Joe Frazier, de stier die met z'n linkse hoek Ali velde

Hij was de spiegel in wie de ware held van zijn tijd, Mohammed Ali, kon glimmen. Toch was bokser Joe Frazier, die maandag aan kanker overleed, ook de aangever zonder wie Ali geen act had gehad.

In bokser Joe Frazier, die maandag op de leeftijd van 67 jaar overleed aan de gevolgen van leverkanker, is een tragisch figuur uit de sportgeschiedenis heengegaan. Frazier was bij leven en welzijn slechts een tegenspeler. Hij was de spiegel in wie de ware held van zijn tijd, Mohammed Ali, des te harder kon glimmen.

Sport vaart wel bij rivaliteit. Zonder Ajax geen Feyenoord, zonder Federer geen Nadal. Maar met de twee grootste boksers uit de meest glorierijke periode van hun sport lag het anders. Hun rolverdeling was als een klassieke clownsact, die tussen de komiek en de aangever. Zonder Bassie geen Adriaan, zonder Muhammad Ali geen Joe Frazier.

Net zoals Stan Laurel (de dunne) en Oliver Hardy (de dikke) hadden die twee niets met elkaar gemeen. Mohammed Ali was groot en charmant. Hij tartte het gezag op een humoristische manier en deed dat in een periode, op het breukvlak van de jaren zestig en zeventig, toen het gezag zich ook gemakkelijk liet tarten. Ali had de gave van het woord. Daarmee werd hij de vaandeldrager van een opstandige generatie.

Ook in zijn manier van boksen was Ali anders dan anderen, beweeglijk en uitdagend. Joe Frazier was het klassieke geval van de niets en niemand ontziende stier. De ring was ook de enige plek waar hij zich deed gelden. Hij kon niet tippen aan het charisma van Mohammed Ali en wilde dat ook niet eens. Joe Frazier werd de aangever tegen wil en dank.

Frazier werd in 1944 geboren op een boerderij in een gezin met dertien kinderen. Opgejaagd door een reusachtig varken kwam hij als kind een keer ten val en brak zijn linkerarm. Joe Frazier kon die arm daarna nooit meer fatsoenlijk strekken, maar dankzij de onnatuurlijke hoek kon hij er wel ongenadig hard mee slaan.

Smokin' Joe luidde zijn bijnaam, hem gegeven door zijn trainer Yank Durham. Voor het betreden van de arena zei Durham tegen Frazier dat hij er ongenadig hard tegenaan moest gaan, zodanig dat er rook uit zijn handschoenen zou opstijgen.

Zo'n bokser zou Joe Frazier ook worden. Op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio won hij goud voor de Verenigde Staten. Mohammed Ali, toen nog Cassius Clay geheten, was hem daarin vier jaar eerder in Rome voorgegaan.

In 1965 trad Joe Frazier toe tot de rijen van de professionals. Een aaneengesloten reeks van negentien zeges zou hem als uitdager tegenover wereldkampioen Mohammed Ali hebben geplaatst, maar die moest op dat moment zijn titel inleveren. Ali had geweigerd als soldaat de Amerikaanse belangen te dienen in de Vietnamese oorlog, een daad die zijn status overigens zeer ten goede zou komen.

Met de achtereenvolgende overwinningen op Buster Mathis en Jimmy Ellis veroverde Joe Frazier twee concurrerende wereldtitels, en vervolgens waren de rollen omgedraaid.

In 1971 moest hij als kampioen de titel verdedigen tegen zijn grote tegenspeler, wiens schorsing ten einde was. Het werd aangekondigd als The Fight of the Century.

Voor het eerst stonden twee ongeslagen boksers tegenover elkaar in een strijd om het wereldkampioenschap. Meer dan dat was het een gevecht tussen twee stijlen, tussen twee werelden. Non-conformist Ali pookte het vuur op door Joe Frazier neer te zetten als een vertegenwoordiger van de zwijgende meerderheid en anders wel van het establishment. Beide begrippen golden destijds als uiterst bedenkelijk en daarom groeide het gevecht uit tot het snapshot van een tijdsgewricht.

Alles wat spraakmakend was in de Verenigde Staten bemoeide zich inmiddels met boksen en koos de zijde van Ali. Toch had schrijver Norman Mailer toen al oog voor de arme Joe Frazier die ongewild naar voren werd geschoven als representant van blanke superioriteit. 'Frazier was nota bene twee keer zo zwart als Ali, maar half zo aantrekkelijk.'

Ook meetkundig was Joe Frazier de mindere, maar tot veler verrassing was hij in die bokspartij superieur. Frazier gunde Ali geen ruimte voor zijn ontwijkende shuffles en in de vierde ronde ging Mohammed Ali gestrekt dankzij Fraziers beroemde linkse hoek. De man die zichzelf een vlinder en een bij had genoemd, was geveld door een stier. Unaniem wees de jury Joe Frazier als winnaar aan.

In 1973 nam George Foreman, die andere grote figuur uit het boksen van destijds, de titel over van Frazier. Toen Ali een jaar later voor de tweede keer zijn opponent was, stond er dus niets anders op het spel dan eer en geld. Mohammed Ali won.

Hun laatste en meest bloedige confrontatie werd in 1975 uitgevochten op de Filipijnen en is de boeken ingegaan als de Thrilla in Manilla. Nu verscheen Ali in de ring als wereldkampioen en had Frazier de rol van uitdager. De twee antagonisten dreven elkaar tot het uiterste in een gevecht dat door het management van Joe Frazier voortijdig werd beëindigd. De verliezer was op dat moment al bijna blind aan één oog en de winnaar verklaarde na afloop dat hij de dood in de ogen had gekeken.

Het zou nog meer dan een kwart eeuw duren voordat de strijdbijl definitief werd begraven. In 2001 zei Mohammed Ali dat hij spijt had van de manier waarop hij Joe Frazier in het heetst van de strijd had bejegend.

De excuses werden aanvaard, maar een paar jaar later wilde Joe Frazier in een interview met The New York Times nog wel één ding vaststellen: 'Ali zei altijd dat ik niets waard was geweest zonder hem. Maar het omgekeerde is misschien ook wel waar. Wat was hij geweest zonder mij?'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden