Joseph Roths hotelverhalen (uit 1930, maar heel herkenbaar) vertaald

ARJAN PETERS

Joseph Roth: Hotelmens - Reportages en brieven

****

Uit het Duits vertaald door Els Snick.

Bas Lubberhuizen; 124 pagina's; euro 14,95.

Ging hij een hotel binnen, dan betrad hij zijn vaderland. Nergens was de Oostenrijkse journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) liever dan in een hotelkamer, bij voorkeur een kale en onpersoonlijke, met alleen goedkoop behang en een telefoonboek. Gedempte geluiden van een pleintje verderop. 'Als ik het raam openzet komt de wereld bij me op bezoek (...) De auto's lijken met hun claxons mijn naam te roepen - als naar een landsheer sturen ze mij een groet.'

Bij het idee van een vaste woning kreeg Roth al de zenuwen. Sinds zijn 18de heeft hij dan ook nooit meer in een huis gewoond. Als gevierd journalist trok hij in de jaren twintig heel Europa door. Nadat Oostenrijk zich bij Duitsland had aangesloten, was hij gedwongen van hotel naar hotel te reizen. Vanwege oplopende schulden en zijn alcoholisme (drie kruiken Bols op een dag) werden dat ook steeds sjofeler onderkomens. Op 23 mei 1939 werd Roth, 44 jaar oud, met een delirium opgenomen in een armenhospitaal in Parijs, waar hij vier dagen later stierf.

Maar tien jaar daarvoor was dat eenzame einde niet te voorzien. Nadat hij in 1928 voor de Frankfurter Zeitung een aantal felle stukken had geschreven vanuit Italië, over de dictatuur van Mussolini, gunde hij zijn lezers een adempauze met een reeks feuilletons over het hotelbestaan. Die beroemde reeks, in 1930 gebundeld in Panoptikum, is nu als Hotelmens vertaald door de Gentse Roth-kenner Els Snick. De vertaling is aangevuld met brieven en reportages, en met tekeningen van Peter van Hugten.

Columns avant la lettre zijn het, typeringen van een observant met jarenlange ervaring, de klassieke rollen uit het toneelstuk dat dagelijks in en om hotels wordt opgevoerd: de portier, de oude kelner, de dienstmeid, de patron. Samenstelster en vertaalster Snick heeft er beschouwingen van Roth over de aankomst in het hotel en over de afbraak van een geliefd hotel aan toegevoegd.

Roth dacht destijds dat hij een verdwijnende wereld beschreef, en er is misschien wel het nodige van de vormelijkheid verloren gegaan, maar zijn beschrijvingen zijn nog altijd herkenbaar. De portier die even niets te doen heeft en die zich 'volledig overgeeft aan een hardnekkige waarneming van de lucht en aan het spel der stofdeeltjes in het zonlicht', en de tijd op zijn gouden horloge vergelijkt met die van de elektrische wandklok. Tot hij zich begint te schamen voor zijn ledigheid en dan maar de baas gaat spelen over zijn assistenten en de liftboys.

De dienstmeid die een zilveren ring draagt maar geen man heeft, en die wel van dichtbij ziet wat rijkdom is maar haar zelf nooit bezitten zal. De leeftijdloze patron met de spiedende oogjes en het sluwe dunne snorretje, die overal opduikt waar hij zijn personeel of zijn gasten denkt te kunnen betrappen. Ook hij speelt toneel. 'Hij spreekt alle talen met eenzelfde gemak. Maar hij kan in geen enkele taal een foutloze brief schrijven.'

Met warmte schildert hotelpatriot Roth de wereld waar hij thuis was en zijn geld verdiende, en waar hij later door financiële hulp van zijn bemiddelde vriend Stefan Zweig nog een tijdje in vertoeven kon. Tot het geld op was, en zijn gezondheid naar de knoppen. In 1936 zat Roth in het Eden Hotel in de Warmoesstraat in Amsterdam. Wandelstokje, krantje, altijd platzak en 's middags al aangeschoten. Volgens ooggetuigen liep hij desondanks immer rechtop. Dat is stijl.

undefined

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden