Joods oorlogsleed politiek gebruikt

'EEN TYPISCH geval van joodse zelfhaat.' Zo ongeveer luidde het oordeel van veel recensenten over The Holocaust Industry van Norman G....

Finkelstein kreeg echter ook bijval, niet alleen in de linkse en alternatieve - joodse en niet-joodse - pers in Amerika, maar ook van de kant van serieuze en gerenommeerde historici als Raul Hilberg, auteur van The Destruction of the European Jews, het eerste grote standaardwerk over de nazistische vernietiging uit 1961.

The Holocaust Industry, waarvan dezer dagen een Nederlandse vertaling verschijnt, bestaat uit een drietal essays. In het eerste daarvan probeert Finkelstein aan te tonen dat de herinnering aan de nazistische massamoord ten tijde van de Koude Oorlog met politieke bedoelingen werd weggemoffeld. De joodse leiders schaarden zich achter de toenaderingspolitiek tot West-Duitsland, niet alleen om hun positie in de Amerikaanse samenleving en de binnenlandse politiek te versterken, maar ook om de linkse politici in de eigen gemeenschap de mond te snoeren. De nazistische vervolging was een thema, dat aanvankelijk vrijwel alleen door radicalen en communisten werd aangeroerd.

Pas na de Zesdaagse Oorlog in 1967, die resulteerde in een versterking van Israëls militaire en politieke positie, werd de herinnering aan de nazistische massamoord ontdekt als een effectief ideologisch en propagandistisch wapen, aldus Finkelstein. Met een beroep op de Endlösung kon de kritiek op de positie van VS en hun 'pion' in het Midden-Oosten gemakkelijk worden afgeweerd. Daarmee begon een proces van 'kapitalisering van de holocaust', aldus Finkelstein. De holocaust werd De Holocaust: een industrie. De geschiedenis werd evenwel niet alleen ingezet om de tegenstanders van het Israëlische optreden in de bezette gebieden in diskrediet te brengen, maar ook om - onder het mom van de bestrijding van antisemitisme en racisme - de positie van de buitengewoon welvarende, maar steeds conservatiever wordende joodse gemeenschap binnen de Amerikaanse samenleving verder te versterken.

In het tweede essay tracht Finkelstein het karakter van de 'holocaust-industrie' te ontrafelen. Tegenover het serieuze wetenschappelijke onderzoek van historici als Hilberg en Friedlander, en de authentieke herinneringen van de overlevenden van de kampen stelt hij de sterk gekleurde, dikwijls mythische voorstellingen van de nazistische vernietiging. Zowel in romans en historische werken als in monumenten, musea en documentaires wordt de Endlösung als unieke gebeurtenis als het ware buiten en boven de geschiedenis geplaatst, aldus Finkelstein. Ideologische en pseudoreligieuze opvattingen voeren daarbij de boventoon, waardoor elk kritisch argument bij voorbaat verdacht wordt.

Vooral Elie Wiesel, winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur, moet het hier ontgelden. Finkelstein wijdt bittere woorden aan deze 'hogepriester van het holocaust-mysterie', en aan Goldhagen en andere auteurs die zich in zijn ogen schuldig maken aan stemmingmakerij en er intussen zelf financieel flink op vooruit gaan. Door alle nadruk exclusief te leggen op het lot van de joden als slachtoffer van een 'eeuwig antisemitisme', gaan deze 'quasi-geschiedschrijvers' voorbij aan het feit dat ook andere groepen - de Slavische volkeren en de zigeuners, maar ook homoseksuelen, gehandicapten en zwakzinnigen - doelwit waren van de nazistische vernietigingspolitiek.

De taboes waarmee de mythische herinnering aan de jodenvervolging is omgeven, bieden schrijvers, politici en andere bijdehante figuren alle gelegenheid deze geschiedenis te exploiteren. Openlijke kritiek is immers bij voorbaat verdacht, aldus Finkelstein, of het nu gaat om de Israëlische politiek jegens de Palestijnen, de inrichting van holocaustmusea of de eis tot smartengeld en de restitutie van 'joodse tegoeden'.

Met de laatste opmerking zitten we in het derde deel van de boek, waarin de lijnen uit de eerste twee essays samenkomen. Want op de golven van de bloeiende holocaust-industrie volgde in de jaren negentig de afrekening: met een beroep op hun morele verantwoordelijkheid jegens de overlevenden werden Europese regeringen en bedrijven door een kongsie van advocaten en enkele grote joodse organisaties onder druk gezet om enorme schadevergoedingen te betalen. In het geval van Zwitserland kwam deze actie feitelijk neer op chantage, aldus Finkelstein, die voorspelt dat enkele (arme) Oost-Europese landen hetzelfde lot te wachten staat.

Met een veelheid aan cijfers en in bittere bewoordingen poogt hij vervolgens aan te tonen dat in deze campagne niet alleen Europese regeringen en bedrijven, maar ook de overlevenden zelf 'dubbel uitgekleed' worden. Van de vele honderden miljoenen dollars gaat slechts een fractie naar de echte overlevenden van de kampen; het meeste geld vloeit in de kas van de instellingen die de holocaust-industrie draaiende houden. En in hun zucht meer geld binnen te halen, schampert hij, schroeven de advocaten het aantal overlevenden zover op dat het lijkt of de loochenaars van Auschwitz het toch nog bij het juiste eind hebben.

Veel onderwerpen die Finkelstein in zijn boek aansnijdt, zijn eerder door anderen, dikwijls met meer overtuigingskracht, naar voren gebracht. Dat geldt niet alleen voor zijn politieke bezwaren tegen 'de uitbuiting van de holocaust' maar ook voor zijn historische argumentatie. Zo toonde de Israëlische historicus Tom Segev enkele jaren geleden in zijn boek The Seventh Million aan dat opeenvolgende Israëlische kabinetten de shoah bewust als politiek middel hebben ingezet. En zijn Britse collega David Cesarini liet onlangs in een heldere analyse zien waarom de kwestie van de tegoeden en smartengelden in de jaren negentig plotseling op de agenda verscheen: dankzij een combinatie van elkaar versterkende factoren, zoals de Amerikaanse 'claimcultuur', de opening van de archieven in Oost-Europa, de internationalisering van het bedrijfsleven en de machtige positie van (neo)conservatieve joodse organisaties in de VS.

Voor zijn uiteenzetting over de verschuivingen in het denken over de nazistische vernietigingspolitiek valt Finkelstein vooral terug op The Holocaust and Collective Memory van de Amerikaanse historicus Peter Novick. In deze belangrijke, goed gedocumenteerde studie wordt een overtuigend en kritisch beeld geschetst van de veranderende betekenis van de Endlösung in de Amerikaanse cultuur. Aan de hand van een rijke en gevarieerde hoeveelheid materiaal laat Novick zien hoe de nazistische massamoord in de publieke opinie transformeerde van een 'gewone' oorlogsmisdaad tot een ijkpunt, een symbool, tot de metafoor van het kwaad.

De jaren zestig vormden een cruciale fase in deze ontwikkeling, te beginnen met het geruchtmakende proces tegen Eichmann, de 'schrijftafelmoordenaar' die verantwoordelijk was voor de logistiek van de deportaties. Doorslaggevend waren evenwel de bezorgdheid om de positie van Israël en de behoefte, onder jonge Amerikaanse joden, aan een herkenbare, seculiere identiteit - gevoelens die volgens Novick werden gevoed en gestuurd door joodse instellingen en organisaties. Hieruit ontstond in de loop van de jaren zeventig een cultus die zich deed voelen tot in het hart van de Amerikaanse politiek en cultuur.

Hoewel Novick ronduit negatief is over de onstuitbare tendens de nazistische massamoord te verabsoluteren en de joodse identiteit te definiëren in termen die daarvan zijn afgeleid, gaat hij in de ogen van Finkelstein nog niet ver genoeg. Zijn voornaamste bezwaar is dat Novick onvoldoende onderkent dat de door hem beschreven ontwikkelingen bepaald worden door politieke en economische belangen. Juist dit gebrek aan politieke scherpte inspireerde Finkelstein tot het schrijven van The Holocaust Industry.

Als geestverwant van Noam Chomsky en andere linkse intellectuelen volgt Finkelstein met deze politieke analyse verder de weg die hij enkele jaren geleden insloeg met publicaties over het Palestijnse vraagstuk en het Goldhagen-debat. Daarmee wordt ook duidelijk waar The Holocaust Industry - met al zijn tekortkomingen - precies moet worden gesitueerd: in de context en de traditie van het Amerikaanse radicalisme. Wie het boek en zijn auteur uit hun context haalt, zal regelmatig moeten slikken bij het lezen van de onverbloemde, hier en daar zelfs platvloerse beschuldigingen en de bijtende tirades, en allicht uit het oog verliezen waar het Finkelstein eigenlijk om gaat: het beeld van het verleden is geen apolitiek, objectief gegeven, maar een constructie. En het mag nooit zo zijn dat de herinneringen aan de verschrikkingen van gisteren - door wie dan ook - worden misbruikt om het onrecht van vandaag te laten voortbestaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden