JOOP VAN TIJN

0OMS vloeit zijn glimlach uit tot de breedte van een volle lach. Zijn ogen worden dan kleiner en lijken het buitengewoon genoeglijk te hebben....

Zijn glimlach is zo veroverend omdat hij de indruk van een net overwonnen verlegenheid geeft. Hij lijkt tegen het gesprek te hebben opgezien. Dat maakt de ander vrijwel meteen weerloos en geeft hem het gevoel van meerwaarde. Heel even dan.

Hij maakte de indruk mij al jaren te kennen toen ik hem voor het eerst ontmoette. In het Paleis van Justitie in Amsterdam. Dat moet tussen 1959 en 1961 zijn geweest. Van Tijn was toen redacteur van Propria Cures. In dat blad had een godslasterlijk gedicht gestaan. Hij was als verantwoordelijk redacteur aangeklaagde. En ik zou, op verzoek van H.U. Jessurun d'Oliveira de aanklacht ontzenuwen door de literaire waarde van het gedicht aan te tonen! In de zaal kwam een kleine jongeman op mij af, glimlachend. Hij boog hoffelijk en begroette mij als de beroemde winnaar in talloze processen over godslastering. Ik hoefde niet op te treden, want hij was al vrijgesproken voor de aanklacht officieel was geformuleerd, geloof ik.

Voor mij is hij in al die jaren nauwelijks veranderd. Hij was al waar hij wezen moest en had toen al dat natuurlijke superieure optreden dat je bij ieder ander gecultiveerd zou noemen en dus zou wantrouwen. Zijn grote kracht is dat hij altijd lijkt te hebben bestaan. Hij blijft op zichzelf lijken, wat misschien ook hiervan het gevolg is: hij draagt, zover mijn herinnering gaat, altijd een blauw pak, met een vooral keurige das. Modieusheden zijn hem vreemd, ook in zijn taal. Hij brengt in elk geval een oude, vertrouwenwekkende cultuur mee, wat aan zijn jeugd niets afdoet. Hij moet altijd geslaagd zijn geweest, zonder examen te doen.

Zijn glimlachen, zijn taal, zijn fluwelen scherpzinnigheid maken hem de ideale interviewer. Hij komt niet voor een vraaggesprek - nederigheid is hem vreemd - hij komt voor een gesprek. Tussen gelijken. En het is zijn grote kunst tijdens het gesprek ongelijkheid te scheppen zonder dat de geïnterviewde het merkt. In het spel, dat zo'n gesprek ook is, heeft hij na heel korte tijd een kaart meer in handen. De meeste interviewers stellen gewoon hun vragen; Van Tijn stelt de vragen die de geïnterviewde in een ogenblik van nadenkendheid zichzelf had kunnen en vooral moeten stellen. En die leveren verrassende antwoorden op, want de geïnterviewde komt tot zichzelf. Ik las de grote politieke interviews die hij vroeger met Max van Weezel voor Vrij Nederland maakte, altijd graag. Maar ik zág hem nog liever interviewen. In Haagse Kringen en later in Het Capitool. En dat laatste was tussen 1981 en 1985.

De afstand kan idealisering meebrengen. De gesprekken hadden plaats in een tuinkoepel langs de Vecht, een gebouwtje waarin de taal alleen maar mag rinkelen. Onder muziek van Mozart kwam het uit de natuur te voorschijn. Van Tijn voerde de gesprekken samen met Herman Wigbold, die iets te zwaar was voor Mozart, en mevrouw Faber, die een wat afhangende voornaamheid had. Joop van Tijn leek van het begin af de eigenaar van het landgoed waarop het koepeltje stond. Ik ontdekte toen zijn bijna achtiende-eeuwse wijze van discussiëren; luchtig, scherp, soms aforistisch in de directe reacties, en niet zonder elegantie. En elke geïnterviewde behandelde hij alsof die de enige uit zijn leven was. Misschien dat de moeiteloosheid nog de meeste indruk maakte.

Ik wed dat hij er nog jaren mee had willen voortgaan, want hij houdt van zelfgeschapen tradities, zoals hij als gespreksleider van het radioprogramma Welingelichte kringen nog onlangs bewees. De VPRO werd voor de keuze gesteld: of die altijd wat herfstige zaal van de sociëteit Arti et Amicitiae en met het klikken van de biljartballen op de achtergrond, of helemaal niet. Het Koepeltje en de Sociëteit moeten het voor hem hebben bewezen: de beste en scherpste vragen stel je in een wat voorname omgeving. Met biljartballen die de eeuwigheid wegtikken. En in een blauw pak. Hij gelooft in stijl, zelfs bij een poging tot moord, want er werd in Arti ook wel eens heel elegant iemand gewurgd.

De moeiteloosheid mag verwonderen, het is niet minder de kennis. Hij heeft mij, met zijn gespreksgenoten, maar van hem kwamen toch de meeste vragen, eens een half uur vanuit Arti telefonisch geïnterviewd over Lucebert. Hij stelde de vragen zo, dat goede antwoorden niet konden uitblijven. Ik had daar diep respect voor. Maar misschien zag ik ook de hele tijd wel zijn glimlachende gezicht voor me.

0E LAATSTE jaren heeft Joop van Tijn de onzichtbaarheid van een hoge positie bereikt. In 1985 werd hij adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland en zes jaar later mede-hoofdredacteur. En nu is hij alleen hoofdredacteur. En dat moet hij als eind- en toppunt beschouwen. Hij heeft met Vrij Nederland een relatie die bijna mystiek is. Komt hij er een enkele keer in het publiek over te spreken, dan gebruikt hij een omcirkelende taal. De band laat zich niet verwoorden. De relatie laat geen enkele relativering toe, wat bij iemand met zo'n groot gevoel voor humor wat merkwaardig is. Elke dinsdag staat of stond hij op de drukkerij. En dat moet voor hem steeds de eerste dag van de schepping zijn geweest. Kritiek op bijdragen zal hij moeilijk kunnen verdragen. Zijn vroegere mede-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse en alle redacteuren delen in zijn bijna mateloze bewondering. De redactie leek een gesloten kring te vormen.

En toch ben ik enkele keren zo vrij geweest mij een Vrij Nederland geheel in zijn geest geschreven voor te stellen. Het zou in elk geval naar stijl in zijn geheel een sierlijker, ironischer blad zijn. Glimlachender. En de wat hoekige opmaak zou iets meekrijgen van de elegantie van het koepeltje.

De bewondering voor zijn mede-redacteuren hangt samen met zijn grote, spontane vermogen tot bewonderen. En dat is in dit land een zeldzame eigenschap. Ik heb hem twee keer vol bewondering zijn vader horen beschrijven - een zeer erudiete man, ook al zo iemand met een beschaving van eeuwen in zich. Ik heb het nooit vergeten. De blijvende bewondering is een uiting van wat een wezenstrek in hem moet zijn: trouw. En dat ook en vooral aan zijn standpunten. Zijn taal en gebaren kunnen het doen vergeten, maar hij is ook onwrikbaar. Tot in zijn vooroordelen, tegen het katholicisme bijvoorbeeld, toe. Wie oprecht verdraagzaam is, vermoedt gauw elders intolerantie. Hij is libertijns en rationalistisch, maar in dat rationalisme uiterst gevoelig. Hij heeft iets klassieks, naar ik vermoed, ook in zijn smaak, van mensen en kunst. Hij blijft mij herinneren aan de achttiende eeuw. En die heet de meest beschaafde van onze jaartelling. Hij is journalist van beroep. De wat stoffige vermoeidheid van dat vak - die Ferdinandusse altijd meesterlijk vertoonde, met dat losse boordenknoopje en de hangende das - is hem vreemd gebleven. Hij heeft dan ook voor alles tijd. Lijkt het. A gentleman of leisure heb ik eens een heel krampachtige dagbladjournalist zichzelf horen noemen. Joop van Tijn is de enige die dat ook echt is. Door genade en werken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden