Jeanne Prisser

Jeanne Prisser bericht over wat zich afspeelt in de voorhoede van de beeldende kunst. Deze week: de Venus van Willendorf met een stofzuiger en opblaaskunst om lek te prikken.

Amsterdam, 5 april

Nog even over kunst-clichés en dan in het bijzonder werk dat 'morrelt aan de grens tussen hoge en lage kunst'. In feite is dat onderscheid natuurlijk één grote grap. Kunst is goed of slecht, knap of onbenullig, eenvoudig of complex, origineel of clichématig, maar met hoog en laag heeft dat allemaal niets te maken. Dát is een differentie aangebracht door mensen, waarschijnlijk de hoge, om zich te onderscheiden van anderen, de lage, alsmede door handelaren om veel te verdienen aan objecten die op grond van productiekosten en/of schaarste niet per se veel waard zijn.


Nee, ik laat Pierre Bourdieu er buiten.


Ryan McGinness is een Amerikaanse kunstenaar, opgegroeid in Virginia en woonachtig in New York, die recentelijk van Amsterdamse galerie veranderde en wel van Vous Etes Ici in Noord, naar Ron Mandos aan de chique Prinsengracht. Ooit liep hij stage bij het Warhol Museum, Pittsburgh en iets van Andy's ondernemersgeest bleef hangen. Hij ontwierp T-shirts, bill-boards en interieurs, maar zijn core-business bestaat uit autonome kunst.


Jeugdige kunst - als tiener ontwierp McGinness zijn eigen T-shirts en skateboards (omdat hij de populaire merken niet kon betalen, wat me voor hem inneemt) en eigenlijk lijken zijn zeefdrukken nog altijd toegesneden op de smaak van adolescenten. Ze zijn druk, felgekleurd en smetteloos, een kakofonie van schijnbaar willekeurige, maar in werkelijkheid minutieus uitgebalanceerde, want met de computer opgebouwde vormen, sjablonen, logo's en figuurtjes. Neo-Geo heette dat in de jaren tachtig, meen ik; mijn 17-jarige neefje heeft vergelijkbare prints op zijn T-shirt. Er wordt hitsig geciteerd. De werken bevatten opzichtige quotes van oude, gecanoniseerde meesters. Ik noem, zo uit het hoofd, die schaatsende vogel van Jeroen Bosch of de Venus van Willendorf, hier tamelijk flauw gecombineerd met een stofzuiger. Dat is dus dat morrelen aan de grens tussen hoge en lage kunst.


Bij Mandos hangen er zo'n veertig, mooi en zorgvuldig als altijd. Voorin: site-specific stukken, achterin: prints op papier, en in de verduisterde ruimte daartussen het klapstuk: een handvol werken met fluorescerende verf op vinyl in black-light. Het woord decoratief kwam in me op. McGinness maakt decoratieve kunst. Het hangt in een galerie, maar leent zich voor meer; ter opleuking van een smartshop of de chill-outruimte op een dancefestival; op de schouder van de oudere jongere op datzelfde festival, waar het de klassieke tribal, dat vervloekte restant uit de vroege jaren nul, heeft uitgebreid tot een buitenissiger creatuur. De werken missen diepte en reliëf en vervelen, vermoed ik, snel. Maar voor de rest zijn het best mooie dingen.


Vijfhuizen, 6 april

Ooit, we schrijven de morsige jaren zeventig, bezat ik bij vergissing een opblaasfauteuil. Die bleek bijzonder (en uitsluitend) nuttig bij vervelend bezoek. Wie er in neerzeeg, zat voor de rest van de avond vastgeplakt en rook daarna in de kruiszone nog een week naar pvc.


Iets wat opgeblazen is, is nooit serieus bedoeld. Het is ironie. Het zegt: ik besta wel, maar alleen als een verwijzing naar iets echts - neem mij vooral niet te letterlijk. De opblaasarchitectuur uit de seventies; de opblaas-schreeuw van Munch; opblaasminnaressen; de opblaasuitwerpselen van Paul Mc Carthy en zeker zijn 'inflatable balloon dog' (de opblaasversie van Jeff Koons' Balloon Dog) die vorig jaar koddig en wiebelend in Londen stond - dat is ironie óver ironie en wie hier nog de weg in weet, mag het zeggen.


Enigszins op mijn hoede toog ik dus naar Kunstfort bij Vijfhuizen, dat door de kunstenaars Robert Roelink en Bert Kramer gevuld was met opblaasbare luchtkunstwerken. De zon scheen, scharrige kinderen van artistieke ouders darden rond, de generatoren zoemden en de kunst stond zachtjes te schudden en te trillen; alles beantwoordde aan het beeld van zomerse binnen- en buitenkunst, bedoeld om de jeugd met succes van hun iPad los te rukken.


En, verrassend: geen ironie. Vooral Robert Roelink was, met zijn ontelbare keren opgelapte en verstelde plastic-constructies, met iets anders bezig. Global warming, de plasticsoep, verspilling, koopzucht: op de tekstbordjes las ik één en al bezorgdheid en zo zagen de sculpturen er ook uit: bezorgd. Veelal gemaakt van gerecycled en opgelapt plastic. Zoals een baarmoederlijke constructie waar je in kon kruipen, met vertakkingen en kamers, geheel in elkaar geplakt van boodschappentassen en vuilniszakken. Het ding was overtuigend lélijk, de tekst erbij was stichtelijk en toch raakte Roelink een snaar. De schuldbewuste-, de tasje-erbij?-snaar. De snaar die Claes Oldenburg ook al raakte toen hij zijn uitvergrote, slappe consumptieartikelen maakte die eruitzagen als leeggelopen opblaaskunst en waarvan we óók al niks geleerd hadden.


En ja hoor, op dat moment zag ik het uitvergrote, leeggelopen spiegelei van plastic dat Roelink in de fortgracht liet drijven. Daar moest ik dan weer vreselijk om lachen en zo is het met opblaaskunst: zelfs als het serieus wordt, levert de maker er de speld in figuurlijke zin al bij.


INFO:

Ryan McGinness,

'Art History is not lineair (Boijmans)', Galerie Vous etes ici, Amsterdam, t/m 10/5


Ryan McGinness,

Everything is everywhere, Galerie Ron Mandos, Amsterdam, t/m 10/5


Blow Up!

Robert Roelink en Bert Kramer. Kunstfort bij Vijfhuizen, t/m 22/6

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden