigweg, en tot overmaat van ramp vertelt hij het de lezer zo nuchter en onaangedaan, dat je er niet koud of warm van wordt. Dit, zo laten zijn woordkeus en toon weten, is geen roman, geen verzinsel, dit is niet om u of mij te behagen, dit is de waarheid, zin voor zin. Zoals het in een autobiografie betaamt.

Dat neemt niet weg dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Steeds weer dreigt het sobere verslag, waaraan de auteur als een consciëntieuze geheimschrijver werkt, de zwier van de evocatie, de toon van de roman, de meeslepende kracht van de literatuur te krijgen, maar steeds op tijd wordt daar ook weer een stokje voor gestoken. We gaan het niet mooier maken dan het is. Zo rijen zich de scènes aaneen, korte hoofdstukken, fragmenten van een leven, en wie die opbouw volgt, ziet hoe per zin, per alinea en per hoofdstuk weliswaar getracht wordt de waarheid geen geweld aan te doen, maar dat uit de keuze van voorvallen en momenten die de schrijver de moeite waard vindt om op te diepen, een teneur te distilleren valt. en op dat niveau vind je reden twee, drie, vier, vijf en zes om dit boek te lezen.

Ik zal ze niet allemaal opsommen, maar het komt erop neer dat Coetzee iets willen zeggen over wat ons in deze tijd kennelijk nogal interesseert en wat we onafgebroken in literaire interviews en biografieën voorgeschoteld krijgen: de verhouding tussen het leven en de kunst. Hoe kon, om de vraag maar meteen te stellen, zo'n ongehoord saai type als de jonge Coetzee zo'n belangrijk schrijver worden. Chargeert hij zijn onbeduidendheid? Ik geloof het niet, hoewel je je er tijdens het lezen van bewust bent, hoe knap een goed schrijver 'eerlijkheid' kan suggereren. Nee, ik denk dat Coetzee werkelijk volstrekt eerlijk is, en niet fabuleert, noch over zijn eenzaamheid, noch over zijn angst te mislukken, noch over zijn onmacht om lief te hebben (ondanks al die rare, meestal tamelijk ontluisterende avontuurtjes waarover hij vertelt), noch over de twijfel aan zijn eventuele talent.

Je speurt bij zo'n indringend verslag over een belangrijke fase in iemands leven (die waarin je geacht wordt volwassen te worden) naar iets, een karaktertrek, een gave, die uiteindelijk zal leiden tot het welslagen waarvan we weet hebben. Ik heb het niet gevonden. Dat maakt dit Portret van een jongeman - wat een ander boek dan A Portrait of the Artist as A Young Man van James Joyce - niet minder boeiend. Integendeel, het intrigeert des te meer, en wie het herleest, zal merken hoe verscholen in de ogenschijnlijk achteloos, maar in feite dwingend geformuleerde zinnen de boodschap besloten ligt dat deze jongen wel in de wereld van de kunst terecht moest komen. Anders zou hij kapot gegaan zijn, of milder gezegd: mislukt zijn. Hij had, om met Nietzsche te spreken, de kunst nodig om niet aan de waarheid (van zijn ervaringen) te gronde te gaan.

Het wordt je allemaal op een tegelijk wereldwijze en naïeve manier verteld, wat fascineert, alsof de jonge Coetzee zijn oudere ik niet helemaal buiten de deur heeft weten te houden - wat je tussen haakjes ook even duidelijk maakt hoe moeilijk zo'n naar 'zuiverheid' strevende autobiografische onderneming is. Daardoor springen des te meer nog twee redenen om dit boek te lezen, in het oog. Ik wil ze niet onvermeld laten. De eerste is de navrante ontdekking van de jonge John dat je niet kunt leven als je alleen leeft om je ervaringen te 'gebruiken'. Dat gaat, pijnlijk, ten koste van mensen (vrouwen in dit geval). De gewetenloosheid van de misdadiger dient zich aan, maar hoe kan zo'n mentaliteit met de kunst (die holde Kunst) in verband worden gebracht? John beseft dat hij moet afzien van het leven om kunst te kunnen maken, maar hij weet dat zoiets niet kan, ook al doordat misschien geen enkele schepping die prijs waard is.

In werkelijkheid is het uiteraard veel simpeler, maar daarom niet gemakkelijker. Op zijn eenzame ontdekkingstocht door kunstenland begint de jonge (of oude) Coetzee in te zien dat kunst voor alles iets maken is, dat afronden en je daarmee blootgeven, en dan maar zien of het als iets van belang wordt geaccepteerd. Maar de drempel over, tussen de schuiferuen vandaan en naarbuiten, dat is wat de jonge Coetzee niet kan. Dat is wat hem angst aanjaagt, op een manier, die allerlei andere angsten teweegbrengt, en hem daardoor dreigt te verlammen. Hij is te laf voor de kunst (en mist de grote bek die kunstenaars na de jaren zestig vaak hun status bezorgde).

Coetzee, die als keurige, bescheiden, verlegen, Zuid-Afrikaanse provinciaal voldoende weet wat angst is, leert die nu ook kennen in zijn literaire, Europese gedaante, de angst van het Franse en Zweedse existentialisme. Zijn onzekerheid als inwijkeling in dat enorme, gesloten bolwerk van de Engelse cultuur, wordt er niet minder door. Hij voelt zich buitenstaander, niet thuis, daar in dat land, waarvan hij thuis de hoge beschaving zo bewonderde. Dit aspect van deze autobiografie is in het licht van de vooroorlogse Exil-problematiek, of met oog op het huidige emigrantenvraagstuk, of meer algemeen gezien tegen de achtergond van wat kinderen uit het arbeidersmilieu ondergingen toen ze in de jaren zestig met velen naar de universiteit mochten, hoogst actueel te noemen, terwijl het die actualiteit tegelijk verdiept en relativeert.

Maar het allerbelangrijkste van dit Portret is het verband dat Coetzee al vroeg in zijn leven bepalend vindt voor alle kunst: de mate waarin zij door de liefde is geïnspireerd. Van het begin af aan is de betrekking tussen kunst en liefde voor hem essentieel. En hij heeft gelijk: wat met liefde wordt geschapen, zal ten eeuwigen dage bloeien, maar wat zonder liefde wordt gemaakt, is voor altijd gedoemd.

Zo eenvoudig is het.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden