Column

'Journalisten stonden hoog in het rijtje van lijders aan geslachtsziekten'

Columnist Lidy Nicolasen beschrijft hoe ze de journalistiek in rolde. 'Alles beter dan zorg of onderwijs, toen het traditionele voorportaal van vrouwen.'

Archieffoto 1968: Het voormalig Volkskrantgebouw.Beeld anp

'Worden die stukjes ook in de krant geplaatst? Echt waar?' De jongen kijkt naar me alsof ik niet van deze wereld ben. Hij heeft me net een gratis krant aangeboden met de bedoeling me abonnee te maken. Ik zeg hem dat ik de krant graag wil lezen, maar geen abonnement nodig heb. Omdat hij blijft aandringen, vertel ik hem dat ik in het krantenvak zit en een waaier aan kranten dagelijks op de deurmat heb liggen.

Hij kijkt me nieuwsgierig aan. Hij volgt een mediaopleiding en hij betwijfelt of hij ooit aan de bak zal komen. Hij wil niets liever, maar hij heeft er een hard hoofd in. 'Hoe heb je dat aangepakt?', vraagt hij ineens onomwonden.

Geen goed plan
Ik aarzel even. Wat zal ik hem vertellen? Hoe anders was het toen. Ik zat nog op de middelbare school en ik schreef een brief naar de krant. Ik was bedreven in het schrijven van opstellen, dus waarom niet. Alles beter dan zorg of onderwijs, toen het traditionele voorportaal van vrouwen. Thuis vonden ze het geen goed plan. Journalisten stonden hoog in het rijtje van lijders aan geslachtsziekten. En dat telt.

Ik stuurde zomaar een brief naar de hoofdredactie van de grootste regionale krant. 'Niet naar aanleiding van een advertentie...', was mijn aanhef. Ik kon geen andere manier bedenken om een sollicitatiebrief te beginnen. Ik vond het, realiseer ik me nu pas, vanzelfsprekend dat de hoofdredacteur me uitnodigde voor een gesprek. Hij zat in een halfdonkere zaal van een kamer achter een bureau. Ik verdween in een fauteuil voor het bureau, waarna hij mijn algemene kennis testte.

Koffertypemachine
Aan het einde van het gesprek kreeg ik de opdracht er op papier verslag van te doen en een verhaal naar eigen keuze te schrijven. Het was zomer. Ik dook met de koffertypemachine in de tuin. Bij elke tikfout trok ik het papier uit de wagen, omdat ik meende me geen enkele fout te mogen veroorloven. Ik kreeg er een punthoofd van en dat weerspiegelde zich in het verslag dat gaandeweg naar opstand neigde en balorig werd.

Voor het tweede verhaal spoedde ik me naar de kunstenares van het dorp, die bereidwillig een paginabreed artikel over haar in de Telegraaf voor me neerlegde. Uitlokking tot plagiaat, zou je zeggen. Niet gelukt. Ik was jong en arrogant en wilde er geen woord van lezen.

Een dag nadat ik de verhalen had ingeleverd, werd ik gesommeerd naar de redactie te komen. De hoofdredacteur dicteerde wat zinnen, waaruit ik begreep dat ik een dt-fout had gemaakt. Vervolgens zei hij dat ik de volgende dag moest beginnen. Ik hapte naar adem: het examen was net achter de rug, ik had vakantie! Maar de hoofdredacteur zwaaide met een pakket sollicitatiebrieven, allemaal geschreven door mensen die morgen meteen wilden beginnen. Dus ik boog het hoofd.

Achteraf hoorde ik dat de redactie dringend verlegen zat om meisjes. In een klap werden er drie aangenomen, een stijging van het vrouwelijk aandeel met misschien wel 50 procent. De andere twee hebben het vak inmiddels verlaten. De een is te vroeg overleden, de ander werd huisvrouw.

Gek genoeg had ik in het begin niet eens door dat er zo weinig vrouwen en meisjes rondliepen. Ik moest alle zeilen bijzetten, want het was pompen of verzuipen. Een andere term is er niet voor.

Beslagen ten ijs
Maar moet ik dat die jongen met de gratis krant vertellen? De nieuwkomers van nu komen veel beter beslagen ten ijs dan ik toen. Ze hebben een postdoctorale, academische of hbo-opleiding journalistiek afgerond. Als ze binnenkomen weten ze hoe ze een goed verhaal foutloos en mooi moeten optikken, ze hebben het immers al vele malen gedaan. Ze pakken moeiteloos de telefoon en bellen de wereld rond. Ze weten snel van de hoed en de rand, dankzij opleiding en internet. Heel veel nieuwkomers zijn meisjes.

Goh, wat zijn ze goed, denk ik vaak als ik ze scherpe en kritische vragen hoor formuleren. Wat was ik bleu toen. Het is bij lange na niet het enige verschil. Ik kreeg een proeftijd van een paar weken. Daarna kreeg ik meteen een vast contract omdat ik voldoende geschikt werd bevonden. Ik kreeg een interne opleiding, wat betekende dat je je voor het lage leerlingensalaris een slag in de rondte werkte volgens de leermethode vallen en opstaan. Toen ik begon, wist ik dat nog niet. Thuis had ik gezegd: 'je krijgt er ook nog geld voor'.

Van contract naar contract
De nieuwkomers van nu hebben al een lange opleiding achter de rug. Ze krijgen een stagevergoeding, ook geen vetpot, maar het erge is dat ze hobbelen van contract naar contract. Een vaste aanstelling is voor velen niet meer dan een droom. De krantenverkoper kijkt me hoopvol aan, alsof ik hem het verlossende woord kan bieden. 'Je moet zorgen voor een stageplek, daar begint het. Heb je eenmaal een voet tussen de deur, dan wordt het makkelijker', zeg ik.

'Ga ik doen, bedankt', hij draait zich om naar potentiële nieuwe klanten. 'Succes met je stukjes', roept hij me nog na, met een ondertoon van 'maak dat de kat wijs'.

Lidy Nicolasen is verslaggeefster van de Volkskrant. Ze schrijft wekelijks een column voor Volkskrant.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden