Jeanne Prisser zwaait af...

Jeanne Prisser zwaait af als correspondent in de voorhoede van de kunst. Liefst vier kunstcollega's volgen haar op. Bij wijze van afscheid geeft ze hun de belangrijkste lessen mee die ze zelf heeft geleerd.

Beeld Claudie de Cleen

Een afscheid dat voor eeuwig is, moet plotseling zijn, zei Lord Byron. Na drieënhalf jaar wekelijks verslag doen uit de voorhoede van de kunst word ik per vandaag vervangen door vier kunstcollega's - viér - die u eens per twee weken - twéé - op de hoogte brengen van prille kunstuitingen. Ik maak plaats, maar niet dan nadat ik die collega's en vooruit, alle aspirant-kunstschrijvers, van advies dien - iets met ervaring en overdracht en achteruitpratend de deur uit gewerkt worden. Mijn dank gaat uit naar de kunstenaars wier werk ik zag, de lezers die mij lazen. En naar mijn hond Newton, de meest kunstminnende hond van Nederland. Zijn kop rust op mijn voeten terwijl ik dit schrijf. Après nous le déluge.

1. Mijd Amsterdam

Een kleine steekproef tijdens het voorbije Amsterdam Art Weekend onder wachtenden in de rij voor een OV- fiets en bij de tramhaltes: 95 procent kunstvolk. Het front van de hedendaagse kunst, concludeer ik hieruit, ligt in de hoofdstad. Nu is het aardige van ons bereisbare prutslandje: de frontlinies lopen ook van Den Helder tot Zwolle en van Groningen tot Vlissingen. Ik reisde de afgelopen drie jaar wat af, maar naar mijn smaak nog niet genoeg. Soms zoog de hoofdstad (wéér een nieuw initiatief, vanavond die performance) aan mij als waddenklei. Dus installeer de BanAmsterdam-app, die stroomstoten geeft binnen de Ring A10, op uw telefoon en dwing uzelf naar buiten. Daar gebeurt het óók. En fietsen: plenty.

2. Lees niet, kijk

Elke keer als ik op een beurs of een vernissage rondloop, valt het me weer op: mijn collega's zijn meer lezers dan kijkers. Voordat ze het object van hun interesse ook maar een blik waardig hebben gegund, hebben ze de tekstuele begeleiding al grondig bestudeerd. Hoe armzalig, hoe fantasieloos! Het kunstwerk dient te worden benaderd als een levend object van begeerte, geconcentreerd doch zonder ingevulde verwachtingen. Wat niet wil zeggen dat u uw andere zintuigen niet gebruikt. Ook uw neus en uw oren en uw vingers (check wel even de positie van de bewakingscamera's) leveren onschatbaar veel informatie en indrukken. Tekstuele informatie kunt u achteraf altijd nog achterhalen. Aan de wand. Op internet.

3. Durf vijanden te maken

Misschien wel mijn belangrijkste, gelijk ook het moeilijkst na te leven gebod. Winston Churchill meende dat je niet had geleefd wanneer je rond je 35ste niet een kamer gevuld met vijanden had verzameld. Hij stond daarin alleen. De meeste mensen, critici incluis, hebben een diep verlangen geliefd te worden. Negeer dat verlangen, het is de nagel aan uw professionele doodskist. U bent er niet om kunstenaars en galeriehouders tevreden te stellen. U bent er om voor de lezer reputaties tegen het licht te houden en om het artistieke kaf van het koren te scheiden. Dat het kaf u dat niet in dank afneemt, ja, dat het u zelfs zal haten: het zij zo. Koude schouders die u worden toegekeerd horen bij dit vak. Koester zulke schouders.

Beeld Claudie de Cleen

4. Durf vrienden te maken

U kunt natuurlijk ongezien wegglippen en met wasproppen in uw oren in een hoekje uw stukje gaan tikken. Zonde. Ziet u een kunstenaar, spreek die aan. Komt een galerist op u af, schud de uitgestoken hand (mijd zoenen). Achtervolgt een curator u, luister. Nieuwsgierigheid is uw brandstof (zie 7) en contact is een mooie manier om kennis te vergaren. Accepteer ook dat dat contact, soms zelfs vriendschap, stopt bij een kritisch woord (zie 3) want nergens zijn de tenen langer dan in de kunstwereld. Er zijn wel een paar grenzen, persoonlijk legde ik die bij het gezamenlijk nuttigen van meer dan drie eenheden alcohol en het verwijderen van kledingstukken; daar voorbij gaat de laptop dicht.

5. Ontplooi nevenactiviteiten

Metaalmoeheid is één sluipmoordenaar voor de recensent. Het aap-in-de-palmboomsyndroom een andere. Die laatste kwaal zie je vooral bij critici van een zekere leeftijd (zie 7). Ze voelen zich ver boven hun onderwerp verheven. Hoog en droog vanuit hun boomkruin smijten ze hun theoretisch doortimmerde kokosnoten naar het artistieke voetvolk in de diepte. Er is een beproefd antidotum tegen dergelijke pedanterie: ga zelf aan de slag. Maak een schilderij, hanteer de camera, stel een expositie samen. Het eindresultaat hoeft niet verkoopbaar te zijn en u hoeft geen toegang te heffen; wat mij betreft gooit u het werkje na afloop in de prullenbak of beperkt u uw publiek tot uw huisgenoten. Waar het om draait, is dat u door te doen meer inzicht krijgt in het metier waarover u schrijft.

6. Schud uw schrijven op.

Als u niet van taal houdt, had u beter een ander vak kunnen kiezen. Opdat de teksten over kunst leesbaarder worden, meer lucht krijgen (kom op, het zijn de beurskoersen niet) en de lezer zin geven in kunst, dient u eerst uw eigen schrijven grondig op te schudden. Curators/educatiemedewerkers/ cataloguspenners, leest u even mee? Vervang elk anglicisme eens door een germanisme, een gallicisme of een ander -isme, u bent niet van de straat tenslotte. Zet nooit een punt waar u ook een komma had kunnen zetten en omgekeerd. Wees gevat maar herken grapdwang; wees teer zonder schaamte. Zoek de rode draad of beter nog de yellow brick road in uw tekst. En werk aan de bijvoeglijke naamwoorden: niet 'gelaagd' maar 'van filodeeg', niet 'abject' maar 'kokhalsneigingenopwekkend', enfin, u snapt het.

Beeld Claudie de Cleen

7. Word oud (maar blijf jong)

Dode schrijvers schrijven niet, dat is bekend. En u kunt maar het best stokoud worden; het recensentenvak is an old men's (en women's) game. Anders dan in de sport of de modewereld piekt men er voorbij de middelbare leeftijd. Lees/kijk naar de Brit Adrian Searle, bouwjaar 1953: altijd fris. De sprong van ontdekken naar herkennen moet genomen zijn, tegelijk moet nieuwsgierigheid voorop blijven staan. Dat is nog niet zo gemakkelijk. De meeste kunstschrijvers zijn volgzaam, ze schrijven mee met hun generatie, het liefst schrijven ze met die generatiegenoten tot ze in het graf stappen. Een onhebbelijke gewoonte. Een criticus moet over alle kunstenaars schrijven, rijp en groen. En onthouden hoe het was om jong te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden