Johan Simons en het theater van glas

Johan Simons wilde wel van Zaandam naar Eindhoven gaan om het Zuidelijk Toneel Hollandia te leiden, maar alleen als hij zijn hele ploeg kon meenemen....

Het Simonsraam. Vlak voor het station van Eindhoven buigen rails af naar een parkeerterrein waar in tijd van oorlog tanks van een trein kunnen worden gereden om op te rukken naar de Belgische grens. Het door onkruid overwoekerde spoortje loopt langs een uit gele baksteen opgetrokken gebouw waar vroeger Van Gend & Loos zat. Nu vertrekken er bussen naar Torremolinos en andere vakantieoorden. Boven een deur staat in neonletters 'voordeur' en wie daar nu binnen gaat, betreedt het onderkomen van Het Zuidelijk Toneel. De vorige artistieke leiding heeft het gebouw naar haar hand gezet en de nieuwe leiding staat er, in de persoon van Johan Simons, wat achter dochtig naar te kijken. Hij heeft de dag in dat gebouw doorgebracht om te werken aan Woyzeck van Georg Buchner, waarmee hij zich binnenkort presenteert met het nieuwe gezelschap Zuidelijk Toneel Hollandia.

'Kijk', zegt hij, 'dit is natuurlijk een mooi gebouw maar het is wel een eiland in de stad. Zo is het ook bedoeld. Als een oase van rust midden in Eindhoven. Maar ik wil geen oase van rust, ik wil juist dat er leven in komt. Ik moet er om half twaalf in en om vier uur loop je dat repetitielokaal uit, en dan heb je ineens daglicht te pakken. Je denkt: waar ben ik geweest, in godsnaam? De kantoren zijn heel licht maar de repetitielokalen zijn graftombes, terwijl daar vroeger ramen in hebben gezeten met uitzicht op het spoor. Ik ga die weer openmaken, ik wil de treinen langs zien komen en ik wil ook niet dat het een eiland blijft. Ik zou het voor de stad willen ontsluiten, dat mensen het gevoel hebben: ik kan daar binnenstappen, ik kan daar op bezoek gaan, ik kan daar misschien eens een voorstelling zien.'

De buitenlucht, de straat, de sluis, de fabriek - dat was de omgeving waarin Simons en de zijnen zich lekker voelden toen ze onder de naam Hollandia vanuit Zaandam opereerden. Hun grootste successen hadden een voormalige autosloperij als decor, en daar hebben ze een keer een podium gemaakt voor een raam met uitzicht op het polderlandschap. Simons droomt van zo'n zaal in Eindhoven. 'Het is krankzinnig dat theaters zo gesloten zijn. Bij musea wordt in elk geval de indruk gewekt dat je naar binnen zou kunnen kijken, dat je te maken hebt met een openbare instelling. Het lijkt me leuk als je overdag decorbouwers bezig kunt zien met het opbouwen van een decor, dan wek je volgens mij nieuwsgierigheid bij het publiek. In Eindhoven gaan ze nu een middenzaal bouwen, daarover heb ik een gesprek gehad met die architecten en daarin komt nu een hele glazen pui te zitten op het toneel zelf. Die kun je afsluiten zodat het gewoon donker is, maar je kunt hem ook openlaten zodat je als publiek het toneelbeeld ziet maar intussen achter de rug van de acteurs naar buiten kan kijken en in dit geval is het uitzicht een park. Als je niet zo'n goede voorstelling hebt, heb je in ieder geval dat je lekker naar buiten kan kijken. Lijkt me een hele opluchting.'

Dat raam achter het toneel staat in vakkringen intussen bekend als 'Het Simonsraam'. Dat is, zoals in vakkringen ook iedereen weet, een afgeleide van het glazen theater waar Jan Joris Lamers altijd van heeft gedroomd. 'Ik hoop', zegt Simons, 'dat ik dat nog eens een keer kan realiseren, een glazen theater, en dat zou ik dan ook het Jan Joris Lamers Theater noemen.' Zijn eerste grote succes had Simons in 1987 in een glazen theater. Hollandia speelde Gust van Achternbusch, een stuk over een oude boer en diens stervende vrouw, in een tuinderskas. De boer werd gespeeld door Rik van Uffelen en Simons herinnert zich: 'Mijn moeder stopte Rik van Uffelen na afloop een tientje in zijn hand.'

De dijk. We lopen in Varik, een dorp in de Betuwe, de dijk op en kijken naar de schepen die langskomen en naar de lucht waarin met een losse streek wat wolken zijn gepenseeld. Johan en ik proberen alles in ons op te nemen, doen de ogen even dicht en moeten bekennen dat het weer niet is gelukt.

'Dat er dag en nacht schepen over die rivier varen', zegt hij, 'vind ik geruststellend. In het dorp staat de tijd stil, maar daar gaat de tijd voort. Dat tijdsbesef vind ik heel bijzonder. Ik begrijp dit landschap door mijn vader en moeder, en dat ik hier woon is dankzij hun. Of ondanks. Kan ook. Ik kom van heel ver. Andere kinderen zitten met hun achtste of twaalfde al in het theater, ik wist op die leeftijd helemaal niet wat dat was, had zelfs nog nooit van het woord gehoord. Maar ik kan nog heel goed putten uit die tijd.'

Johan Simons werd in 1946 geboren in Heerjansdam, een dorp op het Zuid-Hollandse eiland IJsselmonde. Zijn vader was een bakker die 's morgens met zijn bestelauto naar Duindigt reed om op de paarden te gokken in plaats van naar zijn broodwijk in Rotterdam-Zuid te gaan. Zijn moeder nam kostgangers in huis toen het met de zaak mis ging. Johan, de middelste van drie zoons, deelde een kamer met zijn jongere broer. In de vloer hadden ze een gaatje gemaakt waardoor ze in de keuken konden kijken als de broers van moeder, aardappelboeren uit de Hoekse Waard, vader in een gootsteenkastje stopten, het deurtje dicht deden en er met de voeten tegenaan gingen zitten tot hij beterschap beloofde. Johan wilde zendeling worden in Afrika en oefende op zijn broertje. Hij zette op hun kamer twee stoelen op elkaar als kansel en dan deed hij het raam open, zodat zijn preek ook buiten te horen was. Op de stencilmachine van de Christelijke Jonge Mannen Vereniging maakte hij een krantje met dorpsnieuws en reclame voor zijn vader: 'De spreeuwen roepen van de daken: Simons' brood is niet te genaken.' Op zijn zeventiende begon hij een jongerensociëteit in het dorpshuis. Visnetten aan het plafond, oliedrums als tafeltjes en op het podium een band en een paar kunstschilders in actie. Daar kwamen elke zaterdag, vanuit de hele omgeving, twee- tot driehonderd jongens en meisjes op af.

'Maar intussen zit je in zo'n dorp', zegt Johan. 'In het slechtste geval word je boerenknecht en in het beste geval boekhouder. Verder kenden wij niks. Je zit in dat patroon van zo'n dorp en je denkt: ik kom hier nooit uit. Dat is de hel.' De verlossing kwam toen het eerste televisietoestel in het dorp verscheen en de eigenaar het ding zo neerzette dat de rest van het dorp vanaf de dijk kon meegenieten.

Op een avond werd een gedanste versie van Peter Pan uitgezonden en Johan danste dat na. Een vriend van zijn oudere broer, die op een kantoor in Rotterdam werkte, zag dat en zei dat Johan eigenlijk naar de balletacademie zou moeten. 'Ik wist niet van het bestaan van ballet, niet van het bestaan van toneel en thuis zaten ze ook: een ballet academie? Waarop mijn vader zei: "O, je bedoelt zo'n school waar de jongens van die strakke maillootjes hebben en waar je de ballen dan van ziet, nooit van zijn leven gaat hij daar heen." Maar mijn moeder vond dat wel wat, zij zag het in mij zitten dat ik mij omhoog kon werken en dit was voor mij de mogelijkheid.'

Hij ging naar de Rotterdamse Dansacademie van Nel Roos. Voor een baan bij een klassiek balletgezelschap schoot zijn talent tekort en Nel Roos adviseerde hem om het eens bij een nachtclub in Parijs te proberen. Hij deed auditie bij het Casino de Paris, werd aangenomen, maar kon geen contract krijgen omdat er op straat nogal gevochten werd tussen politie en studenten. Heel Parijs lag lam en niemand wist wanneer het gewone nachtleven weer zou kunnen worden hervat. Dus ging hij in mei '68 maar maar weer terug naar Nederland en daar vond hij werk bij de musicals Sweet Charity en Hair. Na een paar jaar hield hij dat werk voor gezien en meldde zich bij de toneelschool in Maas tricht. 'Ik vond dat ik maar eens een echt vak moest gaan leren. Na het eerste jaar kreeg ik daar allemaal slechte beoordelingen, maar ik ging wel door naar het tweede jaar en ik vroeg aan een van de docenten hoe dat kon. Hij zei: het wordt nooit wat met jou als acteur, maar ik heb geobserveerd hoe jij keek en daarvan heb ik tegen de andere docenten gezegd: ik wil dat die jongen doorgaat omdat de manier waarop hij kijkt naar de dingen die gebeuren heel belangrijk is voor het toneel en dus moeten we hem houden, dat wordt misschien wel een goede regisseur.' Voor een baan bij Baal, het Werkteater of een van de andere spraakmakende gezelschappen, schoot zijn talent tekort toen hij met een diploma op zak Maastricht verliet.

Maar hij was welkom bij de Haagse Comedie, waar de legendarische acteur-regisseur Paul Steenbergen toen net de leiding had neergelegd. Johan bracht brieven op in komedies, stond als derde gladiator achterop het toneel in Shakespeares en gaf in zijn vrije tijd spellessen op een afkickboerderij. Dat inspireerde hem tot een voorstelling in de trant van het Werkteater en met wat collega's van de Haagse Comedie improviseerde hij Bravo! Heb je dat helemaal zelf gedaan? Steenber gen, voor wie Simons een diep respect had, kwam kijken. 'Ik kwam hem tegen', herinnert Johan zich, 'in een smalle gang die vanaf de kantine naar het toneel liep. Hij gaf met zijn wandelstok een tik tegen mijn poten. Echt hard. Kets! "Dit is niet goed", zei Steenbergen, "maar je moet wel doorgaan." Kets! "Je kan meer dan je denkt!" Kets! Ik kreeg echt een keihard pak op mijn flikker van hem.' De voorstelling werd ook buiten de deur gespeeld en zo belandde Johan in de Scheveningse gevangenis. Boefjes, die na het uitzitten van hun straf misschien niet meteen verder zouden gaan met hun volgende delict, zaten apart. Een van die jongens deelde zijn cel met duiven, die in en uit konden vliegen door het raam. Prachtig vond Johan dat, het was of het over hem ging. De Haagse Comedie, waar hij ooit misschien nog eens regie zou mogen doen, was ook een soort gevangenis, het was alsof hij weer zeventien was en hij dacht: 'Als ik hier nu blijf, kom ik er nooit meer uit. Van woede heb ik een keer de spiegels in een kleedkamer in elkaar geslagen.'

Hij stichtte het Wespetheater, dat opereerde vanuit het Witte Thea ter in IJmuiden. In navolging van het Werkteater speelde de groep voor verpleeghuizen en zo meer. Johan schreef na een bezoek aan zo'n instelling een scenario met situaties die dan al improviserend werden uitgewerkt. 'We werkten ons een slag in de rondte, hebben dat drie jaar volgehouden en toen is de boel uit elkaar gespat.' Bij de provincie Noord-Holland vond hij subsidie voor zijn volgende groep, het Re giotheater, dat in 1985 fuseerde met een andere regionale groep. Dat werd Hollandia, onder leiding van Johan Simons en slagwerker Paul Koek. Vanaf 1990 zat Hollandia bijna elk jaar in de selectie van het Theaterfestival en Simons kon zich de aanschaf veroorloven van een leegstaande school in Varik. Daar woont hij nu met de actrice Elsie de Brauw, hun twee zoontjes en een zwarte hond.

We lopen over de dijk en hij vertelt hoe hij de watersnood van 1953 meemaakte. 'Op de radio hoorde je 's avonds dat de dijken op barsten staan in Zeeland. Vervolgens slaat het over naar de Hoekse waard, vervolgens slaat het over naar IJsselmonde. Alle mannen gingen naar de dijk en de vrouwen kwamen met hun kinderen naar de bakkerij. De armen van mijn moeder voel ik nog om me heen. De andere dag zag ik uit het raam een grote waterzee waar normaal weiland was. Met dingen die er in dreven - paarden, koeien... Ik vond het niet gruwelijk, ik vond het ongelooflijk dat er dus echt iets boven ons is, de natuur, die vele malen sterker en machtiger is dan wij. Dat heb ik hier eigenlijk nog steeds. Je loopt de dijk op en dan kijk je de uiterwaarden in en naar een rivier waar schepen heen en weer gaan. Het gevoel dat je daar deel van uitmaakt, nee, dat het niks uitmaakt dat jij daar staat. Het besef dat die hemel, die rivier en die 24-uurs economie in één beeld samenkomen. Dat je moet accepteren dat je er helemaal niet toe doet en dat wat je maakt gewoon langs komt, je hebt het gegrepen, klaar. Ik vind het lekker om die dijk op te lopen.'

Het klooster. In Zaandam het station uit, recht door het winkelcentrum, een brug over en dan links af, zo kom je bij het voormalige nonnenklooster waar Hollandia zat. Vanavond wordt er afscheid van genomen. We lopen het nu bijna lege gebouw door, maar de oude kamer van Johan zit niet in de rondleiding.

'Ik had geen eigen kamer', zegt hij, 'en die komt er ook niet in Eind hoven. Nee, zeg, de grote baas die in een kamer zit achter een met rood leer ingelegd bureau? Welnee, die loopt gewoon rond in dat gebouw en die kun je aanspreken. Ik vind het heel erg zaak dat mensen die daar werken nauw contact met mij kunnen hebben en het gevoel hebben dat ze zelf ook initiatieven kunnen ontplooien.'

Paul Koek heeft ook geen eigen kamer en ik vraag Johan hoe het zit tussen hem en Paul. 'Het is', zegt Johan, 'een hele ingewikkelde verhouding tussen hem en mij. Het is absoluut niet alleen maar vrienden. Hij zit in de directie, maar ik doe toch echt waar ik zelf zin in heb. Het is niet helemaal thuis te brengen wat wij doen. Paul is ongedisciplineerd en wat hij doet voor het gezelschap is niet echt te vatten. Ik denk dat het zonder hem een gladder gezelschap zou zijn. Paul heeft een heel bizondere fantasie. Die houdt mij los, al ben ik het met zijn ideeën lang niet altijd eens. Maar wat zou Hollandia zijn zonder Paul? Als ik nu bijvoorbeeld de première heb van Woyzeck kan dat een mislukking zijn, maar na afloop ga je naar beneden en dan krijg je ineens een totaal andere situatie dan je gewend was bij Het Zuidelijk Toneel. Dan staat daar een goede band te spelen en dat zijn wel Paul en zijn familie die daar ineens staan. Als de voorstelling is mislukt, zullen we het publiek toch weten te onthalen op goed slagwerk. Dat is Paul. Hij heeft ook bedacht dat we Gust in een kas moesten spelen.'

We lopen door het gebouw waar veel gedenkwaardige voorstellingen zijn ontstaan. Iedereen is er vanavond. De dames en heren van kantoor, de mannen van de techniek, Rollo de kok, Leo de decorontwerper en ook de mensen van wie het publiek de gezichten kent: Carola Arons, Jacqueline Blom, Elsie de Brauw, Fedja van Huët, Henriëtte Koch, Bert Luppes, Peter Paul Muller, Frieda Pittoors, Betty Schuurman, Benjamin Verdonck en Jeroen Willems.

'Dat vind ik het echte succes', zegt Johan, 'dat ik zulke mensen om me heen heb. Ik geloof dat Bert hier al veertien jaar zit, Jeroen zit er dertien jaar bij en Betty kwam een jaar later. Mensen blijven heel lang en van mij mogen ze blijven tot ik 75 ben. Vind ik helemaal geen punt en zij ook niet meer volgens mij. Zoals Jeroen dan zegt: ach ja, wat zou ik nog gaan zitten denken, zou ik daar gaan werken of daar gaan werken, nou ja, dat kan ik soms wel eens doen, maar ik weet het toch al: wij worden gewoon samen oud. Dat kan niet anders, zo gaat het gewoon en dat vind ik geweldig. Ik hou gewoon erg veel van de acteurs van Hollandia en dat is meer dan alleen maar een relatie die bestaat uit een mooie rol spelen, ik hou echt van die mensen. Ik zou nu een uur kunnen praten over Jeroen, ik kan een uur lang gaan praten over Frieda, ik kan een uur lang gaan praten over Bert, wat ik daar heel bijzonder aan vind, ik hou echt diep van die mensen. Het is natuurlijk een beetje een familie en ik hou ook van de vaderrol. Ze vinden het leuk om met mij te repeteren, nou ja, niet altijd, ik kan ook vervelend zijn, maar je kan vaak erg met me lachen.'

In de vroegere kapel van het klooster maakt de band Zero zich intussen gereed voor een optreden. Frontman van het trio, dat bestaat uit jongens in de lagereschoolleeftijd, is Warre Simons, de oudste zoon van Johan en Elsie. Hun tweede zoontje, Willem, probeert intussen even het drumstel onder leiding van het vaste drummertje van Zero. Willem stond model voor het naar hem genoemde personage in de Hollandia-voorstelling Willem en Lena. Lena was geënt op de dochter van Bert Luppes, die Willem speelde. Frieda Pittoors speelde Lena. Ik sta met haar in de kapel en ze zegt: 'Hier hebben we vaak gerepeteerd en op maandag was het altijd zo koud, dan duurde het lang voor de verwarming op gang kwam.'

Een voorstelling die zich ook heeft vastgehaakt in mijn geheugen was Ongebluste kalk, waarin Fedja van Huët de gedoemde held Marinus van der Lubbe speelde. Vanavond is Fedja op een monitor te zien als Rinus, terwijl hij naast me staat met een glas rode wijn in zijn hand. Ik vraag hem hoe Johan regisseert. Fedja denkt even na en zegt dan: 'Johan zegt altijd: het beste idee telt.'

Zelf zegt Johan daar dit over: 'Wat vaak gebeurt, en daar lijdt iedereen aan, is dat je op het toneel een tunnel in gaat en een aantal gedachten uitsluit bij het spelen. Ik weet nog heel goed dat ik bij de Haagse Comedie zat en bepaalde dingen op het toneel niet mocht denken, dat mensen zeiden: dat heeft helemaal niets met die rol te maken. Maar ik hou van spelers die denken: dit was helemaal niks wat ik nu deed, dit was echt verschrikkelijk, ik schaam me dood, Jezus, hoe kom ik hier ooit uit, de volgende zin zal het me lukken, de volgende zin zeg ik beter en dan denken: shit, weer niet goed, misschien komt er vanavond nog een zin die ik wel goed zeg. Onze acteurs laten die gedachten toe, dus die dealen met hun angst, dat is wat ze doen en dat is volgens mij alleen maar beschoren aan hele grote acteurs. Die reflecteren ter plekke over wat ze aan doen zijn. In een hele goede voorstelling, wat uitzonderlijk is, zit de reflectie van de acteurs. Ze zijn voortdurend bezig met: heb ik dit goed gezegd, wat heb ik net gedaan, wat zit die nou te kijken naar mij, god, die is er vandaag niet in, oké, laat ik het nog eens proberen, ik ga nu iets totaal anders doen, kijken wat er gebeurt. Die zijn voortdurend met dat hier en nu bezig en dan moet je eigenlijk elke gedachte die in je opkomt de vrije loop laten, elke impuls volgen. Het is een beetje als jazz, dan heb je wel bepaalde schema's maar het mooiste is als mensen ineens hun fantasie de vrije loop laten. Ik luister op repetities graag naar hoe ze praten over wat ze net gedaan hebben en hoe ze het de volgende keer zouden willen doen. Dan zie je ineens de rol, omdat dan alle gedachtes toegelaten worden die met die rol te maken hebben.'

Zo gaat hij straks door met Zuidelijk Toneel Hollandia. Toen hem gevraagd werd om in Eindhoven de leiding over te nemen, wilde hij dat alleen doen op voorwaarde dat hij zijn hele ploeg mee kon nemen. De meesten gaan ook mee, alleen Peter Paul Muller wil niet. Daarom gaat Johan op vakantie naar Schotland met PP, misschien valt hij nog te bepraten, maar ook omdat Johan hem een aardige jongen vindt die hij graag om zich heen heeft.

Wie is Johan Simons? Ik vraag het aan Paul Koek. 'Ik geef je twee quotes van Johan', zegt hij. 'De eerste is: "Je kan denken, maar je kan ook verrot denken." De tweede is: "Dat ik iets beloof wil nog niet zeggen dat ik het ook doe."'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden