JOHAN VAN DER KEUKEN 'Ik heb altijd overhoop gelegen met die term documentaire'

Een Franse criticus noemde hem eens de Zwevende Hollander. De blik van Johan van der Keuken is die van een reiziger naar verre oorden, die zijn eigen werkelijkheid construeert, maar ook het toeval zijn gang laat gaan: 'Ik zit duidelijk in de improviserende hoek.' Zijn nieuwe documentaire gaat over de...

IN ZIJN nieuwste film Laatste Woorden - Mijn zusje Joke, komende zondagavond te zien bij de VPRO, voert Johan van der Keuken met zijn vrouw Nosh van der Lely een gesprek met zijn tweeënhalf jaar oudere zus Joke, die acht dagen later aan kanker overlijdt. Hij laat foto's van haar zien, onder meer die uit zijn eerste fotoboek Wij zijn 17, en verklapt dat Joke toen niet zeventien maar negentien was. Was de na Joris Ivens' dood grootste Nederlandse documentairefilmer al bij de start van zijn carrière een verdraaier van de werkeljkheid? Of toen al een kunstenaar die de werkelijkheid een vorm geeft, zíjn vorm?

Niet bekend

Zo stond Van der Keuken van meet af aan ter discussie. Daar heeft hij zijn hele leven natuurlijk zelf om gevraagd, want veel vrijblijvendheid is in zijn oeuvre niet te ontdekken. Elf jaar geleden maakte de toenmalige filmmedewerker van de Volkskrant, F. de Waal, Van der Keuken naar aanleiding van The Unanswered Question uit voor cultuurbarbaar, en zijn film voor een 'pijnlijk beschamend knoeipotje'. Onder een boze ingezonden brief van tientallen filmers schreef de hoofdredactie dat de bewuste bespreking 'in haar formuleringen op betreurenswaardige wijze de grenzen van een recensie te buiten was gegaan'.

Maar het had toch maar even in de krant gestaan.

Deze scherpe kritiek was een uitzondering. In het algemeen is Van der Keuken een veelgeprezen filmer, die hier en in het buitenland beschouwd wordt als (om het befaamde encyclopedietje van George Sadoul te citeren) 'een van de belangrijke cineasten van deze tijd'.

Johan van der Keuken werd op 4 april 1938 geboren in Amsterdam. Zijn vader Gerard was directeur van een HBS, tevens schrijver van Engelse en Nederlandse grammaticaboeken. Zijn grootvader van moeders zijde was een Groningse onderwijzer met communistische sympathieën, die hem fotograferen leerde. Johan was dus zeventien toen hij zijn eerste foto's bundelde. Een jaar later kreeg hij een beurs voor het Institut des Hautes Etudes Cinématografiques in Parijs, maar veel gefilmd heeft hij daar niet. 'Op die school werd voornamelijk de indruk gewekt dat film heel moeilijk was. Dus bleef ik maar fotograferen', zei hij in in 1978 tegen Ischa Meijer in de Haagse Post. Nieuwe fotoboeken verschenen in 1957 (Achter glas, met een tekst van Remco Campert) en 1963 (Paris Mortel), en intussen werd zijn werk van Amsterdam tot Parijs en Milaan tentoongesteld.

'Film is een fotografische kunst waaraan het begrip tijd is toegevoegd', heeft Van der Keuken in menig interview gedoceerd. De eerste beweging in zijn fotowerk werd, na zijn Parijse examenfilmpje Paris à l'aube, zichtbaar in 1960: Een zondag, een filmpje over een autotochtje, naar een scenario van Remco Campert. Foto's bleef hij maken voor weekbladen en reclame (Bijenkorf, Boldoot). Zelfs was hij een tijdje filmmedewerker van de Haagse Post. In een reeks korte films voor de VPRO (1962), over Tajiri, Opland, Yrrah en Lucebert, begon zich aarzelend de bewegende filmer te manifesteren die in de jaren zestig snel aan respect won.

Een filmer met een eigen stijl, die niet paste in het rijtje bekende namen van toen: Haanstra, Van der Horst, Vrijman. Misschien omdat hij meer contact had met de literaire wereld en van de beeldende kunst. Wel stond hij dicht bij Joris Ivens, niet in filmstijl, maar in de houding van de regisseur tegenover zijn onderwerp.

Met Ivens heeft Van der Keuken het engagement gemeen, plus de linkse visie (tegen Ischa Meijer: 'Je kunt mijn maatschappijvisie het best karakteriseren met communistisch, maar dan niet in partijpolitieke zin'). In 1989 liet hij weten geen Ridder in de Orde van Oranje-Nassau te willen zijn. Van der Keuken voelde er niets voor 'langzaam het establishment in te glijden'.

Wat hem onderscheidt is het zoeken naar vormen die verwant zijn aan moderne schilderkunst en een eigen esthetiek en ritme vinden, een spel van betekenissen dat reageert op de werkelijkheid die hem voor ogen komt. Wat dat betreft hebben de documentaires van Johan van der Keuken altijd iets gehad van fictie, een ver-vorming van die werkelijkheid. Het is altijd de werkelijkheid én Van der Keuken. Of andersom. In de literatuur zijn het dichters als Campert of Kouwenaar, in de muziek Willem Breuker, Louis Andriessen of de groten van de jazz die hem inspireren, en aan wie hij soms zijn eigen ritmen en vormen ontleent.

Het schaven aan de waarneming is soms bits, houterig, confronterend. Van der Keuken is een timmerman, hij figuurzaagt, zoals hij vorm geeft aan ook zijn jarenlange (sinds 1977) bijdragen aan het blad Skrien. Ze heten Uit de wereld van een kleine zelfstandige. Een titel waarover is nagedacht, zoals al zijn teksten. In Skrien no 216 heeft hij het over zijn stervende zus Joke. 'Gedverdemme de dood, ging het vanavond door me heen - en dat een rubriek als deze er toenemend door wordt gekleurd (ontkleurd).'

Het toegevoegde laatste woord tussen haakjes is typisch Van der Keuken. Soms gebruikt hij zijn Skrienpagina voor een klein pamflet, zoals in mei 1993, wanneer hij fulmineert tegen de fusie van twee filmfondsen, omdat het altijd weer gaat om 'maffieus gekrakeel over het verdelen van de poet', terwijl nooit de vraag aan de orde komt waar een filmfonds voor staat, een vraag als 'Wat kun je als filmmaker de mensen nog met goed fatsoen aanbieden'.

Of hij vertelt, met foto's erbij, dat hij met zijn vrouw Nosh het Japanse plaatsje Shibagakil bezoekt, want: 'Door het zien van de film Maborosi had ik het diepe verlangen naar een vissersplaatsje te gaan.' Of hij maakt een 'Primitieve Collage: Het Nulpunt van de Kritiek', omdat een criticus in Het Parool heeft beweerd dat 'aan de essentie van het documentairemaken maar weinig te vernieuwen valt'.

Johan van der Keuken heeft zich regelmatig vernieuwd, misschien moet je stellen dat hij bijna per decennium van stijl verandert. Vooral sinds hij als cameraman met Louis van Gasteren naar Biafra trok (1968), is zijn blik op de wereld steeds vaker die van een reiziger naar andere oorden geworden. En dat altijd met Nosh, die voor het geluid zorgt en hem ook beïnvloedt. 'Door Nosh ben ik me meer gaan bezighouden met het beeld van vrouwen, dat wordt rijker als je met een vrouw werkt', zegt hij in 1986 in NRC Handelsblad.

Reizen en filmend ontdekte hij waar de verschillen zitten in de westerse (noordelijke) en de niet-westerse (zuidelijke of oosterse) wereld. En overal ontmoette hij (zoals wijlen Nico Scheepmaker in 1980 opmerkte) 'mensen van goeden wil in een boze wereld'. Vooral de boze wereld van geld en macht, die corrumpeert, zoals hij onder meer aankaart in I $ (1986).

Soms wist hij niet eens precies wat hij zou gaan filmen als hij vertrok. 'Dan namen we al ons geld op en gingen op reis' (de Volkskrant, vorig jaar). De Franse criticus Serge Daney noemde hem niet de Vliegende, maar de Zwevende Hollander. Op zijn reizen laat hij de onverwachte ontdekking toe. Van der Keukens documentaires bewegen zich altijd tussen constructie en toeval.

In zekere zin is hij een opportunist. Zoals hij in het project in de Amsterdamse Balie, dat Lichaam en Stad heet en vandaag wordt geopend, de film over zijn stervende zus laat zien en verklaart, alsof het opzet was: 'Hiermee hoop ik de ontmoeting tussen het bewegende beeld (en geluid) en het stilstaande beeld nog meer betekenis te geven: leven en dood, dood en leven, in voortdurende afwisseling.'

'Filmen is een mengsel van intuïtie, reageren en van puur lichamelijk werken' (de Volkskrant, 1996). Het lichamelijk werken is het hanteren van de camera, de intuïtie is het aftasten van de werkelijkheid, en wat hij daaruit oppikt en vormgeeft is het reageren.

Hij legde dat eens mooi uit in een interview met de Volkskrant in 1986. 'Ik heb altijd overhoop gelegen met die term documentaire. Het is een kwestie van methode, namelijk het onttrekken van dingen aan een toch voor iedereen te kennen werkelijkheid, maar daar verder met een eigen creativiteit mee aan de gang gaan. Aan mijn hele werk zit toch een heel kunstmatige kant. Ik zie een verschil tussen improviseren en niet-improviseren, eerder dan tussen documentaire en fictie. Ik zit duidelijk in de improviserende hoek. Niet in de zin van zomaar wat aanklooien, maar voortdurend bijstellen en terugkoppelen. Ik probeer iets te doen wat ze in de jaren vijftig ''het proefondervindelijk gedicht'' noemden.'

De laatste jaren, misschien wel sinds hij zelf een ernstige kankeraanval overleefde, is Van der Keuken wat losser geworden. In 1996 zegt hij in Vrij Nederland: 'Ik wil weer naïef zijn. Vandaar dat ik me in deze film, in de lijn van de cinema verité, wilde laten meevoeren door de camera, me laten verrassen door wat er zou gebeuren.' Die film was het (schitterende) Amsterdam - Global Village, eindelijk eens een grote film over zijn eigen stad. Een vier uur durende stroom aan beelden, maar wel over een Amsterdam volgens Van der Keuken: een Global Village, een multicultureel dorp, waarin mensen samenkomen uit vele werelddelen. En hij kon het toch ook niet laten de wortels van die mensen op te zoeken.

Thuis en toch weer op reis. Het 'vreemde' in Amsterdam confronteren met het 'thuis' in den vreemde - zoals Johan van der Keuken het zelf had kunnen zeggen.

Films van Johan van der Keuken in het project Lichaam & Stad, in de Balie te Amsterdam, tot en met 9 april.

Laatste Woorden - Mijn Zusje Joke; zondag 21.38 uur Nederland 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden