Interview Sakir Khader

Journalist Sakir Khader wordt vaak als terrorist gezien, ‘maar dat is niet mijn probleem’

Beeld Sevilay Maria van Dorst

Hij wordt vaak als terrorist beschouwd en ondervindt hinder bij politiecontroles. Toch piekert de Nederlands-Palestijnse journalist Sakir Khader er niet over zijn baard af te scheren. Deze week wordt het eerste deel uitgezonden van zijn documentaireserie over zijn generatiegenoten in Irak, die nog steeds gebukt gaan onder de gevolgen van de oorlog.

Kort na de aanslagen in Parijs hadden we samen weekenddienst. Hij, een in Nederland geboren, zwartbebaarde Arabier, en ik, een blonde sproetenkop. Voor de Volkskrant maakten we een reportage over Syrische vluchtelingen. Hij vertaalde het gesprek, samen schreven we het op. Daarna zochten we – het was zondag – nabij Den Haag een plek waar we konden lunchen.

Het werd een tearoom in een chique buitenwijk. Toen ik als eerste binnenkwam, knikten de overwegend oude dames me vriendelijk toe. Maar zodra collega Sakir Khader binnenstapte, vielen alle gesprekken angstig stil.

‘Ze denken dat we de tent komen opblazen’, zei ik recalcitrant. Sakir wees me bestraffend terecht – ‘Zoiets kun je niet zeggen!’ –, bood tegenover de hele zaak namens mij excuses aan en wenste iedereen persoonlijk, een tafeltje of acht, een smakelijke voortzetting.

Dat was de eerste keer dat ik zelf zag waarover hij al vaak had verteld: dat hij steevast negatief wordt beoordeeld op zijn uiterlijk. Etnisch profileren was veel in het nieuws en ik wilde hem erover interviewen, maar het was te vroeg, zei hij. ‘Ik wil nieuws maken, niet het nieuws zijn.’

Nu, drie jaar en een vijfdelige tv-documentaireserie over Irak voor de VPRO verder, ‘kan het wel’. 

Jouw baard wordt vaak met terrorisme geassocieerd.

‘Nu ga je me zeker vragen: waarom scheer je hem niet af?’

Zou dat je leven hier makkelijker maken?

‘Nee. Ik weet dat mijn baard mensen afschrikt, maar dat is niet het probleem van mij, maar van verkeerde aannamen en denkbeelden. Ik ben geen terrorist. Ik blaas geen mensen op en hak niemand z’n kop af. Zonder baard werd ik ook uitgescholden: kankerallochtoon, kankerturk, kankermoslim, noem maar op. Kijk naar mijn ogen, hoe donker ze zijn. Kijk naar mijn haar.

‘Ik vind hem mooi; zonder baard zie ik er piepjong uit. Ik zal mijn baard nooit scheren omdat mensen dat van me verlangen. Dat vind ik net zo erg als mensen dwingen hun baard te laten staan. Ik vind dat ik hier, net als alle Nederlanders, zelf moet kunnen bepalen wie ik ben en hoe ik eruitzie.’

Sakir Khader (29) groeide op in twee werelden. Hij werd geboren in Vlaardingen, als tweede van vier kinderen van Palestijnse ouders. Een van zijn opa’s was in de jaren zestig als gastarbeider uit de margarinefabriek in Nablus gehaald om te komen werken in de Nederlandse margarinefabriek Romi. Sakir heeft twee nationaliteiten. Hij ging naar een Arabische school en leerde van kleins af zowel Arabisch als Nederlands spreken en schrijven. In de vakanties ging het gezin Khader naar Palestina, waar hun familie op de Westelijke Jordaanoever woont.

‘Als klein jongetje kreeg ik de Tweede Intifada tussen 2000 en 2005 mee. Ik vond het gek dat wij met ons rode paspoort heel snel langs al die honderden wachtende mensen door het checkpoint mochten. ’s Nachts stond ik voor het raam te kijken naar grote legervoertuigen die langs denderden, ik hoorde het voortdurende schieten, het bombardement op de centrale gevangenis van Nablus, Apaches die boven de stad vliegen, F16’s. Ik maakte er filmpjes van met mijn telefoon en stuurde ze naar mijn vrienden in Nederland. Zo is het begonnen.’

Sakir wilde naar de filmacademie. Dat lukte niet; hij had geen flauw benul dat je daarvoor een portfolio moet hebben. In plaats daarvan schreef hij zich in bij de School voor Journalistiek in Tilburg. In 2014, tijdens zijn eerste studiejaar, reisde hij op eigen houtje naar het door oorlog geteisterde Syrië. Hij belde de chef Buitenland van de Volkskrant, bood zich aan als journalist en mocht in Amsterdam een maand stage komen lopen. Op proef. Dat groeide uit tot bijna drie jaar. Daarin werd hij twee keer voor zijn mensensmokkelreportages genomineerd voor de jaarlijkse journalistiekprijs De Tegel.

Toch moest je weg bij de krant.

‘Ik moest niet weg, ik gíng weg. Ik kreeg alle ruimte van de krant, totdat ik naar Syrië wilde. Toen zei de hoofdredactie – en dat begrijp ik heel goed –: dat vinden we te gevaarlijk, daarvoor nemen wij geen verantwoordelijkheid. Maar ik wilde mijn hart volgen en vertrok. Ik ben nog steeds als freelancer aan de krant verbonden; we zijn niet echt uit elkaar gegaan.’

GeenStijl schreef destijds: ‘Volkskrant ontslaat Syriëganger.’

‘Daar was ik boos over. Het klopte niet. Het ontslag was niet waar en dat Syriëganger ook niet. Ik word vaak als terrorist geframed. Toen ik met een collega verslag deed bij het asielzoekerscentrum in Zwolle werd alleen mijn ID-kaart gevraagd door de terreinbeveiligers, niet die van haar. Als ik verslag deed bij azc’s riepen passanten kanker-IS naar me. Op Twitter word ik vaak Al Qaida-journalist genoemd.’

Hoe reageer jij daarop?

‘Niet. Waarom zou ik ze aandacht geven? Wat win ik daarmee?

‘Na de aanslagen in Parijs stuurde de krant me naar de Brusselse wijk Molenbeek om verslag te doen van de klopjacht op de dader, Salah Abdeslam. In de straat waar de politie invallen deed stond een grote groep journalisten. Als enige werd ik uit die groep getrokken door een commando met een bivakmuts. Hij schreeuwde dat ik me moest identificeren. Pas toen ik mijn Volkskrant-perskaart liet zien, liet hij me los.

‘Toen ik weer wegging en op het Brusselse station een kaartje kocht, kwam een man of vijf van de Belgische politie met machinegeweren om me heen staan. Ze riepen heel agressief: Carte national! Iedereen keek naar me. Ik bleef vriendelijk, deed zo normaal mogelijk en zei sorry, I don’t speak French, please speak English or Dutch. Zodra ik mijn hand in mijn binnenzak stak om mijn paspoort te pakken, werden al die mitrailleurs op mij gericht. Pas toen ze mijn perskaart zagen zeiden ze: Sorry, have a nice day.’

Toen je de krant verliet en naar Syrië vertrok, werd je in Istanbul tegengehouden en door de Turkse autoriteiten teruggestuurd naar Nederland.

‘Dat is het heftigst wat ik in mijn journalistieke leven heb meegemaakt. Ik werd door acht man van de Turkse politie en inlichtingendienst tegen de muur klemgezet, kreeg een elleboog in mijn nek: nu bekennen dat je van IS bent, terwijl ze me filmden.

‘Ik heb nooit verhalen over de Koerden geschreven, nooit over Erdogan, nooit iets over de Turkse politiek. Ik kreeg een brief mee: je bent een gevaar voor de Turkse binnenlandse veiligheid, je mag het land niet in. Zonder reden. Vier man begeleidden me naar de achterste plek in een vliegtuig, pas in Nederland kreeg ik van de stewardess mijn paspoort en documenten terug.

‘Als journalisten uit Turkije worden gezet omdat ze over de Koerdische kwestie berichten, is heel de wereld in rep en roer. Maar als Sakir Khader naar Idlib wil om de tragiek van de mensen vast te leggen, vinden we deportatie kennelijk normaal.’ Licht geëmotioneerd: ‘Dan hoor je niks.’

Had de Volkskrant voor je moeten opkomen?

‘Nee, daar was ik toen al weg. Ik had graag gewild dat de Nederlandse Staat iets voor me had gedaan. Ik belde Buitenlandse Zaken maar kreeg alleen te horen: sorry, we kunnen niks voor je doen.’

Ging je wel goed voorbereid op reis?

‘Ik ging op precies dezelfde manier als voor eerdere reportages die ik daar heb gemaakt, met een geldig paspoort en een visum om Turkije in te komen, waarbij je lokaal een perskaart aanvraagt. Op die manier heeft fotograaf Cigdem Yuksel met onze reportage over kinderarbeid in Turkije de Zilveren Camera gewonnen.’

Ook werd Sakir opgepakt in Griekenland, waar hij voor Brandpunt vluchtelingen filmde die Europa via de achterdeur binnenkwamen, hoewel de overzeese route was gesloten. Hij deed verslag van mannen die hun vrouwen opwachtten aan de oever van de Evros. ‘Patrouillerende agenten verzamelden alle vluchtelingen en hun ophalers en vroegen om versterking. Ik moest ook mee. Een legertruck, een soort veewagen, laadde ons allemaal in. Ze geloofden niet dat ik journalist ben, dachten dat ik de smokkelaar was en daar rondliep met een vals paspoort en vervalste perskaarten.

Beeld Sevilay Maria van Dorst

‘Op het politiebureau moest ik me helemaal uitkleden en mijn camera, telefoon, documenten en kleren inleveren. Zelfs de veters in mijn schoenen mochten niet mee de cel in. ’s Nachts werd ik opgehaald en door de Griekse inlichtingendienst ondervraagd: wat vind je van IS? Hoe vaak bid je per dag?

‘De volgende dag moest ik naar de aanklager. Ik kon me niet wassen en door het werk aan de rivier zag ik er smerig uit, dat pleitte niet voor me. Ik schaamde me voor mezelf. De aanklager zei dat ik in een militaire zone was geweest die duidelijk met een waarschuwingsbord stond aangegeven. Dat was niet zo, maar ze weigerde er samen te gaan kijken. Tot mijn verbijstering werd ik diezelfde middag veroordeeld tot vijf maanden voorwaardelijk.’

Had de rechtbank het mis of had je toch iets gedaan wat niet mocht?

‘Kort na mijn veroordeling zag ik op Deutsche Welle dat twee Duitse journalisten in datzelfde gebied zijn opgepakt, die met hetzelfde onderwerp bezig waren. Zij werden de volgende dag heengezonden met excuses: inderdaad was niet te zien dat het een militaire zone betreft. (Na het interview mailt Sakir het nieuwsbericht waarin de advocaat van de Duitsers dat bevestigt, red.) Ik dacht: what the fuck!

Ik vraag het omdat de krant jou soms moeilijk aanstuurbaar vond. 

‘Ik ben eigenzinnig. Ik wilde veel. Te veel. Meer dan de krant toeliet en kon bieden. Dat was voor mij moeilijk te accepteren. Je ziet hoe journalisten verslag doen van het Midden-Oosten en je denkt: dat kan ik ook, waarom laten ze me niet gaan? Ik ken de taal en de cultuur, ik heb de contacten. Wat ze hier een conflictgebied noemen, is voor mij bekend terrein. Ik ben deels in die wereld opgegroeid. Maar ik snap nu dat ik het allemaal te snel wilde.’

Lachend: ‘Schrijf maar op dat ik volwassen ben geworden.’

Het afgelopen jaar verbleef Sakir 146 dagen in Irak, waar hij voor de VPRO een vijfdelige tv-documentaire maakte over het dagelijks leven, die vanaf 9 januari wekelijks wordt uitgezonden. In De Puinhopen van Irak filmt hij generatiegenoten die nog steeds gebukt gaan onder de gevolgen van de oorlog en de val van Saddam Hussein.

Waarom koos je voor Irak?

‘Als ik bij familie in Palestina was, hingen daar foto’s van Saddam. Mensen zijn daar pro-Saddam, hij was de enige leider die opkwam voor de Palestijnen. Mijn opa vond hem een held. Maar in Nederland hoorde ik op het nieuws dat hij een dictator was, een slechte man. De vader van mijn jeugdvriend Ali is uit Saddams leger gedeserteerd omdat hij weigerde tegen zijn eigen mensen te vechten toen de Koerdische opstand in Irak uitbrak. Deserteurs worden vermoord, en hun familie soms ook.

‘Die twee perspectieven riepen veel vragen bij mij op. Was Irak het paradijs van mijn opa of de hel van mijn vriend? Dat wilde ik weten.’

Heb je er gevonden wat je zocht?

‘Ik begrijp nu beter waarom ik dit allemaal doe. Ik wil een stem zijn voor mensen die zich niet gehoord voelen. Zij willen dat de wereld weet dat ze het nog steeds heel moeilijk hebben, dat de val van Saddam Hussein voor de meeste Irakezen niets goeds heeft gebracht. Mensen zijn er nog steeds heel bang.

‘Vroeger had je één Saddam, nu heb je in Irak duizenden Saddams. Het machtsvacuüm is opgevuld door Iraanse milities. Iemand vroeg me: wil je je film alsjeblieft geolocken zodat hij hier in Irak niet te zien is? Want door wat ik heb gezegd, kan ik al worden doodgeschoten.

‘Het lukt Irak niet die geweldscyclus te doorbreken. Het geweld is gewoon deel van het dagelijks leven geworden. Neem jij wraak op mij, dan neem ik wraak op jou. Dat zit diep verankerd in die samenleving. Bloedwraak is onderdeel van de stammencultuur. Je kunt het vergelijken met de vendetta in Italië of bloedwraak in Albanië. Het zit ook in gewone dingen: als je per ongeluk iemand aanrijdt van de ene stam, wil die stam dat ook iemand van jouw stam wordt gepakt. Vaak kopen ze dat af, betalen ze veel geld om de vendetta te ontlopen.’

Beeld Sevilay Maria van Dorst

In je serie zegt een van jouw personages: ‘De Amerikanen hebben onze broer vermoord, dus wij moeten iemand van hen pakken. En dan antwoord jij…

‘… Nederland heeft aan Amerikaanse zijde gevochten.’

Waarop hij zegt: ‘Dat legitimeert dat we jou pakken. Dus je mag zo meteen met ons mee-eten, maar daarna maken we je af.’

‘Hij bedoelt het grappig, een cynische grap. Het maakt pijnlijk duidelijk hoe ze over de situatie denken. Het is triest hoe wraak na zo veel jaar nog zo diep in die mensen zit geworteld.’

Je spreekt hem niet tegen.

‘Ik kan moeilijk hun manier van denken en leven veranderen. Als ik naar Irak ga, dien ik de normen en wetten van die tribale samenleving te respecteren. Ik ben daar ten slotte op visite. Wij verwachten toch ook van asielzoekers dat ze de Nederlandse normen en waarden accepteren?’

Je zegt eigenlijk: ik registreer, maar ik ben geen missionaris.

‘Nee, dat is de grootste fout die we kunnen maken: denken dat we daar nieuwe denkbeelden kunnen brengen. Die mensen zijn daar eeuwenlang een manier van leven gewend, en dan doet het Westen een inval en zegt: vanaf nu moeten het helemaal anders, voortaan zijn jullie een democratie.’

Zijn passie voor het Midden-Oosten komt ‘logischerwijs’ door zijn bi-culturele achtergrond, zegt Sakir. ‘Omdat ik niet alleen de taal, maar ook de cultuur ken, kan ik bij mensen komen bij wie anderen misschien minder makkelijk toegang hebben. Ik wil een brug slaan tussen de westerse en de Arabische wereld. En misschien een beetje meer begrip kweken.’

Maar kennis van de taal en cultuur alleen is volgens hem niet genoeg: ‘Het zit ook in mijn karakter. Ik kan goed luisteren. Ik kom niet om even snel een verhaal te halen en daarna weer te verdwijnen. Je ziet veel incidentenjournalistiek: pas als ergens een groot probleem is, zijn de media erbij om het te verslaan en zodra de stofwolken neerdalen zijn de camera’s weer weg. Maar dan komen de echte problemen. IS is ooit ontstaan uit het stelselmatig achterstellen en onderdrukken van mensen. Die achterstelling zie je in Irak nu nog steeds. Het ongenoegen daarover broeit ondergronds door, terwijl wij dat allemaal niet doorhebben. Die rauwe werkelijkheid, die onvrede wil ik vastleggen.

‘Omdat ik de culturele codes ken, is het makkelijk om contact te maken. Als twee zielen eenmaal verbonden zijn, zijn mensen bereid alles voor je te doen. Mijn gevoelens zijn oprecht. Je ziet ook dat mijn contacten me vaak vragen: hé Sakir, hoe is het met je? Hoe is het met je familie? Is alles goed? Die warmte, daar hou ik van.’

Zijn Arabieren warmer in de omgang dan Nederlanders?

‘Veel warmer. In Irak moest ik soms blijven slapen bij mensen thuis: je bent onze gast, zeggen ze dan, onze gast is koning. Er wordt uitgebreid voor je gekookt en als je iets nodig hebt, is één telefoontje vaak voldoende. De gastvrijheid is daar echt heel anders. Als je hier bij iemand op visite wilt, moet je een afspraak maken, dan krijg je koffie met een koekje en ga je weer weg. Hier is alles op afspraak, daar geldt meer: go with the flow.

Onze afsprakencultuur impliceert ook dat iemand op tijd komt.

Schiet in de lach: ‘Jaha, daar weet jij alles van. Wat dat betreft ben ik een ras-Arabier; op tijd komen is voor mij soms wel een dingetje. Maar als in Irak iemand zegt: maandag krijg je je vergunning écht, en ik heb ’m twee weken later nog steeds niet, dan vind ik dat vervelend en zeg ik: afspraak is afspraak. Zo Nederlands ben ik dan ook wel weer.’

Het vijfdelige De puinhopen van Irak is vanaf 9 januari elke donderdag om 23.15 uur te zien op NPO 2 en vanaf 7 januari op NPO Start.

CV Sakir Khader

De Nederlands-Palestijnse Sakir Khader werd in 1990 geboren in Vlaardingen. Hij bezocht van 2003 tot 2007 de Mavo in Vlaardingen, voltooide daarna mbo 4 en ging aansluitend naar het hbo.

Hij studeerde een jaar Commerciële Economie, een jaar Communicatie en Entertainmentmanagement en schreef zich vervolgens in bij de School voor Journalistiek in Tilburg.

Tijdens het eerste jaar reisde hij naar Syrië, waarna hij stage mocht lopen bij de Volkskrant. Daar bleef hij bijna drie jaar als verslaggever. Vervolgens werd hij verslaggever voor Brandpunt en NOS op 3, en maakte als freelancer documentaires voor VICE Studio’s, VPRO en samen met Jos de Putter voor Human en De Correspondent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden