Je zwemt drie keer zes meter onder water: hoe ver ben je?

Discussie over de ‘realistische’ rekenmethode laait op...

Amsterdam De discussie over het rekenonderwijs op de basisscholen lijkt een nieuwe fase in te gaan. De Onderwijsinspectie heeft in een nog te publiceren onderzoek de twijfels versterkt die er bestaan over de ‘realistische methode’, die op vrijwel alle basisscholen wordt gehanteerd. Die methode wordt al fel gehekeld door een aanzwellend koor van critici, vooral sinds in 2006 uit onderzoek van Cito (het zogenoemde PPON-onderzoek) bleek dat basisschoolkinderen weliswaar beter zijn geworden in schattend rekenen, maar slechter in ‘cijferen’: rekenen op papier.

Het belangrijkste kenmerk van de realistische methode is dat sommen niet alleen ‘kaal’ worden aangeboden (3 x 6=), maar ook in een context (hoe ver ben je als je drie keer achter elkaar zes meter onder water zwemt?). Daarnaast zijn nieuwe oplossingsmethoden bedacht voor vermenigvuldigen, delen, optellen en aftrekken, waarbij gerekend wordt met hele getallen: het kolomrekenen heeft de staartdeling grotendeels verdrongen. Bovendien worden verschillende oplossingsstrategieën aangeboden. En er wordt veel aan schattend rekenen en hoofdrekenen gedaan.

Jan van de Craats, hoogleraar wiskunde en maatschappij aan de Universiteit van Amsterdam, heeft het onderzoek van de Onderwijsinspectie niet nodig om te weten dat het Nederlandse rekenonderwijs ‘volstrekt inadequaat’ is. Door al die context zit de leerling niet zozeer te rekenen alswel te lezen, en lijkt een rekentoets vooral een intelligentietest. En door al die oplossingsstrategieën ‘ziet de leerling door de bomen het bos niet meer’.

Hij vindt de Onderwijsinspectie nog onbegrijpelijk positief. ‘Er zit een vreemde cirkelredenering in hun onderzoek. Ze baseren zich op de Cito-toets, maar die is zo gemaakt dat er altijd een bepaald deel doorkomt voor vwo, en een bepaald deel voor havo.’ Anders gezegd: volgens de Citotoets voldoet het onderwijs per definitie. ‘De vragen van de Citotoets zijn vaak zo simpel, dat je niet begrijpt dat er kinderen in de achtste groep zitten die ze niet kunnen maken. Het is vaak van het niveau: hoe veel is 5 x 6.’

Niets deugt aan het realistisch rekenen, volgens Van de Craats. Volgens hem moet er minder met context worden gewerkt, en moet ‘opa’s rekenen’ inclusief de staartdeling weer terug, zodat die ‘rare aberraties van dat kolomrekenen’ kunnen worden afgeschaft. En vooral: er moet veel meer geoefend worden.

De realistische methode is ontwikkeld door het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht. Marja van den Heuvel-Panhuizen, hoogleraar aan dit instituut, moet er niet aan denken dat het rekenonderwijs teruggaat naar ‘dertig jaar terug, naar kale sommen maken, naar voordoen-nadoen.’

Dat de Onderwijsinspectie schrijft dat het geen aantoonbaar nut heeft om meerdere oplossingsstrategieën aan te bieden, ontlokt haar een scherpe uitval: ‘Het is nooit-nooit-nooit onze bedoeling geweest dat kinderen zo veel oplossingsmogelijkheden kregen aangeboden. Als je dat doet, wordt het één grote ramp. Wij wilden alleen dat de leerkracht oog heeft voor de manier waarop leerlingen een probleem willen aanpakken. We hebben de plicht aan te sluiten bij de denkrichting van de kinderen zelf.’

Dat de praktijk anders is, wijt ze vooral aan de gebrekkige opleiding van onderwijzers, aan de pabo’s, waar iedereen maar op kon, zelfs wie nauwelijks kon rekenen, en waar soms nauwelijks rekenonderwijs werd gegeven. ‘En wat gebeurt er nou aan bijscholing van onderwijzers? Niets toch?’ En als onderwijzers oefenen niet meer belangrijk vinden, dan is dat niet de schuld van het Freudenthal Instituut, ‘want dat hebben wij nooit-nooit-nooit gezegd’.

Heeft ze wetenschappelijk bewijs dat de realistische methode werkt?

‘We hebben dertig jaar geleden al onderzocht wat er beter werkte, de staartdeling of delen via kolomrekenen. Dat was onderzoek in een kleine groep, maar de resultaten waren zeer overtuigend. We hebben juist nieuwe manieren bedacht omdat heel veel kinderen die staartdeling niet konden maken.’

Alomvattend onderzoek is er weinig, maar Van den Heuvel wijst op onderzoek van het Cito, dat in 1997 vaststelde dat de realistische methode duidelijk betere resultaten opleverde dan de oude schoolboekjes. Maar datzelfde Cito stelde twee jaar geleden nog vast dat de rekenprestaties waren gedaald.

Van den Heuvel: ‘We kunnen niet terug naar ‘mechanisch’ sommen leren maken, zonder er bij na te denken. Kinderen zijn anders dan vroeger, ouders zijn anders. In Azië kunnen kinderen dat heel goed, daar scoren ze hoog in rekenen. Maar daar klagen ze over gebrek aan creativiteit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden