Joden kunnen wel tegen een stootje, zullen ze bij de NPO gedacht hebben

Max Pam keek naar het televisieprogramma Oh, mijn hemel

Foto de Volkskrant

Door het televisieprogramma Oh, mijn hemel dat door de publieke omroep wordt uitgezonden, realiseerde ik mij ineens weer dat ik in Nederland woon. De ondertitel luidt 'een vrolijke snelcursus religie' en inderdaad: grote goden, wat een ongein! Er zat ingeblikt gelach onder om ons te waarschuwen dat wij echt mochten lachen en wanneer wij dat moesten doen. In Nederland heeft nu eenmaal alles de vorm van cabaret. Je begrijpt gewoon niet dat zo'n prachtacteur als Pierre Bokma zich leent voor deze seniele flauwekul.

De eerste uitzending ging over het jodendom. Joden hebben gevoel voor humor, die kunnen wel tegen een stootje, zullen ze bij de NPO gedacht hebben. Dus hadden ze alle acteurs als Joden gegrimeerd met baarden en met donker krulletjeshaar. Alleen een grote neus hadden ze niet aangedurfd. Het begon al meteen met een ongerijmde vraag: 'Wat gelooft een Jood?'

Tsja. Ik geloof niet dat een Jood aan een andere Jood ooit de vraag zal stellen wat hij gelooft. Een ware rabbijn, die gezegend is met wijsheid en verstand, zal ook nooit vragen: 'Geloof jij in God?' De eerste vraag van zo'n rabbijn zal zijn 'ben jij joods?', want in de afstamming - het verbond - ligt natuurlijk de kern van het jodendom.

Daar hadden ze bij Oh, mijn hemel weinig kaas van gegeten. Na deze introductie kregen wij een aantal sketches voorgeschoteld, waarin op kleuterniveau verhalen uit het Oude Testament werden nagespeeld. De wijze waarop de Akedah - het verhaal waarin Abraham zijn zoon Isaak moet offeren - werd uitgebeeld, leek mij een remedie tegen elk godsbesef. Misschien niet de bedoeling, maar het moet nu eenmaal om te lachen zijn en dan gaat er wel-eens iets mis.

Ik verheug me nu al op de afleveringen over de islam, die over een paar weken op het programma staan. The Life of Brian zal het niet worden, want - zo las ik - de profeet Mohammed zal niet worden afgebeeld. Het moet wel beschaafde humor blijven die niemand kwetsen mag. Voor de Joden gold dat soort zelfcensuur natuurlijk niet, hoewel men de naam van Jaweh eigenlijk niet mag uitspreken. De God van de Joden is in het programma een man met een witte baard, die in de wolken woont. En dan maken die luitjes van de multiculturele samenleving bezwaar tegen Zwarte Piet in het Jeugdjournaal!

Ik ben ervoor dat de God van de Joden de volgende keer verschijnt in een groene jurk met een theemuts of fluitketel op zijn kop en in het uitgemergelde lijf van Dolf Jansen. Dat is een karikatuur, die heus niet verder verwijderd is van de waarheid.

And now for something completely different.

In de Volkskrant las ik er weinig over, maar afgelopen zondag is Salvador Bloemgarten (1924-2017) overleden. Een man klein van postuur, maar een groot historicus. Hij woonde bij mij om de hoek. Op zijn 93ste liep hij nog de trappen op en af, en kuierde hij met zijn even bejaarde vrouw door de buurt.

Als ik een wandelende Jood zou moeten uittekenen, zou hij er zo uitzien. Soms dronken wij een borrel in het buurtcafé. Er is geen historicus, die het verloren Joodse leven in Nederland zo intens heeft beschreven als Salvador Bloemgarten. Eigenlijk vreemd dat hij nooit in aanmerking is gekomen voor de P.C. Hooftprijs, maar zo gaat dat in ons land waar het Jodendom al lang niet meer populair en sexy is. Het is vooral iets voor mensen die er niet meer zijn, of voor strompelende ouderen die het nog hebben overleefd.

Toen Bloemgarten jaren geleden zijn proefschrift had voltooid over de vakbondsman Henri Polak werd ik bij hem geroepen. Hij bezat een enorm archief en het leek alsof de muren alleen uit boeken bestonden, niet zo vreemd want zijn vrouw dreef aan huis ook nog een antiquariaat.

Hij gaf mij een heel dossier over mijn grootvader, dat hij in de loop der jaren bijeen had gebracht, compleet met de redevoeringen die mijn opa voor arbeiders en ander publiek had uitgesproken. Hij wist meer over mijn familie dan ikzelf. Dat is misschien nog het ergste van de dood: dat geheugens ineens zijn uitgedoofd en verdwenen.

Over de gebroeders Gerard en Karel van het Reve kon hij aanstekelijk vertellen, want hij had met hen op het Vossius gezeten. En over de familie Meijer natuurlijk, waarvan zoon Ischa de boel op stelten zette.


Anders dan Ischa sprak Bloemgarten altijd met zachte stem, alsof hij zijn aanwezigheid niet aan de buren mocht verraden. Een man met een aangeplakte baard op een wolk zal hem niet ontvangen, maar hier op aarde zal hij worden gemist.

Meer over