Postuum John Lanting

John Lanting (1930–2018) knokte voor erkenning als de meester van de klucht

Het verschil tussen een geslaagde en een mislukte grap is secondewerk, wist perfectionist John Lanting, de donderdag overleden koning van de klucht. Waardering voor zijn vakmanschap kwam pas later, maar het publiek trok in altijd uitverkochte zalen naar zijn Theater van de Lach.

John Lanting in juli 2017. Foto Hollandse Hoogte

‘Ik zei wel dat dit de allerlaatste tournee van het Theater van de Lach is, maar ik beloof niet dat ik nooit meer in het theater te zien zal zijn. Misschien kom ik nog terug als Hamlet… of als de zoon van Hamlet.’

John Lanting betrad in 1996 na afloop van Jubileumhotel, de allerlaatste voorstelling van zijn Theater van de Lach, het podium van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Hij werd door het publiek stormachtig toegejuicht, want iedereen wist: de koning van de lach, de meester van de klucht, houdt ermee op. 

Dat zijn afscheid in die chique Haagse schouwburg plaatsvond, deed hem goed. Die referentie aan Hamlet tekende hem ook, hij kende immers zijn klassiekers, en had ze ook allemaal heus wel kunnen spelen. Maar ja, de dingen liepen anders. John Lanting speelde geen Hamlet, maar werd onze nationale kluchtenkoning. Van dat genre maakte hij zijn beroep, en hij vervolmaakte het, met als resultaat een ongekend succes in alle uitverkochte theaters waar hij optrad.

Geruime tijd ziek

Donderdag is John Lanting op 88-jarige leeftijd in zijn woonplaats Breda overleden. Hij was al geruime tijd ziek. Lanting studeerde in 1956 af aan de Toneelschool in Amsterdam, waarna hij tot 1964 als acteur verbonden was aan het Rotterdams Toneel. Daarvoor was hij al toneelknecht in de Haarlemse schouwburg en gids op rondvaartboten in Amsterdam. 

Lanting werd nationaal en internationaal bekend met zijn solovoorstelling De Aap, naar het boek van Franz Kafka uit 1917 over een aap die uit zijn gevangenschap probeert te ontsnappen en het gedrag van zijn bewakers probeert te imiteren. Zijn roeping vond hij in 1971, toen hij samen met impresario Jacques Senf het Theater van de Lach begon. 

Senf was in die tijd de man die met commerciële producties zoveel mogelijk schouwburgen wilde vullen en Lanting had intussen ontdekt dat in het komische genre zijn kracht lag. Ruim 25 jaar lang vulde hij de theaterzalen met titels als Nee schat, nu niet, Een kus van een Rus, Een scheve schaats, In de kast, op de kast en Een trouwring mag niet knellen. Vaak waren dit bewerkingen van originele stukken van de Engelse toneelschrijver Ray Cooney.

Vaste waarden

Het genre werd gekenmerkt door een aantal vaste waarden; de plot was altijd voorspelbaar, het publiek wist precies hoe het zou aflopen – en werd ook deelgenoot gemaakt door de terzijdes die Lanting tijdens de opvoering plaatste (‘let nu goed op!’) – er waren altijd veel deuren en kasten waarachter van alles gebeurde dat het daglicht niet kon verdragen en vaak liepen de dames rond in lingerie, maar ook Lanting zelf liet regelmatig zijn broek zakken. De ietwat stakerige benen onder een wat lullige boxershort die dan tevoorschijn kwamen, werkten meteen op de lachspieren.

Het grote waarom van de deuren

De klucht en de deur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: geen deur, geen klucht. Kijk naar een paar scènes van John Lantings Theater van de Lach (en later naar de kluchten van Jon van Eerd) en je ziet er minstens vijf in elk decor. Maakt niet uit of dat in een hotelbar is, of in een kantoor, of in een suite, en zelfs in een gewone huiskamer zitten er veel meer dan de doorgaans gebruikelijke twee. 

Die deuren dienen om alle personages in snel tempo op en af te kunnen laten gaan, want in kluchten zitten vaak heel veel rollen. Vaak heeft de hoofdpersoon behalve een vrouw ook een minnares, en een ex, en ook nog een boezemvriend of verre neef die hem bij zijn overspelige escapades moet helpen. En dan is er nog het voetvolk: de secretaresses, de liftbediendes en de schoonmaaksters die hun plek eisen. 

De decors zijn vaak ook zo gemaakt dat het publiek mee kan kijken, door die deuren heen, van de ene locatie naar de andere. Ook staan er veel kasten in een klucht, want een kast heeft immers ook een deur en daar staat steevast dan weer een schaars geklede dame op haar beurt te wachten.

Lanting regisseerde de voorstellingen zelf en speelde meestal ook mee. Altijd als het lulletje rozenwater dat tegenover brallerige mannen zijn plek moest veroveren en hitsige dames richting het overspelige bed moest zien te manoeuvreren. Zijn stijlmiddelen waren een overdreven maar effectieve mimiek en een stemgebruik dat varieerde van lijzig naar hoge gilletjes. 

Maar elke grap, hoe flauw en voorspelbaar soms ook, kwam aan. Het verschil tussen een geslaagde en een mislukte grap is secondewerk, zei hij eens. Daarin was hij een perfectionist. Vaak maakte hij van voorstelling een video-opname die hij de dag daarna grondig ging analyseren.

Trouw gebleven

Tot op hoge leeftijd is hij zijn genre, de klucht, trouw gebleven. Zo gaf hij regelmatig lezingen over het onderwerp en hij schreef in 2010 een boek: En clown zou ik worden. Die titel typeerde hem, want hij zag het acteren in een klucht als een vorm van clownerie, inclusief de timide kant die daarbij ook komt kijken. Een echte clown heeft soms ook een traan in zijn oog. Zijn grote voorbeeld was Charlie Chaplin, wiens films hij verslond.

Vinden we de klucht nog leuk?

Is de klucht dood? Het leek erop, in 1996, toen John Lanting stopte met optreden. Dat was meteen ook het einde van zijn Theater van de Lach. Af en toe werd in Nederland nog wel een klucht opgevoerd, maar van een traditie was geen sprake meer. En misschien was de vorm waarin Lanting excelleerde intussen ook wel passé, met die ongeloofwaardige misverstanden en ‘oh-lala’-ondeugd; met de klapdeuren, persoonsverwisselingen, poep-en-pieshumor en mannen in jurken.

Maar in 2002 wierp theaterproducent Albert Verlinde zich op als redder van het genre, met de productie Tel uit je winst. ‘De klucht is terug!’, verkondigde het affiche vrolijk. De voorstelling betekende ook de doorbraak als komiek van acteur Jon van Eerd, die sindsdien geldt als opvolger van Lanting. Van Eerd maakte een reeks succesvolle kluchten, met veelzeggende titels als Een rits te ver.

Ook andere commerciële producenten als Senf en Bos Theaterproducties doen wel eens een poging, met wisselend succes. Vorig jaar bracht De La Mar Theater de voorstelling Geen Paniek!, die overwegend matige kritieken kreeg. De klucht is een verraderlijk genre, blijkt vaak. Als de grappen niet raak zijn, resteert flauwe, inhoudsloze, en vaak stuitend platte ongein.

Maar de klucht is hardnekkig. ‘Een poppenkast voor grote mensen’, zo noemde acteur Paul van Soest, die vaak bij Lanting speelde, het genre ooit in NRC.  Van Soest: ‘Ik geloof niet dat dat ooit verouderd raakt.’

Theater van de Lach werd door de culturele elite en de pers lange tijd genegeerd en stond voor iets volks, iets waar je je beter niet mee kon inlaten. De meeste recensies die wel verschenen waren dan ook negatief, vooral over de inhoud van de stukken. De acteurs kwamen er beter van af, men besefte dat ook het spelen van een klucht een vak was. 

De maestro zelf kon het niet veel schelen. ‘Een zaal vol mensen die zich bescheuren van het lachen, vind ik een betere recensie dan die van welke criticus ook. Vanaf het podium zag ik mensen weleens niet meer bijkomen. Zo’n zaal is net een korenveld onder een flinke bries. Het publiek heeft recht om te lachen.’ Pas in de jaren negentig kwam er een herwaardering voor de klucht, en vooral voor Lanting. Recensenten namen het genre serieus, en Lanting zelf constateerde dat in de zaal allerlei rangen en standen zaten.

Niet op waarde geschat

Wel heeft hij zich vaak onbegrepen gevoeld, en niet altijd op waarde geschat, hoewel de bezoekcijfers in zijn voordeel spraken. Hij liet niet na te benadrukken dat er vakmatig gezien geen verschil was tussen het spelen van een klucht en een tragedie. Ook vond hij zijn gezelschap zeker niet minder dan het grote, gesubsidieerde toneel. 

In een van de zeldzame, persoonlijke interviews met Lanting – hij wilde het eigenlijk alleen maar over het vak hebben – vertelde hij dat hij als kind leed aan wat toen ‘hersenkramp’ werd genoemd, een vorm van Alzheimer. ‘Doordat ik jong was, is het hersteld, al heb ik er altijd last van gehouden. Bij vermoeidheid ga ik stotteren, en regelmatig eindig ik een zin waarvan ik weet dat de gedachte oorspronkelijk langer was. Die ziekte heeft van mij een solist gemaakt, een nogal overgevoelig type dat zijn leven baseerde op kijken naar het gedrag van andere mensen. Ik durf bij mijn afscheid best te stellen dat een minderwaardigheidscomplex de bron van mijn carrière was.’

Dat kijken naar de anderen en het overwinnen van dat complex, hebben ertoe geleid dat Lanting heer en meester was in een theatergenre dat door zijn toedoen volwassen werd.

Wat ís nou de kunst van de klucht?

In 1999, drie jaar na zijn afscheid, werd Lanting vanwege zijn vakmanschap gevraagd om de voorstelling Drie maal twee is zes te veel te regisseren. Dat verhaal had niet veel om het lijf, maar die voorstelling blonk uit in de twee dingen waar het in dit genre om draait: tempo en timing. Dat tempo is om het gebrek aan inhoud te maskeren en de timing om af en toe op de rem te gaan staan. 

Het gaat altijd om tamelijk veel personages die elkaar eigenlijk niet tegen mogen komen, maar dat op ongewenste momenten toch doen en daar dan weer wat bij moeten verzinnen. Lanting speelde vooral de ontregelaar. 

In de voorstelling Den Haag Vandaag is hij de wat sullige secretaris van een minister die in een Haags hotel een affaire wil beginnen met zijn wulpse secretaresse. Lanting vraagt hem waarom hij dat zo graag wil, want hij heeft immers zo’n leuke vrouw. ‘Maar jij hebt toch ook hobby’s?’, vraagt de minister vervolgens. Dan valt er een korte stilte, en zegt Lanting: ‘Ja, ik heb een spoortrein’. Flauw, maar raak. Vervolgens stuntelt hij zich behendig door de voorstelling vol misverstanden en noodverbanden heen. Maar het is altijd met een tongue-in-cheek, want een van de lessen van Lanting is dat zelfs in de penibelste situatie de blijmoedigheid moet regeren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.