JEANNE PRISSER

Opzienbarende performances, kleinschalige projecten, nieuwe boeken, verrassende galerietentoonstellingen, spraakmakende lezingen en debatten - wekelijks bericht Jeanne Prisser over wat zich afspeelt in de voorhoede van de kunstwereld.

Mijn eerste museumliefde was een mummie. Die overkwam me eeuwen geleden in het Tropenmuseum in Amsterdam. Ik liep onbeschaamd te gapen toen ik een in bandages gewikkelde figuur zag. Bij gebrek aan tekstbordjes - toen geen gangbare aanwezigheid, en waren ze er wel geweest: ik had ze zeker genegeerd - ging mijn fantasie met me aan de haal.


Mummie's waren oud. Ze woonden in grafkamers en soms in bomen. Ze waren bevriend met de vogels, die ze informatie influisterden, maar, en dit was merkwaardig, ook met de katten. Ze hadden een koningin - ik. Tegen m'n moeder zei ik die avond: ik ben moe. Ik ga naar m'n tombe.


Ik moest denken aan die mummie (was het er één? Twee? Was het wel in het Tropenmuseum?) toen ik de Wonderkamers van het Gemeentemuseum Den Haag bezocht. Deze Wonderkamers zijn een museum in een museum voor kinderen (van 10 tot 18) in de kelders van het gebouw. Ze gaan over kunst, vormgeving , mode en architectuur; onlangs werd een vernieuwde, meer interactieve versie geopend.


Nu ga ik hier m'n vingers niet branden aan uitspraken over de aandachtspanne van jongeren, maar de kans dat kinderen in de Wonderkamers lopen te gapen, lijkt me miniem; hier wordt werkelijk alles in het werk gesteld om ze bij de les te houden.


Ze moeten lopen, zoeken, tekenen, een tafel dekken, dansen op de boogiewoogie en poseren op een catwalk met bezeten flitsende camera's. Doen ze dat goed, dan verdienen ze punten waarmee ze kunst kunnen verzamelen voor hun virtuele museum. Dat bevindt zich in het midden van de Wonderkamers. En passant steken ze iets op over 17de-eeuws zilverwerk of abstracte kunst, soms, misschien.


Naar verluidt is het een succes. Voor het eerst hebben ouders moeite om hun kinderen het museum uít te krijgen.


Daar kon ik inkomen. De Wonderkamers appelleren geheel aan de belevingswereld van het kind. Hierbij denk ik aan de introductiefilm waarin Benno Tempel, de dekselse museum-directeur, in al even dekselse bewoordingen de regels van het spel uitlegt - 'Kun jij de Wonderkamers aan?! Let's go!!' - maar ook aan de striptypografie, aan de als dansvloer, atelier of eetzaal ingerichte kamers, aan de witte tablets die je de weg wijzen en/of als dienblad fungeren. Het is heel speels allemaal, heel vrolijk en tegelijk strak geregisseerd. De Wonderkamers verhouden zich tot traditioneel museumbezoek, als een toneeldialoog tot ongedwongen kletsen op de hoek van het schoolplein.


Ik speelde het spel samen met een meegenomen vriendin. Het was leuk en, eerlijk gezegd, best moeilijk. Probeer een virtuele Mondriaancompositie te maken - je verliest geheid je geduld. Probeer als dame van een zekere leeftijd in Madonna-punt-bh te poseren op de catwalk - je verliest geheid je waardigheid. Het waren kortom fijne lesjes in nederigheid daar in Den Haag, en na een uur spelen en met twee schamele punten op zak - niet genoeg voor een René Daniëls in het virtuele museum - dienden zich vragen aan over de effectiviteit van het project - was dit nu wél of níét de manier om kinderen vertrouwd te maken met kunst?


Ik twijfelde. Zeker, het ziet er prachtig uit allemaal, het is het nieuwste van het nieuwste, alles met liefde gemaakt en slim vormgegeven, en ja, dat Magische Midden met zijn miniatuur kunstwerken uit de collectie van Ria en Lex Daniëls is een bezienswaardigheid op zich, maar toch lijkt er óók iets verloren te gaan. Noem het mysterie, noem het geheimzinnigheid, het raadsel van de grote mensenwereld. De mogelijkheid om van de voorgekauwde paden te wijken ook. De vrijheid om als kind een eind weg te associëren en te fantaseren. Over die malle Mondriaan met zijn schilderijen bijvoorbeeld. Of over mummies in bomen.


Galeriehouder Ron Mandos heeft een mooi woord voor het soort werk dat hij verkoopt: jongetjeskunst. Jongetjeskunst is kunst die eruit ziet alsof ze door een uiterst begaafd jongetje op zolder op woensdagmiddag in elkaar is gezet.


Voor de goede orde: het verkleinwoord is aanmoedigend, niet badinerend.


Maurice van Tellingen, bijvoorbeeld. Hij beoefent een genre dat hier bekend is gemaakt door Hans op de Beeck en Edwin Zwakman: het geënsceneerde stadslandschap: schaalmodellen van flatgevels, stoepen, snelwegen, het interieur van een wasserette. Ze zijn gemaakt van glas, metaal, alkydverf et cetera. Sommige hangen aan de muur.


Ik vind ze erg goed. Ze zitten vol mooie details: een put, een visgraat van klinkers, een plukje onkruid dat tussen de tegels doorpiept als het laatste haar boven de oren van een oude vent. Minder dan gemaakte dingen kijk ik ernaar als stukjes uitgeknipte, en getransplanteerde realiteit die je vrij laten associëren. Die put, bijvoorbeeld, daar kan ieder moment een tennisbal in rollen, en die flatgevel, daar gaat een wereld achter schuil. Een wereld van vereenzamende bejaarden. Én knutselende jongetjes.


v INFO


Wonderkamers, Gemeentemuseum Den Haag, doorlopend; gemeentemuseum.nl


Maurice van Tellingen, Heimlich, Galerie Ron Mandos, Amsterdam, t/m 4/1, ronmandos.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden