Juist als het moet, schieten turnsters tekort

Meespelen met de mondiale elite is een zaak van de lange adem. En bovenal van talent, heel veel talent.

VAN ONZE VERSLAGGEVER JOHN VOLKERS

LONDEN - Nederlandse topturnsters trainen tegenwoordig 32 uur per week. Zij hebben de best mogelijk begeleiding, bevolken goed geoutilleerde zalen en reizen zich suf naar wedstrijden. Maar aan het einde van de vier jaar durende rit, bij het hoogtepunt van een olympische cyclus, staan de gymnastiekmeisjes in hun glitterpakjes er dof uitgeslagen bij.

Zij staan telkens met lege handen, zoals deze week bij het olympisch kwalificatietoernooi (OTE) in Londen, het do or die-moment dat een laatste plaats opleverde. De nationale vrouwenploeg piekt per definitie verkeerd, het accent ligt vooral op naolympische jaren. De turnsters zijn in ieder geval op de belangrijke momenten niet opgewassen tegen de Aziatische, Amerikaanse en zelfs West-Europese concurrentie.

Ook de nieuwste bondscoach in het rijtje, de jonge Fries Gerben Wiersma, ging zijn weg met een immer jeugdige selectie. Nergens is de omloopsnelheid van sporttalent immers zo hoog als in het blessuregevoelige turnen, artistic gymnastics in het Engels. Er is overigens niks artistieks aan het verschrikkelijke harde trainen, waaraan jonge sportsters kinderen worden blootgesteld.

Wiersma, al sinds 2001 aanwezig op grote toernooien, moest woensdag constateren dat hij het niet goed had gedaan, niet alles althans. Hij had fouten gemaakt in de 'periodisering', het afstemmen van inspanning en wedstrijdpiek. En hij had zich vergist in de fitheid van zijn twee topturnsters, Céline van Gerner en Joy Goedkoop. Zij ontbraken bij de finale proef in Londen, bij de laatste slagboom voor de olympische entree.

Allemaal zijn schuld, zei hij eerlijk. Wiersma heeft nog een contract tot het einde van het jaar. De coach wil zijn kennis, die hij in twee jaar heeft opgedaan, graag nog eens vier jaar in de praktijk brengen. Maar de media en de bond (KNGU) mogen hem 'afrekenen'. Zijn vrouwen, zestiende van de wereld, hadden immers onvoldoende gepresteerd.

De Friese trainer begon vervolgens te schetsen hoe hij zijn toekomst zag. Hij en zijn collega's moeten voortaan slimmer omspringen met de beschikbare trainingstijd. Er moet in jongere categorieën moeilijkere oefenstof worden geleerd.

De huidige lichting meisjes, aangevoerd door de 15-jarige Lisa Top uit Heerhugowaard, heeft onvoldoende lastige elementen in hun arsenaal. Die leveren extra uitgangswaarde op, de D-score. Voor de E-score, de uitvoering, ontbreekt het Top aan lenigheid, iets waarvoor hoge cijfers worden gegeven.

Met zijn quotes over Top schetste Wiersma een soort van deplorabele staat van het Nederlandse turnen. Zij had onvoldoende geleerd in haar jeugd bij Kracht & Vriendschap in Opmeer. Daar was maar één coach voor twaalf of zestien turnsters. Dat die jeugdcoach vicewereldkampioen Renske Endel was geweest, leek bijzaak. 'Een op drie, hooguit vier is ideaal', aldus Wiersma.

Het verhaal van de moeilijkheidsfactor werd in Londen bevestigd door ex-topturnster Gabriella Wammes, in 2001 en 2003 actief op de WK. Zij zei dat zij op 10-jarige leeftijd al kon, wat de nieuwe lichting tegenwoordig pas op haar 14de beheerst. Die achterstand wordt niet meer goedgemaakt in een sport, waarin de top (en vaak het einde) van een loopbaan rond het 16de levensjaar ligt.

In het buitenland pakken ze de zaken anders aan. Zij volgen een andere route. Alles is daar afgestemd op het voorolympische en het olympische jaar. De andere twee jaren zijn slechts bedoeld om te verjongen en de allerjongsten voor te bereiden op de twee zware proeven (WK met olympische kwalificatie en de Spelen) die zij moeten doorstaan.

Wiersma betoogde daarom woensdag in Londen dat hij nu al volop aan de slag zou moeten gaan met de lichting 1999. Die moet in 2015 presteren, om in 2016 bij de Olympische Spelen van Rio te kunnen aantreden. Dat zal dan veertig jaar na de laatste Nederlandse teamdeelname (1976, Montreal) zijn, een gedenkwaardig interbellum.

In de beperkte poule met talent die het turnen in Nederland rijk is, zal het niet meevallen zo om te springen met hoog gekwalificeerden uit andere jaren. Dient Céline van Gerner nu al afgeschreven te worden? Nee, zei Wiersma, zij is de enige die over het lichamelijke talent beschikt om langer mee te kunnen. Ze is van meisje vrouw geworden, de lastigste hobbel in een turncarrière, en kan met dat nieuwe lichaam omgaan.

In de turnwereld leeft de gedachte om Wiersma nog vier jaar de kans te geven. Het sluit aan bij de denkbeelden van zijn leermeester, de Fries Tjalling van den Berg, die op het CIOS van Heerenveen een speciale turnklas bestiert. Van den Berg staat voor het begrip ecocoach, een trainer met een duurzaam karakter.

De herwaardering van de turnsport in Nederland was in 2000 het idee van NOC*NSF-chef Joop Alberda. Hij zag het als een olympische onderneming om mondiaal een rol te spelen in deze uitermate lastige sport. Er zijn sindsdien vele miljoenen in geïnvesteerd. De laatste vrouw die een medaille won was Suzanne Harmes. Brons op het onderdeel vloer tijdens de postolympische WK van 2005.

Een jaar eerder, bij de Spelen van Athene, had zij vooral last van de rug en presteerde zij niks. Het was ook al een verkeerde timing in een sport die voortdurend in de publiciteit komt door turnsters die uit de school klappen over hun behandeling van vroeger en ouders die daar geen weet van hadden.

Harder trainen op jonge leeftijd met nog moeilijker onderdelen brengt een morele kwestie met zich mee. Willen we in Nederland in die ratrace van kleine turnmeisjes mee? De KNGU zal daar een goed antwoord op moeten ontwikkelen dat verder gaat dan een kortzichtige blik uit olympisch verlangen.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden