Jongste HOOP bevat weinig controversiële elementen

Vandaag buigt de Tweede Kamer zich over het visitekaartje van minister Hermans: het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP). Dit keer ligt alleen de relatie universiteit-hogeschool nog enigszins gevoelig....

Tot 1998 verscheen er elke twee jaar een HOOP. En voormalig minister van Onderwijs, Ritzen, onder wiens verantwoordelijkheid vier van deze nota's zijn verschenen, greep de gelegenheid steevast aan om het hoger onderwijs eens lekker op te schudden. 'Hij meed op voorhand elke vorm van overleg over de inhoud', zegt R. Meijerink, voorzitter van de vereniging van universiteiten VSNU. 'De inhoud droeg daar de sporen van: de onderwijsinstellingen waren er zelden blij mee. Maar ze werden er wel door in het defensief gedwongen. Vervolgens waren er maanden mee gemoeid om weer nader tot elkaar te komen.'

De versie van minister Hermans, ditmaal met een levensduur van vier jaar, heeft een andere voorgeschiedenis. Hij heeft er, aldus Meijerink, intensief over gesproken met de betrokken universiteiten, hogescholen, studenten en sociale partners. Deze werkwijze plaveide de weg naar een weldadige consensus.

Hermans liet zich leiden door het adagium 'regeren op afstand'. De instellingen zullen voortaan een grotere vrijheid genieten bij de inrichting van het onderwijsprogramma, en bij de vorming van hun profiel. De samenwerking tussen hogescholen en universiteiten wordt mogelijk gemaakt. Zij kunnen straks zelfs bestuurlijk fuseren.

Over dit onderdeel van het HOOP zullen in de Tweede Kamer wellicht de hardste noten worden gekraakt. Bij eerdere gelegenheden hebben volksvertegenwoordigers zich immers nogal gehecht getoond aan de zichtbare scheiding tussen wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs.

Minister Ritzen zette de toon. 'Een student moet weten wat hij kan verwachten', zei hij in reactie op de demonstratieve flirt tussen de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de plaatselijke hogeschool (HvA). 'Anders wordt het zoiets als een winkel binnengaan zonder te weten of je met een strijkplank of een stofzuiger naar buiten zult komen.'

De universiteiten bedreven wat hem betreft een volkomen andere vorm van sport dan de hogescholen. Grensoverschrijdend verkeer - ook van studenten - diende tot een minimum te worden beperkt.

De instellingen zelf deden onderwijl wat ze niet konden laten. De UvA en de HvA bereiden een bestuurlijke fusie voor, en elders in het land werken hogescholen en universiteiten op facultair niveau samen. Minister Hermans heeft zich met zijn HOOP naar die realiteit gevoegd.

Het is echter de vraag of hiermee ook het einde van het zogenoemde binaire stelsel wordt ingeluid. Zelfs de meest verklaarde voorstanders van samenwerking in het hoger onderwijs menen dat een bestuurlijke fusie tussen hogeschool en universiteit niet gepaard moet gaan met inhoudelijke nivellering.

Dat standpunt is ook vervat in de position paper dat de VSNU aan de vooravond van de parlementaire behandeling van het HOOP heeft opgesteld. Enerzijds bevat ze allerlei handreikingen aan het hbo; het aanbod van beide sectoren moet beter op elkaar worden afgestemd, zodat studenten makkelijker van hogeschool en universiteit - of omgekeerd - kunnen switchen; en hogescholen die hun (private) masteropleidingen nu nog laten waarmerken door buitenlandse - overwegend Engelse - universiteiten, zouden een dergelijke relatie bij voorkeur met Nederlandse universiteiten moeten aangaan.

Anderzijds menen de universiteiten, bij monde van de VSNU, dat alleen zij door de overheid gefinancierde masteropleidingen mogen aanbieden. Als Nederland eenmaal deel uitmaakt van de zogenoemde 'Europese onderwijsruimte', moet de bachelorgraad - de Anglo-Amerikaanse variant van het kandidaatsexamen - de grens markeren tussen hbo en wo. De onderbouw van het hoger onderwijs wordt gedeeld door hogescholen en universiteiten, de bovenbouw is een academische aangelegenheid.

Een dergelijke taakverdeling is echter door de feiten achterhaald, meent dr. F. Leijnse, voorzitter van de HBO-Raad. De hogescholen verzorgen allang masteropleidingen (overwegend voor afgestudeerde hbo'ers en academici) en hebben geen enkele reden om op hun schreden terug te keren.

Hij acht het aannemelijk dat universiteiten en hogescholen straks elkaars personeel inzetten, en dat het hbo (toegepast) wetenschappelijk onderzoek zal gaan verrichten. Niet omdat het zichzelf daarmee van een academisch cachet wil voorzien, maar omdat de samenleving daar nu eenmaal om vraagt. 'De universiteiten zullen andere master-opleidingen verzorgen dan de hogescholen, en veel zal ook in samenwerking kunnen. '

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.