Jongensboek De Winter leest weer als een trein

Rabbijn Sol Mayer heeft zojuist een conferentie over 'De rol van de rabbijn in een veranderende samenleving' bijgewoond en vliegt nu terug van Boston naar New York....

Mayer is dank zij zijn schoonfamilie een gefortuneerd man. Zijn carrière als rabbijn, als liberale rabbijn, verbonden aan de Temple Yaakov-synagoge op Fifth Avenue, is in stijgende lijn.

Er is slechts één wolkje aan de lucht. Tussen hem en zijn vrouw Naomi gaat het niet goed.

'Dertien maanden geleden hadden ze hun gepijnigde seksleven met een kort, machteloos nummer beëindigd', staat er op bladzijde 76 van Zionoco, de nieuwe roman van Leon de Winter, maar dat wil niet zeggen dat Sol en Naomi van elkaar af zijn.

Zíj wil een kind, desnoods via het laboratorium, en híj wil al die centen natuurlijk niet kwijt.

Sol heeft 'lui zaad', maar dat wil niet zeggen dat hij vrij is van begeerte naar het vrouwelijke geslacht, al is hij nooit zo ver gegaan als zijn zwager Tom, die werd betrapt toen hij een oververhitte huishoudhulp nam op het snijblok in de keuken thuis.

Maar Sol is wel verliefd, althans in de ban geraakt van een jonge vrouw, die hij na de conferentie met een jazz-orkestje heeft horen zingen. Worstelend met zijn geweten tracht hij haar in New York op te sporen. Dat lukt en dan begint na een aanvankelijke, lichte aarzeling van haar kant een onstuimige affaire, die mede wordt gestimuleerd door het feit dat zij afgestudeerd blijkt te zijn in de astrofysica, wat goed is voor indringende gesprekken over het universum.

Intussen is Sol in grote moeilijkheden geraakt doordat hij met een tijdschriftartikel een groepje orthodoxe joden (chassieden) tegen zich in het harnas heeft gejaagd, wat men ook bij Temple Yaakov niet erg waardeert. Zijn tegenstanders zijn uitzinnig van woede en maken hem en zijn liefde - zoals later blijkt - kapot.

Deze turbulente gebeurtenissen voltrekken zich tegen de achtergrond van Sol's herinnneringen aan zijn jeugd. Hij groeide op in Amsterdam en verhuisde op zeventienjarige leeftijd met zijn autoritaire vader, ook rabbijn, naar Amerika.

Die vader is een obessie voor Sol, zelfs nadat hij in de binnenlanden van Suriname is verdwenen. Mede door toedoen van pa is Sol's leven de eerste jaren in Amerika een puinhoop. Twaalf ongelukken en dertien ambachten, op het randje van wat wettelijk is toegestaan.

Maar dan begint het tweede deel van deze roman. Ineens is Sol, blijkens therapeutische gesprekken met een medicijnman, óók naar Suriname gegaan. Om kaddisj te zeggen op de plaats waar zijn vader vermoedelijk in een rivier is verdronken, is hij de binnenlanden ingetrokken. En wat blijkt? Zijn vader ìs helemaal niet omgekomen. Hij is, geholpen door joodse indianen, in het oerwoud op weg gegaan naar de berg Zionoco, omdat hij in de naam daarvan het woord Zion heeft gezien, een niet mis te verstaan teken.

In de buurt van deze berg vindt Sol - 'De rukker van Manhattan' zoals hij door de tabloids in New York werd genoemd, nadat een door de chassieden stiekem gemaakte film over hem en zijn geliefde openbaar was gemaakt - zijn vader terug, nèt voordat deze de geest geeft. Sol blijft als rabbijn bij de indianen.

De Winter's boeken van de laatste jaren, het is bekend, lezen 'als een trein' en dat is ook nu weer zo, maar als volwassen lezer neem je ze geen ogenblik serieus. Het is allemaal zó ongeloofwaardig. Waarom lees je ze dan in een paar uur met rode oortjes uit? Omdat het jongensboeken zijn en nog wel joodse jongensboeken, zoals je vroeger roomse jongensboeken had, of gereformeerde, of socialistische.

Een jongensboek beantwoordt aan andere wetten dan een roman voor lezers die zèlf al het een en ander hebben meegemaakt en al doet De Winter alsof dat voor hem eveneens geldt, door de naïviteit van zijn plot, de volstrekte afwezigheid van enigerlei vorm van mensenkennis en het accent op spectaculaire gebeurtenissen die zich steevast ver van huis afspelen (New York, het red light district, Central Park, Suriname, de jungle) veranderen zijn grote mensen al na een paar bladzijden in grote kinderen, als in een soap. Wie daar niet te zwaar aan tilt (of van soaps houdt), zal aan Zionoco ongetwijfeld veel plezier beleven (De Bezige Bij, ¿ 35,-).

Marcel Möring verzamelde in Het derde testament 'verhalen uit de joodse traditie'. Daarbij beperkte hij zich niet tot schrijvers als Franz Kafka, Lion Feuchtwanger, Isaac Babel, Philip Roth, Chaim Potok en Primo Levi; hij koos ook stukken van Sigmund Freud, J. Robert Oppenheimer, de uitvinder van de atoombom ('Zie, ik ben de vernietiger der werelden'), en de Nobelprijswinnaar Richard Feynman, 'een van de grootste theoretische natuurkundigen van deze eeuw'.

Het uitgangspunt voor Möring was het volgende: 'Op een vertellende manier dingen duidelijk maken staat in hoog aanzien in het jodendom. De Talmoed, de Kabbala, het leeuwedeel van de joodse religieuze en wijsgerige literatuur dankt haar kracht aan het verhaal. En niet alleen in het schriftelijk vastgelegde jodendom is het verhaal belangrijk: de meeste feesten ontlenen hun vorm en betekenis eraan.'

Met Het derde testament wil Möring deze traditie illustreren, al komt hij vanzelf ruimte tekort. Het aardige van zijn keus is dat hij zich niet tot het strikt literaire terrein bepaalt, maar laat zien van hoeveel belang het vertellen op andere gebieden van het leven is. Dat brengt hem tot de vraag of een zo lange en krachtige traditie van het woord ook in andere 'literaturen en culturen' wordt aangetroffen (Meulenhoff, ¿ 45,-).

James Joyce is in Triëst, waar hij van 1905 tot 1915 Engelse les gaf, hevig verliefd geweest op een joods meisje, dat door zijn biograaf Richard Ellmann werd geïdentificeerd als Amalia Popper, een leerlinge van Joyce (in 1933 mocht zij als Signora Risolo Dubliners vertalen). Joyce schreef over deze liefde Giacomo Joyce, een tekst die pas in 1968 werd gepubliceerd, nadat hij door de broer van Joyce, Stanislaus, uit de boedel in Triëst was gered.

Giacomo Joyce is een buitengewoon pakkend liefdesverhaal, vol weinig zoetsappige zinnen als: 'Corpses of Jews lie about me rotting in the mould of their holy field. Here is the tomb of her people, black stone, silence without hope. . .' Paul Claes, de mede-vertaler van Ulysses, maakte daarvan: 'Lijken van joden liggen om me heen te rotten in de aarde van hun dodenakker. Hier is haar familiegraf, zwarte steen, stilte zonder hoop. . .'

Het mooie boekje, met hier en daar een misschien wat al te eigenzinnige vertaalvondst, verscheen, net als de herdrukte, uiterst sensuele novelle Het oog van Georges Bataille (ook vertaald door Paul Claes) in de boeiende reeks Klassiek van Kritak en Goossens (beide ¿ 24,50).

'Ik was hartstochtelijk verliefd op gravin. . .; ik was twintig en ik was naïef; ze bedroog me, ik werd kwaad, ze verliet me. Ik was naïef, ik verlangde naar haar; ik was twintig, ze vergaf me: en omdat ik twintig was en naïef, nog steeds werd bedrogen maar niet meer verlaten, waande ik me de best beminde minnaar en dientengevolge de gelukkigste man van de wereld.'

Zo dansend begint de novelle Point de lendemain (Wordt niet vervolgd), die in 1777 te Parijs verscheen van de hand van M. D. G. O. D. R (Monsieur Denon gentilhomme ordinaire du roi, De heer Denon, gewoon edelman van de koning).

Dominique Vivant Denon (1747-1825) leidde een avontuurlijk leven, onder meer aan de zijde van Napoleon, maar lijkt verder vergeten, al verwekte de op zijn verhaal gebaseerde film Les amants van de onlangs overleden Louis Malle in 1958 een schandaal en treft de bezoeker van het Louvre zijn naam nog aan naast die van Sully en Richelieu in de nieuwe entree van Jeoh Ming Pei.

Point de lendemain, dat aan Les liaisons dangereuses doet denken (óók verfilmd), werd door Zsuzsó Pennings vertaald. Ivo Gay licht in een nawoord het onstuimige doopceel van de heer Denon (Van Gennep, ¿ 22,90).

De novelle eindigt even onbekommerd als hij begint: 'Ik klom in het rijtuig dat op me stond te wachten. Ik zocht de moraal van heel het avontuur, en. . . vond er geen.'

Aan die woorden moest ik denken, toen ik na uren, uren lezen de omvangrijke, historische roman van Pim Wiersinga (Gracchanten) uit had. Het verhaal van de jonge Skamander, die als zoon van een verslagen Macedonische veldheer, meetrekt met een handelskaravaan en na de gruwelijke dood van zijn vader (die in opstand kwam tegen de Romeinen) als acteur van Pergamon via Kreta in Rome belandt en daar de vertrouweling wordt van de jongste der Gracchen, Gaius Gracchus, is in feite een brievenroman: aanvankelijk richt Skamander zich tot de uiterst dubieuze moeder der Gracchen, Cornelia, later tot zijn 'pleegzoon' Quintus.

De homo-erotische tendens, soms in niets verhullende scènes naar de oppervlakte getild, is duidelijk, maar wat Wiersinga anders dan deze kant van de Romeinse oudheid heeft willen blootleggen, is na één keer lezen, niet goed tot me doorgedrongen. Gracchanten is een nogal springerig verhaal - mede door het grillige karakter van Skamander, de verteller - en zowel de penis als het bloederige mes wordt vaak in iets weeks gestoken, maar zelden had ik het gevoel, zoals bij Marguerite Yourcenar, meegesleept te worden, het verleden in. De critici zullen zich ongetwijfeld diepgaand met deze op zichzelf bewonderenswaardige verrichting inlaten (Meulenhoff, ¿ 59,90).

En dan is er natuurlijk veel Mulisch. Publicitair wordt zijn Prijs der Nederlandse letteren uitgebuit met een herdruk van De pupil, De elementen, Het beeld en de klok, Voorval en De gezochte spiegel in Vijf fabels (De Bezige Bij, ¿ 35,-) alsmede met de publikatie van een aantal toespraken: Bij gelegenheid (in het kunstkatern van vorige week besproken). Daarnaast is er de doctoraal-scriptie van Peter Henk Steenhuis, die alle bijbelse verwijzingen in De ontdekking van de hemel heeft nagetrokken: Alles is altijd uit de bijbel (De Bezige Bij, ¿ 22,50), maar minstens zo interessant is de bundel Mulisch en de wetenschap, waarin allerlei geleerden hun licht over Mulisch' magnum opus laten schijnen. Het boeiendst zijn uiteraard de exacte bijdragen (fysica, sterrenkunde en zo meer), waaruit blijkt dat de schrijver niet zo maar ins Blaue hinein heeft zitten fantaseren (Kok, ¿ 39,50).

Een (heel) bijzonder boek is Stenen van de veelzijdige Franse geleerde Roger Caillois. Marguerite Yourcenar, die veel van hem had geleerd, noemde hem 'de man die van stenen hield'. Van die liefde getuigt vooral zijn boek Pierres, nu vertaald door Jacq Vogelaar en Arnan Oberski. In deze 'teksten' worden gesteenten als labradoriet, jaspis, obsidiaan, onyx, agaat en galeniet zo poëtisch en verhalend opengebroken dat zich als het ware een nieuw, ongezien universum voor je ogen ontvouwt (De Bezige Bij, ¿ 37,50).

Eén boek verder en je bevindt je niet meer in het paradijs, maar in de hel.

Die hel zijn de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Chrisje Brants, mede-auteur van de onlangs voor de vierde maal herdrukte reisgids Velden van eer, verzamelde getuigenissen van schrijvers als Louis-Ferdinand Céline, Jean-Louis Pisuisse (toen hij nog reporter was), Ernst Jünger, Robert Graves en vele, vele anderen, die het bloedbad aan den lijve hebben meegemaakt. Een plasje bloed in het zand was het resultaat (Balans, ¿ 39,90).

Niet dat het gebeurde, maar wat er gebeurde, om met Harry Mulisch te spreken, wordt je in dit boek weer eens schokkend duidelijk gemaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden